|
Het succes van China is fenomenaal: de economische groei en het aandeel in de wereldhandel stijgen spectaculair. Voor velen is China het land van de toekomst als het op investeringen en handelsbetrekkingen aankomt. Maar is China wel hét voorbeeld van ontwikkeling en welvaart? Het land steunt duidelijk op twee tegenpolen. Op economisch vlak heeft het zich voluit ingeschakeld in de wereldhandel, nadat het in 2001 lid werd van de Wereldhandelsorganisatie (WHO). Maar op politiek vlak blijft de communistische partij de touwtjes strak in handen houden, met als gevolg dat er hoegenaamd geen sprake is van democratie of respect voor een aantal fundamentele rechten zoals persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting. Volgens Amnesty International zaten er vorig jaar tienduizenden mensen in kampen en was foltering niet uitgesloten. Sinds het bloedbad op het Tiananmenplein in 1989, is de situatie er nauwelijks veranderd. China heeft de doodstraf nog niet afgeschaft en ze wordt er ook effectief uitgevoerd. Europa is er normaal gezien als eerste bij om schendingen van de mensenrechten, waar ook ter wereld, te veroordelen. De mildere houding tegenover China is dan ook opvallend. Die houding blijkt onder meer uit de bereidheid van veel EU-lidstaten om het wapenembargo tegenover China op te heffen, ook al zitten honderden Tiananmen-slachtoffers nog steeds achter de tralies. China wil zich bewapenen en heeft vooral Taiwan in het vizier. Maar Europa kan onmogelijk wapens leveren aan een land dat militair geweld wil gebruiken om zijn territoriale eenheid te verzekeren. Ook op handelsvlak loopt niet alles zo koosjer in China. De Aziatische grootmacht heeft de voordelen van het WHO-lidmaatschap ontdekt, maar heeft het veel minder begrepen op de verplichtingen die eruit voortvloeien. Volgens sommigen heeft China een verborgen plan, het zou de ´fabriek van de wereld’ willen worden. China probeert naar goede communistische gewoonte in zoveel mogelijk industriële activiteiten een (quasi-)monopoliepositie te verwerven. Voor textiel en kleding is dat al langer bekend, maar het gebeurt ook voor elektronica, schoenen, metaalproducten en - onlangs nog met Rover - voor auto’s. Maar wie wordt daar beter van? Op de Chinese werkvloer is er absoluut geen respect voor arbeidsvoorwaarden. Vakbonden zijn zo goed als verboden en arbeiders werken er aan lage lonen in vaak schrijnende omstandigheden. De zware mijnrampen zijn daar pijnlijke voorbeelden van. Wettelijk is het verboden om onder de 16 jaar te werken, maar de autoriteiten geven grif toe dat kinderarbeid niet helemaal is uitgesloten. Het algemene welvaartspeil stijgt weliswaar in China, maar in veel mindere mate dan de economische groei. Bovendien is de welvaart er zeer ongelijk verdeeld en zijn de regionale verschillen enorm groot. In steden zoals Peking koopt men dure merkkledij in moderne winkelcentra, maar op het platteland leven nog steeds 800 miljoen Chinezen met nauwelijks elektriciteit en drinkbaar water. China voert daarnaast een bijzonder agressief dumpingbeleid, met prijsverlagingen tot 70 procent. China zou op dit moment 20 procent van de wereldhandel beheersen. Op textielvlak heeft dat ertoe geleid dat China een derde van de quotavrije invoer in Europa heeft ingepalmd. Een aantal textielproducten wordt zelfs uit China naar Europa ingevoerd aan prijzen die lager liggen dan de grondstofprijs. Hetzelfde geldt voor staalproducten. Dat is eigenlijk onmogelijk, ware het niet dat Chinese bedrijven met verlies werken en dus virtueel failliet zijn. Maar de meeste van die bedrijven zijn nog overheidsondernemingen die renteloze leningen krijgen (via banken die ook in handen zijn van de staat). En er heerst nog steeds een systeem van exportsubsidies of verdoken staatssteun, zoals gratis levering van elektriciteit. Dat valt allemaal moeilijk te rijmen met het ideaalbeeld van een correcte marktwerking. Nog een andere flagrante inbreuk van China op de internationale handelsregels is het toelaten van illegale namaak en piraterij. China kent geen enkel respect voor intellectuele eigendomsrechten. Het tast op die manier ook onze creativiteit en innovatie aan, enkele van de laatste troeven van onze economie. Als je van Europa de meest competitieve kenniseconomie ter wereld wil maken, dan wordt het hoog tijd dat je streng toekijkt of die kennis buiten Europa wordt beschermd en gerespecteerd. 70 procent van alle nagemaakte goederen die op de Europese markt worden gegooid, zijn afkomstig uit China. Volgens de Europese Commissie vertegenwoordigt de namaak 5 tot 7 procent van de wereldhandel. De muziek en audiovisuele producten in Europa schatten de verliezen als gevolg van namaak en piraterij op circa 4,5 miljard euro per jaar. Het is hoog tijd dat vanuit een Europa een vuist wordt gemaakt tegen het agressieve Chinese handelsbeleid. Maar we zijn blijkbaar bang van de gele reus. Vooral de Europese Commissie kijkt gelaten toe en probeert alles toe te dekken door eerder van een ‘uitdaging’ dan van een gevaar te spreken. De handel van en met China kan een uitdaging zijn. Maar dan moet er wel met gelijke wapens worden gestreden en moet het handelsspel langs beide zijden correct worden gespeeld. Ten slotte moeten handelsrelaties met China ook een hefboom zijn voor politieke en sociale hervormingen en dat is in China tot nu toe helemaal niet het geval. Toch mogen bij een WHO-lidmaatschap niet alleen meer puur commerciële belangen spelen. Ook morele codes zoals democratie en mensenrechten moeten op de voorgrond treden.
Johan Van Hecke Johan Van Hecke Linksjvanhecke@europarl.eu.int |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|