Autochtonen en allochtonen: gelijk oversteken

essay vrijdag 10 december 2004

Herman Van Dooren

Op 3 oktober schreef ik enkele zinnen in het Forum van ‘www.liberales.be’ n.a.v. de moord op Theo van Gogh. Enkele lezers reageerden en dichtten mij wijsheid toe. Dat is flatterend. Maar het is natuurlijk intellectuele gemakzucht enkele raak gekozen woorden te formuleren zonder de stelling te onderbouwen. Daarom voel ik de aandrang mij nader te verantwoorden. Waarbij het de vraag is of de lezers de mij toegezwaaide lof zullen handhaven of ijlings intrekken. Ik scherp mijn stelling aan: de moord op van Gogh werpt de samenlevingsproblematiek acuut op de politieke agenda en de oplossing kan alleen gevonden worden vanuit het inzicht dat het in de grond om wederzijdse integratie gaat van alle burgers en van de samenleving. In die zin gewaagde ik van ‘gelijk oversteken’: zowel wij als zij behoren een ernstige inspanning te doen. Alle burgers hebben gelijke rechten en plichten en behoren in gelijke mate uiting te geven aan hun burgerschap. De samenleving van haar kant behoort eenduidige spelregels uit te vaardigen en te handhaven en integratiebevorderende initiatieven te nemen. In dit essay breng ik achtereenvolgens de soorten reacties op de moord op van Gogh in kaart, adstrueer mijn stelling over ‘gelijk oversteken’ aan de hand van een concreet plan en ik houd de overheid enkele elementaire spelregels voor ter bevordering van nieuw burgerschap. Laat echter bij voorbaat duidelijk zijn dat de notie ‘gelijk oversteken’ niet een halfzachte manier van denken is, maar integendeel de invulling van een confronterend denken over ‘ons’ en over ‘hen’. De in deze crisis gehoorde kreet ‘de boel bij elkaar houden’ refereert aan paniekreactie en sussend crisismanagement en brengt ons, indien gebruikt als beleidsinstrument, verder af van het doel : een harmonische samenleving, waarin evidente diversiteit is ingebed in universele waarden en daaruit afgeleide normen in de publieke ruimte, concreet vormgegeven en gehandhaafd. De moord op Theo van Gogh heeft de discussie over onze samenlevingsproblemen voor de tweede maal doen losbarsten. De eerste schok, na de moord op Pim Fortuyn, heeft het maatschappelijk discours sterk en blijvend beďnvloed. Nu is opnieuw naar de hoogste versnelling geschakeld, met de evidente risico's van kort door de bocht gaan, wegdrukken van andere opinies en afsnijden van tegenargumenten. De posities worden verhard, het terrein ingenomen, hier en daar - op die plaatsen waar brandstichting wordt vastgesteld - zelfs letterlijk. De politiek spreekt tegelijk oorlogs- en verzoeningstaal, ministers spelen elkaar de verantwoordelijkheid toe. De docerende stem van premier Balkenende, op zoek naar de geschikte bezweringsformule, hapert in een moraliserend vertoog. De trein van de radicalisering van mensen en standpunten is gaan rijden en hij stelt vast dat hij hem niet kan stoppen. Krantencommentaren buitelen over je heen en zijn in geen tijden nog zo boeiend geweest. Eén kenmerk hebben vele commentaren gemeen : het ontwikkelen van één invalshoek, slechts één insteek in een problematiek met zovele facetten, je zou haast zeggen: ‘multi-aspectueel’. Dat leidt tot uitvergroting van op zich zinvolle benaderingen. Grofweg kan je een vijftal uitvergrotingen identificeren. Een eerste benadering verabsoluteert het beginsel van de vrije meningsuiting. Grof taalgebruik, emotionele erupties, regelrechte beledigingen ‘moeten kunnen’. Tegenover deze benadering zoek ik aarzelend een gewogen mening. Het beruchte ‘geiten enz.’- verwijt van van Gogh aan het adres van islamitische medeburgers past in een algemene verruwing van het taalgebruik, die nu uitzonderlijk wordt gebrandmerkt, maar doorgaans nauwelijks wordt opgemerkt. Het volstaat een avondje televisie te kijken om vast te stellen hoezeer de ‘shit’-taal om zich heen grijpt. De zogenaamde emo-cultuur geeft vrije ruimte aan onderbuikgevoelens en onderbuiktaal. Maar anderzijds is vlijmscherpe formulering noodzakelijk voor het intellectuele debat. Vlamingen houden niet van messcherpe formuleringen, zij verkiezen bij voorbaat de omslachtigheid die bij een compromisinstelling hoort. Vlamingen verpakken graag, beoefenen op meesterlijke wijze de vaardigheid problemen uit te stellen in intenties voor de toekomst, censureren zichzelf want confrontatie is taboe. De vrijheid van meningsuiting is ook in Vlaanderen wel degelijk in het geding, alleen, Theo, veel beschaving gaat er aan jouw taalgebruik niet verloren. De inzet is enerzijds de Vlaamse houding van niet provoceren, niet ter discussie stellen, weglachen. Het is een anti-intellectuele grondhouding van vermijding, die bevordert dat wij onze ogen sluiten voor bijvoorbeeld jarenlange manifeste Franstalige sabotage van de taalreglementering in Brussel en evident ook voor de jarenlange ongecontroleerde immigratie. Je kan er beter een schuine mop over vertellen dan het probleem op de agenda te zetten. De inzet is anderzijds het (oude) politiek correcte denken. Mijn werkplek - het sociaal hoger onderwijs - is bij uitstek een plaats, waar politiek correct denkenden samenkomen, het is een van hun habitats. Veel maatschappelijke relevantie heeft dat allemaal niet, maar de combinatie van onderwijs, media en politiek hebben de discussie een decennium lang wel systematisch onder de mat geveegd. De straf voor de ideologische dwarsligger was etikettering als ‘fout denkende’ en uitsluiting, soms, zoals in de vakbond, ook letterlijk. Daarmee geef ik aan dat dogmatisch links al even erg was/is als extreem rechts. De vrije meningsuiting is al lang in het geding. Er was, met de woorden van KUITENBROUWER in De Volkskrant van 8 november 2004, te veel repressie van ontoelaatbare ideeën en te weinig repressie van ontoelaatbaar gedrag. De politiek van vermijding is mislukt en dat is een goede zaak.

Een tweede benadering is het uitlokscenario. Eigen schuld dikke bult. Wie provoceert kan de boomerang verwachten. Deze benadering verontschuldigt bij voorbaat de dader. Ayaan Hirsi Ali is in deze opvatting een van de boosdoeners. Wie een bevolkingsgroep viseert, riskeert overigens uitgesloten te worden door een establishment, dat daartoe snel specifieke instrumenten uitvindt: discriminatie en racisme. Deze instrumenten zijn ideologische wapens. Zij worden gebruikt tegenover andersdenkenden, maar zodra ze de goede zaak niet meer dienen, worden ze op slag vergeten, zoals mag blijken uit het Rotterdams onzalige idee om wachtlijsten voor scholen aan te leggen op basis van etnische afkomst. Hallo discriminatie, hallo racisme! Strafrechterlijke sanctionering is hoe dan ook een armoedebod tegenover een problematiek die men bewust uit de hand laat lopen door laksheid in het uitzettingsbeleid, de surrealistische ‘snel-Belg-wet’, het negeren van de immigratieproblematiek, het gedogen van buitenlandse subsidiëring van godshuizen, de vergoelijking van misdaden tegen de menselijkheid door een cultuurrelativistisch vertoog, dat soort dingen. Wie daartegen zijn stem verheft, moet bloeden, in het geval van Fortuyn en van Gogh letterlijk. De benadering vanuit de uitlokking stimuleert een problematische minderheid en stigmatiseert een meerderheid, die op haar westerse wortels staat.

Een derde benadering tracht de verantwoordelijkheid te individualiseren. Dat is een beproefd middel om collectieve problemen onder de mat te vegen. Historisch bekend voorbeeld is de psychiatrisering in de voormalige Sovjet-Unie van intellectueel andersdenkenden. Wie de publieke opinie wil wijsmaken dat het hier louter om individuele ‘accidenten’ gaat, sluit de ogen in een wanhopige poging ‘de boel bijeen te houden’. De moord op Fortuyn is door een individu gepleegd. Ja allicht, ‘iemand’ heeft de trekker overgehaald. De kwalijke achtergrond van de moord op Fortuyn was, naast partijpolitieke factoren, vooral de ecologische voedingsbodem. Dit gedachtegoed is fundamentalistisch. De ecologische partijen zijn echter nauwelijks aangesproken op hun verantwoordelijkheid, laat staan dat we een sanitair cordon om hen zouden gelegd hebben. De voedingsbodem voor de moord op van Gogh is een combinatie van fundamentalistische islam en arabische mentaliteit. De fanatici voelen zich gesteund door de moslimgemeenschappen want niet verraden, niet tegengesproken, niet afgeremd. In deze benadering dragen de moslimgemeenschappen mede verantwoordelijkheid.

Een vierde benadering beoogt de veiligheid. De Nederlandse veiligheidsdienst AIVB heeft steken laten vallen en de coördinatie en daadkracht van minister Remkes schiet tekort. In deze optie is het zaak veiligheidsmaatregelen onderling af te stemmen en te verbeteren en repressieve bevoegdheden te verruimen. Tegenargumenten, zoals door Van Gunsteren in De Volkskrant van 13 november 2004, geformuleerd in termen van het uit handen geven van de rechtsstaat aan oncontroleerbare veiligheidsexperts van de overheid, verbleken tegenover de collectieve behoefte aan meer veiligheid. Immers, wie niets te verbergen heeft, juicht controle toe. Als deze benadering niet ingebed wordt in een ruimer geheel en niet gedragen wordt door een visie, is het niet meer dan crisisinterventie: een technische ingreep in een in de grond maatschappelijk-ethische problematiek.

Een vijfde benadering minimaliseert. De houding van ontkennen, ontwijken, de andere kant opkijken is in Nederland op brutale wijze tot stilstand gekomen, maar wordt in België nog consequent beoefend. Het is allemaal zo erg niet bij ons, wij zijn tenslotte geen Nederland en Spaanse toestanden hebben wij slim vermeden door niet mee te doen in Irak. Een dergelijke sussende houding komt neer op ‘pappen en nathouden’ en het verschuiven van de problematiek naar een volgende legislatuur. We zien wel, immers, een probleem is er maar zodra het zich stelt, dat wil zeggen zodra de verzieking dusdanige proporties heeft aangenomen dat we wel iets moeten doen. In dat laatste geval ligt ergens, in een onderste lade, nog altijd het ‘Belgisch compromis’, waarin we heilig geloven. Dat betekent het conflict ontmijnen en afkopen met veel geld, nieuwe bevoegdheden en plechtige rituelen, in dit geval bijvoorbeeld het opzetten van een volwaardige moslimzuil. Als de nood aan de man komt, zullen we het boven halen, zoals we met alle Belgische samenlevingsproblemen gedaan hebben. Ayaan Hirsi Ali is best leuk om een keer naar te luisteren ter gelegenheid van de Antwerpse boekenbeurs, maar te serieus moeten we haar boodschap nu ook weer niet nemen. Het is tenslotte aardig ons te vergenoegen in een Nederlandse problematiek, die wij nog lang niet kennen.

Deze vijf benaderingen zijn, indien verabsoluteerd, eenzijdig juist en daarom gevaarlijk. Burgers en groepen uit de samenleving zullen er zich wisselend door geviseerd voelen, gekwetst, gestigmatiseerd. Dat is dan weer de voedingsbodem tot nog meer terugplooien op zichzelf en tot agressie. Partiële verklaringen en deeloplossingen zijn menselijkerwijs begrijpelijk maar sterk onder de maat. Nodig is een globale visie en maatregelen op uiteenlopende terreinen om de dijkbreuk te voorkomen. In maatschappelijk-ethisch perspectief : er is een nuchtere diagnose nodig van de samenlevingsproblematiek en vervolgens een algemene geest van voluntarisme en dus een groots maatschappelijk initiatief. In politiek-juridisch jargon : er is een programmawet nodig over integratie.

De nuchtere diagnose betreft zowel autochtonen als allochtonen. De autochtone westerling heeft de norm van zelfontplooiing zover doorgevoerd dat hij is opgezwollen tot narcistisch centrum van zijn bestaan. Het zelfverzekerd, aanstellerig gedrag van de gemiddelde burger zou lachwekkend absurd zijn, als de samenleving er niet zoveel last van ondervond. In de publieke ruimte lopen de zelfverklaarde koningen en keizers elkaar voor de voeten terwijl hun beschavingspeil in het algemeen en hun omgangsvormen in het bijzonder in vrije val zijn gekomen. Het opgeklopte ego verdraagt geen tegenspraak. De assertieve burger is met voorsprong het nieuwe dominante persoonlijkheidstype. Zogenaamde zelfontplooiing heeft het gewonnen van de zelfbeheersing en zelfbeperking. Het resultaat is decadentie. We moeten onder ogen zien dat het individualisme, dat de onbetwiste motor van onze economische voorspoed en onze psychologische en maatschappelijke ontplooiing is en blijft, ook een achterkant heeft. De verwaande burger, die zo rijk is dat nadenken, afwegen, zich bezinnen en zich beheersen niet meer nodig is, stelt de wet. De consument is de (schijnbare) baas. Dat andere culturen op ons grondgebied daar met verbazing, onbegrip, verontwaardiging en verzet op reageren, is op zichzelf een gezonde reflex. De dominante cultuur kan nog iets leren van hun traditionele waarden van familiale verbondenheid, zelfbeperking, individuele matiging. De autochtone decadentie is een majeur probleem.

De allochtone medeburgers hebben zich zodanig op zichzelf teruggeplooid, dat een eigen wereld is ontstaan, waarin de cultus van hun eigenheid wordt beoefend en de zichtbare kloof met de dominante cultuur wordt opgevoerd. Zo zijn onze Arabische medeburgers er diep van overtuigd dat wij hen niet aanvaarden, ofschoon wij de nieuwkomers consequent in aanmerking laten komen voor onze uitgebreide voorzieningen, zelfs zonder dat ze een bijdrage hebben geleverd. Nu is niet aanvaard worden een groot affront in een eer- en schaamtecultuur. Naďeve autochtone pleitbezorgers reiken hen het eufemisme van de diversiteit aan, wat een valstrik is die tot contraproductieve gevolgen leidt. De suggestie dat de dominante cultuur jou moet aanvaarden zoals je bent kan immers maar werkelijkheid worden voorzover je zelfbedruipend bent. Het klassieke voorbeeld is de orthodoxe Jood, die in eigen kring een economische toekomst vindt. Wie voor zijn overleven is aangewezen op de dominante cultuur, in termen van werk en voorzieningen, zal zich op die dominante cultuur moeten verhouden. Zo is het en niet anders. Elementaire aanpassing om economische redenen is voor de meesten noodzaak, zowel voor autochtonen als allochtonen. Het probleem is principieel: het drammerige recht opeisen geheel jezelf te blijven in de westerse samenleving leidt onvermijdelijk tot isolatie en uitstoting. Laten we er niet omheen draaien: integratie met behoud van identiteit is een waanbeeld.

De dominante cultuur is gekenmerkt door egocentrisme en dwangmatig genot. De Arabische culturen cultiveren in eigen kring hun grote gelijk rond religieuze suprematie, primaat van de gemeenschap en historische discriminatie. Zij en wij staan zeer ver van elkaar af en dit verschil is meer dan een faseverschil. Onze culturen verdragen elkaar moeilijk. Abstracte redeneringen over een gemeenschappelijke oorsprong, historische verbondenheid, het verlichte kalifaat in Al-Andaluz gaan voorbij aan de realiteit op het terrein hier en nu. Is het echt nodig te refereren aan het historisch feit dat wij de Arabieren, ondanks vijf eeuwen van Arabische beschaving, uit Portugal hebben gezet in 1250 en uit Spanje in 1492? We voelen en zijn wederzijds ‘anders’ en dat is een evidente psychologische bron tot wederzijdse cultivering van een vijandbeeld. Laten we deze grote verschillen nuchter onder ogen zien en ze niet toedekken onder historische of multiculturele sausen. De grote fout is dat wij hen in veel te grote aantallen hebben toegelaten en dat politieke desinteresse, een door dogmatisch links gedicteerd correcte denken en narcistische preoccupaties de problemen hebben geminimaliseerd, getaboeďseerd en weggedrukt uit het bewustzijn. Dat is onze grote eigen schuld. In omvang beperkte minderheden stellen per definitie minder problemen, zij nemen een laag profiel aan, integreren, assimileren of segregeren zonder dat het opvalt. Zodra echter een bevolkingsgroep tot een aanzienlijke minderheid uitgroeit, gaat ze zich evident als groep gedragen en manifesteren. Dat geldt a fortiori voor niet-Europese culturen, die zich moeilijk laten acculturaliseren. De Volkskrant van 20 november 2004 noteerde een publieke uitspraak van de Marokkaans-Nederlandse psychiater Sidali: "Dit is geen dreigement, maar we zijn al met een miljoen moslims. Als we één dag stoppen met werken, gaat Nederland failliet". Deze ontwikkelde man ziet zich niet als Nederlander of Europeaan of Marokkaan maar als moslim! Deze en dergelijke uitspraken enerzijds en in eigen land de sterkte van het Vlaams Belang anderzijds illustreren het proces van verharding, dat door de moord op van Gogh opnieuw een injectie heeft gekregen. Straks staan we als vijanden tegenover elkaar. Het woord burgeroorlog wordt in de mond genomen. Dat is de situatie vandaag de dag in Nederland en dus morgen in Vlaanderen. Wat kunnen we doen? Mijns inziens moeten we ophouden met bezweringsformules en -rituelen, ons beroep op hoge morele waarden als intellectuele vermomming afleggen en nuchter vaststellen dat we, ofschoon uitermate verschillend, gedoemd zijn tot een minimale vorm van samenleven, althans van elkaar gedogen. Dat kan als negativistisch of defaitistisch overkomen, maar is realistisch. Als we ons niet langer schamen om de werkelijkheid in de verhoudingen tussen hen en wij, wordt het mogelijk op zoek te gaan naar een gemeenschappelijke basis. Deze basis is het vermijden van de confrontatie. De kapstok is niet moeilijk te vinden: een gedeeld gebrek aan burgerschap. Autochtonen hebben hun rechten tot een agressieve ik-cultuur uitgerokken, allochtonen overwaarderen de plicht vanuit een heilig boek. De autochtonen lijden aan een verschrompeld maatschappelijk plichtgevoel, de allochtonen aan een gebrek aan individuele rechten. Vanuit een dergelijk, weliswaar schematisch, uitgangspunt is een economische benadering van ‘gelijk oversteken’ denkbaar. In mijn boek Maatschappelijk werk tussen burger en samenleving heb ik mij afgezet tegen een klassieke, op zelfontplooiing en diversiteit gestoelde welzijnsbenadering, die in de praktijk geleid heeft tot identificering en vervolgens betutteling van doelgroepen en bijgevolg tot aangestuurde segregatie. Ik heb gepleit voor een welzijnsaanpak, gericht op integratie van iedereen: van autochtonen en allochtonen en zelfs van de samenleving en haar dragende instituties. Als concreet voorbeeld heb ik een grootscheeps initiatief voorgesteld, ontleend aan de voormalige Duitse bondskanselier Harald Schmidt: het plichtjaar op achttien jaar voor iedereen. Alle jongeren zonder onderscheid qua geslacht, afkomst, klasse, godsdienst, opleidingsniveau, lichamelijke constitutie samenbrengen in een gemeenschapsverblijf, waarin zij een jaar lang maatschappelijke normen krijgen aangeboden, aangevuld met de praktijk van het leren omgaan met leeftijdsgenoten van verschillende achtergronden en met uiteenlopende talenten en gebreken, dat is daadwerkelijke preventie. Bovendien kan een scala aan cursussen worden aangeboden zoals een cursus eerste hulp, een computercursus, sollicitatiecursus, taalcursussen, een cursus rijvaardigheid, een zwemcursus, kookkursus, handvaardigheidscursussen, een cursus financiële huishouding enz. Door dat alles heen wordt samenleven ingeoefend aan de hand van deels opgelegde, deels door de jongeren zelf bediscussieerde en ontworpen normen. De opgelegde normen betreffen elementaire omgangsvormen en omgaan met afspraken. Opgelegde normen zijn vooral nodig voor die jongeren, voor wie abstracte discussies over de rechtsstaat bijvoorbeeld te hoog gegrepen zijn, zij moeten vooral beschaafd gedrag leren. Zelf ontworpen groepsnormen stimuleren het leren omgaan met heel andere mensen van dezelfde leeftijd. Het bezwaar dat er te weinig gedeelde waarden zijn om een gemeenschappelijke basis te vinden, is onjuist. Van Den Brink toont aan dat het normatieve proces over de laatste 30 jaar een tendens laat zien van minder diversiteit naar meer convergentie en meerderheidsvorming! Eén van zijn vele voorbeelden is de opvatting over de stelling: ‘een avontuurtje buiten de vaste relatie moet kunnen’.Welnu, in 1970 liet de frequentieverdeling in de antwoorden grote meningsverschillen zien. Grofweg 20 % was het geheel eens en 20% geheel oneens. Dezelfde bevraging in 1997 laat een ander resultaat zien: 3 % geheel eens, 55 % geheel oneens. Uit deze en een reeks andere bevindingen kan worden geconcludeerd dat er niets mis is met het normbesef, ondanks uiteenlopende waardesystemen! De kwestie is het omzetten van de theoretische norm in concreet gedrag van alledag. Het verplicht samenleven gedurende een langere tijd - zoals in een familie - kan daartoe een uitstekende oefenschool zijn. De voordelen van het plichtjaar boven andere, partiële benaderingen, liggen enerzijds in het feit dat niet slechts overtreders of nieuwkomers geviseerd worden maar alle jongeren, dat autochtoon en allochtoon leert samen te leven op één campus, dat de waarden van de rechtsstaat zowel worden ingeprent als beoefend, dat op het terrein en niet in boeken of toespraken respect wordt geleerd voor diversiteit, dat de etiketten autochtoon en allochtoon verdwijnen. Indien van allochtone kant zou tegengeworpen worden dat het om een slinkse truuk gaat om westerse waarden over te dragen, dan is het antwoord ondubbelzinnig ja. De confrontatie kan maar vermeden worden als iedereen zich inschrijft in als universeel erkende waarden van onze dominante cultuur. Dat is hun noodzakelijke elementaire aanpassing. Maar binnen dat kader mag men de autochtoon rustig confronteren met gebrek aan respect voor ouderen, met promiscuďteit, met leven in dienst van het genot, met de teloorgang van gezin en familie. Ook de autochtoon zal bijgevolg harde noten te kraken krijgen. En de dialoog is open, maar wel binnen de spelregels van de rechtsstaat. Uiteraard kan tegen het plichtjaar een reeks bezwaren worden ingebracht, die ik hier noch benoem noch weerleg. Immers, het gaat in de grond om het besef dat het tijd is voor een grootscheeps initiatief en om een portie voluntarisme. Als je daarvan doordrongen bent, is het voorgestelde initiatief een logische stap. Het plichtjaar wordt hier echter niet als politiek actiepunt voorgesteld - klaar om neergesabeld te worden! - maar als creatief voorbeeld van grote mobilisatie in een ernstige samenlevingsproblematiek, waarvoor goedbedoelde deelinitiatieven waardevol maar onvoldoende zijn. Ooit voerde de politiek een volmachtenbeleid voor een problematiek die in de grond minder essentieel was. De polarisatie kan maar stoppen als de beide ‘kampen’ in eigen boezem kijken en elkaar vervolgens de hand reiken.

De inzet van het plichtjaar is het aanleren van beschaving. De burger heeft huiswerk te maken. Maar ook de overheid heeft een rol te spelen. Deze rol is minimaal pedagogisch, wetgevend en politioneel. Pedagogische randvoorwaarden zijn bijvoorbeeld: een hoofdvak maatschappelijke vorming in het onderwijs, met verplichte kennismaking met alle erkende godsdiensten; verplichting van of aanmoediging van vrijwilligerswerk door jongeren; bevorderen van contacten in binnen- en buitenland met de reformistische islam (Irshad Manji - omdat liberale gemeenschappen in moederlanden de moderniteit beter kunnen aanprijzen dan autochtone ‘missionarissen’); weren van decadente publiciteit zoals bijvoorbeeld het onbeschaafd roepen en tieren in radiospotjes; weren van politici in de media ten voordele van deskundigen zoals economen, filosofen en specialisten in bepaalde materies; minimale toegankelijkheid van de belangrijkste media van elke lidstaat van de E.U. in alle andere lidstaten; beperking van de overdadige aandacht voor alles wat zich in Amerika afspeelt; bevordering van politieke betrokkenheid door organisatie van referenda over Europese grondwet en uitbreiding; effectief toezicht op schoolverzuim vanaf de eerste dag; aanspreken van de burger niet op basis van godsdienst maar op basis van individualiteit, werknemerschap, lidmaatschap; Nederlands als cultuurtaal in de Vlaamse publieke ruimte zowel voor etnische Belgen als autochtone dialectsprekers als Franstalige en Duitstalige landgenoten.

Wetgevende initiatieven zijn bijvoorbeeld gelijke financiering van de erkende erediensten (waaraan vervolgens voorwaarden kunnen gekoppeld worden, bijvoorbeeld een verbod tot buitenlandse subsidiëring en verplichting van het Nederlands in de meest voorkomende ceremonies); een eenduidig toelatings- en uitzettingsbeleid op korte termijn om drama’s te voorkomen; afschaffing van de dubbele nationaliteit (bij voorkeur op Europees niveau om problemen met aan nationaliteit gekoppelde pensioenaanspraken te vermijden); controle op en sanctionering van besnijdenis om niet medische redenen voor alle jongens en meisjes ter gelegenheid van een jaarlijks medisch schooltoezicht; verplichte behandeling van alcohol- en drugverslaving na ernstige wetsovertreding; kledingcode in openbare functies; schoolorganisatie en –spreiding op basis van taal- en andere achterstanden maar niet op etniciteit; terughoudend omgaan met aanspraken op groepsrechten; extra middelen voor een Europees persbureau, dat de onafhankelijkheid van informatie kan waarborgen. Politionele initiatieven betreffen vooral meer blauw op straat, strenge beteugeling van onmaatschappelijk gedrag en ontzag voor de ordediensten, kortom een heus handhavingsbeleid.

Tot slot moet nog maar eens worden herhaald dat de rechtsstaat aan groot onderhoud toe is. Meer bepaald is wenselijk de uitzuivering van ons oerwoud aan wetten, toetsing van wetgeving aan goed Nederlands, grondige herziening van justitie in de zin van beperking van procedureslagen, vonnissen binnen een redelijke termijn, toetsing op vakbekwaamheid van gerechtelijke deskundigen, terugdringen van de opvatting van wetgeving als een permanent proces, waardoor om de haverklap partieel wordt ingegrepen in voorzieningen als gezondheidszorg met als gevolg dat de burger zijn gevoel van rechtszekerheid verliest. De geest van deze en dergelijke voorstellen is het bevorderen van een nieuw maatschappelijk contract, van nieuw burgerschap en van een nieuwe definiëring van burger en vreemdeling. Vreemdeling is dan hij of zij, die, ongeacht afkomst of geboorteplek of nationaliteit, zich niet gedraagt overeenkomst de beginselen van goed burgerschap. Een maatschappelijk project dat enerzijds viseert onze autochtone en onze etnische Belgen tot een moderniteit te bewegen van rechten en plichten en van ontplooiing in verantwoordelijkheid en onder de rechtsstaat en anderzijds de overheid te stimuleren tot groot onderhoud aan deze rechtsstaat, vereist een voluntaristische instelling van velen. Ik twijfel er niet aan dat vele burgers instappen, als zij zich gesteund weten door media en politiek. De zwakke schakel zijn precies bepaalde media en een bepaalde partijpolitiek, van wie cynische commentaar kan worden verwacht over een aantal geformuleerde suggesties. Deze cynici willen niet inzien dat de stemmen op het Vlaams Blok/Belang niet allemaal verzuurde stemmen zijn, maar gedeeltelijk ook een uitlaatklep van goedbedoelende burgers, die de arrogantie van de macht aan de kaak willen stellen. De partijpolitiek moet ophouden de staat te bezetten en de media moeten ophouden die partijpolitiek te bedienen. Als in Antwerpen de werken aan leien, ring en spoor tegelijk kunnen, dan heeft dat met politieke wil te maken. Politieke wil is wat we nodig hebben om een grootscheeps beschavingsoffensief in te zetten. Wie straks nog maar eens de handen in de lucht steekt omdat hij zogezegd niet begrijpt wat er nu weer gebeurt, heeft geen recht van spreken meer.


Manji, I., Het islam dilemma. Een oproep tot verandering en tolerantie, Bruna, 2004.

Van den Brink, G., Schets van een beschavingsoffensief. Over normen, normaliteit en normalisatie in Nederland, Amsterdam University Press, 2004.

Van Dooren, H., Maatschappelijk werk tussen burger en samenleving, Garant, 2004.


Herman Van Dooren

Herman Van Dooren

Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be