|
“De vrijheid is niet de natuurlijke toestand, maar het gevolg van veel overleg, langdurige ervaring en aanhoudende inspanning. In de natuur heerschen toeval en geweld; deze te beperken, deze te vervangen door regelen, welke zooveel mogelijk aan áller persoonlijkheid vrij spel laten, is de groote taak, welke de liberaal zich voor oogen moet stellen.” P.W.A. Cort van der Linden Liberalen willen dat individuen de mogelijkheid hebben om hun leven naar eigen inzicht en op basis van eigen energie in te richten. De opkomst van hun politieke stroming in de negentiende eeuw sproot voort uit ongenoegen over de starre standensamenleving die dit ideaal in de weg stond. Tot dan toe immers legden geestelijke en wereldlijke gezagsdragers enge grenzen op aan het leven van de “onderdanen”. Kort gezegd streefden liberalen naar het doorbreken van die van bovenaf opgelegde grenzen en naar het vastleggen van burgerlijke en economische rechten, die voor iedereen in gelijke mate golden en die tegenover de staat konden worden ingeroepen. Bij dit streven waren de liberalen er over het algemeen van doordrongen dat juist de bescherming van de individuele vrijheid wel degelijk het trekken van zekere grenzen vergde. Want niet alleen de staat kan inbreuk maken op de denk- en bewegingsvrijheid van een burger, ook zijn medeburgers kunnen dat. Omdat de individuele vrijheid eenieder toekomt dient die vrijheid ook beperkt te zijn tot het punt waar de vrijheid van een ander individu in de knel komt. In de beginfase van het liberalisme hing het van de specifieke omstandigheden in een land af of in eerste instantie vooral oude belemmeringen voor de individuele vrijheid werden afgebroken of dat er daarnaast al naar nieuwe grenzen aan die vrijheid werd getast. In veel gevallen – o.a. in Nederland – werd in het midden van de negentiende eeuw vooral de bemoeienis van de staat met burgers en hun samenleving teruggedrongen; elders werd soms de staat ingezet om het individu uit de greep van maatschappelijke verbanden (bv. de kerk) te bevrijden. Maar overal waren liberalen erop uit om, in een wereld waarin de druk van collectieve maatschappelijke en statelijke verbanden albepalend was, de individuen meer centraal te stellen en de politiek aan hen dienstbaar te maken. Het liberalisme maakt dus het individu en diens belangen tot startpunt en toetssteen van de politiek. Uiteraard staat dit individu niet los van zijn omgeving. Voor veel van wat het individu wil en kan bereiken, is hij van anderen afhankelijk. Hij zal zijn leven met anderen willen delen; familieleden en vrienden vormen de kern van zijn sociale bestaan. Verder zal hij zijn krachten voor een zakelijk of ideëel doel met die van anderen bundelen; daarom hechtten liberalen aan het verwezenlijken van vrijheid van vereniging en vergadering. Bovendien moet worden bedacht dat het individu in zijn denken en handelen vaak voortbouwt op wat anderen al hebben verricht en steeds invloeden van zijn medemens(en) ondergaat. Liberalen houden er dan ook – anders dan wel eens wordt beweerd – bepaald geen atomistische maatschappijvisie op na, alsof individuen onderling niets met elkaar te maken (willen) hebben. Wat liberalen van anderen onderscheidt is dat zij de mens, hoezeer deze ook is ingebed in tradities en relaties, zien en van staatswege wensen te behandelen als een autonoom wezen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw legden liberale denkers en politici meer nadruk op genoemde omgevingsfactoren, nadat zij er inmiddels in waren geslaagd de eigen denk- en handelingssfeer voor het individu daadwerkelijk te verruimen en veilig te stellen. Daarnaast kregen zij er meer dan voorheen oog voor dat de staat soms diende bij te springen om de voorwaarden te scheppen waaronder het vrije individu tot zijn recht kwam. Maar nog altijd gold dat staatsoptreden dat niet gericht was op het optimaliseren van de vrijheden en rechten van individuen, uit liberaal oogpunt onjuist was. Dit geldt onverminderd. De staat hoort bij deze les te worden gehouden door de gezamenlijke individuen, die in hun hoedanigheid als kiezers het laatste woord spreken. Indertijd was de tussenkomst van de staat wenselijk om aan bepaalde sociale wantoestanden (bittere armoede, ook voor degenen die buiten hun schuld zonder inkomsten raakten; onhygiënische leefomstandigheden; verkrotting; etc.) een einde te maken. In de loop van de twintigste eeuw is de bemoeienis van de staat met het leven van de burgers echter verregaand toegenomen. Confessionelen en sociaal-democraten, in deze eeuw in Nederland en veel andere landen de grootste politieke stromingen, hebben gretig gebruik gemaakt van de staatsmacht om aan bepaalde groepen (voor)rechten te geven (het maatschappelijk middenveld) of om verantwoordelijkheden te verleggen van het individu naar het collectief (bv. die om in eigen onderhoud te voorzien). De liberale versie van het vooruitgangsgeloof, de overtuiging dat het individu zich in de geschiedenis meer keuzevrijheid zou verwerven, kwam in de twintigste eeuw onder druk te staan door wat als een terugval naar de tijden van gilden- en vorstendwang kan worden gezien. Meer en meer werden – en worden nog steeds – voor het individu ingrijpende beslissingen buiten hem om genomen en komt dat individu daardoor voor voldongen feiten te staan (bv. als gevolg van overregulering, besluiten van zelfstandige bestuursorganen, of verdragsmatige verplichtingen die de staat (ooit) is aangegaan). De staatsmacht en de onder bescherming van die macht woekerende macht van maatschappelijke groeperingen, zijn een eigen leven gaan leiden. Sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw is een tegenoffensief ingezet. De macht van de staat en van nieuwe gevestigde belangen waren voor de geëmancipeerde burger beknellend. Een slinkend – zij het in de politiek nog altijd vrij omvangrijk – aantal mensen onderschreef de tot dan toe vrij breed aangehangen gedachte dat de samenleving van bovenaf “maakbaar” zou zijn. Het inzicht won veld dat de staat te veel hooi op zijn vork had genomen en dat hij het dus rustiger aan moest doen. In de jaren tachtig zette dit het streven naar beperking van het staatsoptreden tot “kerntaken” en de operatie tot deregulering in gang. Deze operaties zijn allerminst volbracht. Het blijkt lastig te zijn om de belangen van de staat en van maatschappelijke groeperingen te overwinnen zodat de burger zijn eigen verantwoordelijkheid kan (her)nemen. Overigens zijn burgers wat dit betreft ambivalent. Enerzijds roepen zij voor tal van zaken de hulp van de staat in; er hoeft zich maar een kleine tegenslag voor te doen of de roep om regels en financiële “compensatie” klinkt op, alsof er een recht zou bestaan op een leven vrij van risico’s. Anderzijds ervaren burgers interventies van diezelfde staat als hinderlijke bemoeizucht. Deze tweeslachtigheid is één van de factoren achter de politieke turbulentie in de afgelopen twee jaren. Van de staat wordt nog altijd (te) veel verwacht en gevraagd, terwijl er maar weinig van wordt geduld. Dit valt trouwens niet alleen de burger aan te rekenen. Politici doen nauwelijks iets om de verwachtingen te temperen. Zeker in verkiezingstijd suggereren zij dat er van de staat veel heil is te verwachten. Door de overbelasting van de staat zijn bovendien essentiële publieke voorzieningen in het slop geraakt. Zo heeft de staat (en hebben de gemeenten) door allerlei extra taken op zich te nemen de zorg voor veilige en schone straten en andere openbare ruimten schromelijk verwaarloosd. De extra staatstaken zijn mede toegevoegd om aan de verlangens van bepaalde (belangen)groepen van burgers tegemoet te komen. Het gevolg is dat alle burgers lijden onder de toegenomen onveiligheid en vuiligheid. De op het fundamentele terrein van de veiligheid toch al geringe prestaties van de staat zijn verder omlaag getrokken door een veelvuldig toegepast gedoogbeleid. Daarbij vraagt de burger zich af waarom hij op het niet-naleven van een minder relevant lijkende regel wordt aangesproken als tegelijkertijd gezagsdragers bij de schending van basale regels rondom lijf en goed de andere kant opkijken. Liberalen zouden een vertrouwd geluid kunnen laten horen door te stellen dat de staat zich moet concentreren op enkele kerntaken – voorop het verschaffen van veiligheid en andere condities voor een vrije samenleving – en op andere terreinen de burger diens eigen verantwoordelijkheid moet (terug)geven. Tegenwoordig zouden burgers die verantwoordelijkheid ook meer dan ooit moeten aankunnen: zij zijn immers merendeels beter geïnformeerd, hoger opgeleid en welvarender dan voorheen. En inderdaad moet het vertrouwde liberale geluid met grote regelmaat klinken: maak de staat klein maar krachtig en laat de burger vaker zijn eigen verantwoordelijkheid dragen. Maar liberalen zijn er daarmee niet, net zomin overigens als enige andere politieke stroming. Men dient te beseffen dat onze vrijheid niet voor lief kan worden genomen. Zij behoeft een goede voedingsbodem in de vorm van een samenleving waarin wezenlijke zaken als veiligheid en een gedeeld basisrepertoire aan waarden gegeven zijn. Ontbreekt het daaraan dan slaat de onzekerheid toe. Op den duur zal die onzekerheid aan de pijlers van onze samenleving gaan knagen. Om samen te kunnen leven hoeven burgers er zeker geen gelijke levensvisie op na te houden, maar zij dienen wel genoeg gemeenschappelijks te hebben dat zij elkaar als medeburgers wensen te aanvaarden. Als de veiligheid niet is gewaarborgd ontbreekt het fundament van de liberale rechtsstaat. Staan basale waarden ter discussie of worden zij zelfs aangetast, dan kunnen burgers er niet langer op vertrouwen dat ook de medeburgers respectvol en op verantwoorde wijze met hun vrijheid zullen omgaan. Momenteel zinken oude zekerheden weg door een reeks nieuwe of versterkt naar voren tredende ontwikkelingen (die verderop worden besproken). Het is dan ook zaak te zoeken naar een passend politiek program, dat de brug weet te slaan tussen de principes die wij liberalen koesteren en de veranderende omstandigheden. Op die manier kunnen nieuwe zekerheden worden gevonden, die ons een nieuwe identiteit verschaffen, en kan worden voorkomen dat burgers zich vastklampen aan schijnzekerheden, zekerheden van weleer die in de nieuwe omstandigheden niet langer houvast kunnen bieden of schoon schijnende toekomstperspectieven (voorgehouden door niet-liberale politici) die haaks staan op de verworvenheden van de liberaal-democratische maatschappij. Als politieke stroming die ook in het verleden heeft laten zien dat zij het streven naar vooruitgang wist te grondvesten op nuchtere realiteitszin, is het liberalisme bij uitstek toegerust op het slaan van een brug tussen principes en omstandigheden. Het is niet de bedoeling in dit essay een nieuw politiek program neer te leggen. Wel zullen enkele van de meest relevante ontwikkelingen hieronder worden weergegeven. Voorts zal steeds de richting worden geduid die het liberalisme naar mijn mening op moet gaan zodat de eigen beginselen aansluiting vinden bij de genoemde trend en hieruit een relevante politieke koers naar voren komt. Het essay wordt afgesloten met opmerkingen over de implicaties voor de grondslagen van het liberalisme in algemene zin. De volgende technologische, maatschappelijke en internationale ontwikkelingen vragen om een grondige bezinning op de liberale grondslagen: Revolutie in de biogenetische technologie De revolutie in de biogenetische technologie legt oorzaken van menselijke gedragingen en ziekten bloot maar raakt ook direct aan de persoonlijke identiteit. In een ver verschiet ligt de mogelijkheid tot het “sleutelen” aan wezenskenmerken van de individuele mens, van het stilleggen van ziekteverwekkende genen tot het stimuleren van bepaalde gewenste eigenschappen in het nageslacht. Die ontwikkeling is zeer te verwelkomen voor zover dit leidt tot het voortijdig uitbannen of behandelen van ziektes. Zulk “reparatiewerk” aan de mens ligt in het verlengde van de reguliere geneeskunde. Het kweken van eigenschappen in het nageslacht “op bestelling” is een zaak van een heel andere orde. Op die manier wordt namelijk ook de nature-kant van de identiteit van een individu een bewuste creatie. Dat zou de vraag opwerpen hoe “eigen” de persoonlijke identiteit van een individu nog is. Met inachtneming van het feit dat de ontwikkeling van het internationale onderzoek op dit terrein niet kan worden stilgelegd (zo dat al gewenst zou zijn), ligt hier de fundamentele vraag voor hoe ver de identiteit van een individu door anderen bewust mag worden bepaald. Waar liberalen externe druk op een individu (bijvoorbeeld hersenspoeling) verwerpen, moet duidelijk zijn dat ook hier bepaalde grenzen zullen moeten worden getrokken. Liberalen hebben de bestaanbaarheid en juistheid van een maakbare maatschappij altijd betwist. Het streven naar een “maakbare mens” gaat verder en kan dan ook onmogelijk als een liberaal ideaal gelden. Op korte termijn is de zojuist besproken vraag niet aan de orde. Wel dringt sinds enige tijd de “wil om te weten” andere wezensvragen aan ons op. Als iemand bijvoorbeeld onderzoek laat verrichten naar zijn genetische predispositie voor een bepaalde vorm van kanker, dan levert een gebleken verhoogd risico niet alleen voor hemzelf juist meer onzekerheid op (men kan hier nog redeneren dat hij daar zelf voor heeft gekozen) maar raken ook derden door die informatie betrokken. Komt deze kennis bij verzekeringsmaatschappijen terecht dan kunnen zij ongewenst “maatwerk” gaan leveren, in de vorm van uitsluitingen of hogere premies. Komt zij familieleden ter ore dan komen die ongevraagd, doordat hieruit automatisch hún predispositie blijkt, in grotere onzekerheid te verkeren; Op de achtergrond raken van kennisoverdracht en karaktervorming in het onderwijs Het spreekt vanzelf dat een individu vanaf zijn geboorte grote invloed van zijn directe omgeving ondergaat, in de meeste gevallen bovenal van zijn ouders en eventuele broer(s) en zus(sen). Deze mede-gezinsleden vormen het individu aan de nurture-kant, door een leven voor te leven. Bij een goede voorbereiding op het volwassen bestaan wordt in het kind als het opgroeit steeds meer het vermogen tot het maken van zelfstandige keuzes gestimuleerd. Het vanaf een later moment op een individu inwerkende onderwijs zou daarop zeker moeten zijn gericht. Wil een individu verstandige en zelfstandige keuzes kunnen maken, dan dient hij stevig in zijn schoenen te staan. Maar het onderwijs is steeds minder toegelegd op kennisoverdracht en karaktervorming. Veelal wordt gepoogd zoveel mogelijk aan te sluiten bij de belevingswereld van het kind (bv. door in het geschiedenisonderwijs de tijdsaanduiding Verlichting te vervangen door “een tijd van pruiken en revoluties” en onze eigen postmoderne tijd te typeren als die “van de televisie en computer”) en vaardigheden bij te brengen zonder hem te “vermoeien” met inhoudelijke kennis. Op die manier zal het kind licht vatbaar raken voor de zich in het latere leven direct aandienende opties die de minste inspanning vergen. Een eigen identiteit zal het kind zo ook minder snel ontdekken, want wat voor zijn identiteit doorgaat is ten minste deels van buitenaf gekneed. Op grond van het liberale ideaal is het wenselijk dat een kind de wereld leert begrijpen en doorgronden en in staat wordt gesteld om uit een veelheid van opties een weloverwogen eigen keuze te maken. Onderwijs moet een kind verheffen, hem op mogelijkheden wijzen waarop hij uit zichzelf niet was gekomen. Deze verheffing zal niet voor ieder kind in dezelfde richting of tot op dezelfde hoogte kunnen gaan. Elk individu heeft immers een eigen onderscheiden aanleg en belangstelling. Een goed onderwijsstelsel biedt daarom een grote mate van verscheidenheid naar niveau en vakinhoud. Selectie om elk kind op de juiste plaats te laten belanden, mag daarbij niet worden geschuwd; Verwatering van waarden en omgangsvormen Het liberale streven om het individu zoveel mogelijk vrijheid te laten, veronderstelt dat dit individu verdraagzaam is naar zijn mede-mens die tenslotte eenzelfde vrijheid verdient. Die verdraagzaamheid is in veruit de meeste gevallen aanwezig. Dagelijks gaan in ons land miljoenen burgers op prettige of in ieder geval niet-krenkende wijze met elkaar om. Toch lijkt de “gevoelstemperatuur” van het onderlinge respect te zijn gezakt. Er wordt een verval van de fatsoensnormen in de omgang met elkaar ervaren, variërend van ergerniswekkend egocentrisch gedrag tot stijging en verharding van criminaliteit. Er is altijd en overal een “harde kern” van individuen die delinquent gedrag vertonen. Daarnaast meent een toenemend aantal mensen wellicht mede op grond van het gegeven dat in een moderne maatschappij velen hun pad kruisen die zij nooit of zelden meer zullen ontmoeten, dat zij zich niets aan de (anonieme) ander gelegen hoeven laten liggen. Liberalen hechten aan goede omgangsvormen. Als in wetten vastgelegde regels worden geschonden, mag van de staat een stevige en consequente aanpak worden verwacht. Bovendien moeten burgers die overtreders op hun gedrag aanspreken zich gesteund weten en niet zelf aan vervolging worden blootgesteld, of zij moeten zich al aan de toepassing van onevenredig geweld te buiten zijn gegaan. Als het gaat om het niet naleven van omgangsvormen die buiten de sfeer van het strafrecht (moeten blijven) liggen, kan de staat aan het creëren van goede omgangsvormen bijdragen door de burgers algemeen aanvaarde normen voor te houden. Zeker in het onderwijs dient ruim aandacht te worden geschonken aan het bijbrengen van besef dat de medemens respectvol tegemoet dient te worden getreden. Voor liberalen kan respect niet liggen in het precies voorschrijven hoe de burger zich in een bepaalde situatie dient te gedragen. Liberalen zijn geen moraalridders maar zij mogen niet nalaten in een evenwichtige dosering te wijzen op de waarden en normen die de smeerolie van de samenleving vormen. Liberalen zien daarbij in dat iemand een ander pas oprecht respecteert als hij erkent dat de keuzes die de ander maakt niet dezelfde hoeven te zijn als die van hemzelf. Een waarden-vol bestaan wordt niet gekenmerkt door het naleven van vreemde regels, maar door te leven volgens een verinnerlijkt waarden- en normenpatroon dat samengaat met inlevingsvermogen in de ander. Bij dit laatste komt opnieuw het belang van de onder het voorgaande punt genoemde karaktervorming om de hoek kijken. Een individu dat beschikt over zelfrespect (niet te verwarren met zelfingenomenheid) zal namelijk eerder respect voor een ander kunnen opbrengen; De samenleving wordt kwetsbaarder voor ontwrichting De moderne samenleving heeft niet alleen met een toename van de criminaliteit in de meest gangbare verschijningsvormen te maken. Naarmate de samenleving geavanceerder en naar buiten toe opener wordt, is zij des te kwetsbaarder voor ontwrichting. De technologische verworvenheden die de samenleving veelal vooruit helpen kunnen evenzeer door kwaadaardige geesten worden aangewend, waardoor een verworvenheid in haar eigen nadeel wordt gekeerd. Zo kunnen computernetwerken worden binnengedrongen en verstoord of vernietigd (hacking) of terreurdaden worden gepleegd die naast paniek vele doden en gewonden zaaien. De aanslagen van 11 september 2001 op het World Trade Centre en op het Pentagon vormden een voorproef van de immense slachting die terroristen met betrekkelijk eenvoudige middelen kunnen aanrichten. De steeds ruimer voorhanden zijnde kennis van en materialen voor het ontwikkelen en inzetten van biologische en chemische wapens, maken dat de samenleving – niet alleen de Amerikaanse, maar ook andere zoals de Nederlandse – zal moeten rekenen met de mogelijkheid van nog veel omvangrijker rampen als gevolg van terroristisch geweld. Daarnaast kan de samenleving lam komen te liggen door niet-geforceerde storingen of natuurlijke rampen. Zo maakt het uitvallen van de stroomvoorziening het moderne maatschappelijk verkeer zo goed als onmogelijk. En een nieuwe ziektekiem die aan de andere kant van de wereld opduikt, verspreidt zich tegenwoordig door de intensieve mondiale contacten in een mum van tijd over de hele wereld. Recente gevallen zoals Ebola en SARS konden nog tamelijk goed onder controle worden gehouden. Aids heeft daarentegen reeds op veel grotere schaal huis gehouden. Het laat zich aanzien dat een gemuteerd uiterst besmettelijk influenzavirus, waarvan al geruime tijd wordt verwacht dat het de kop op zal steken, wereldwijd nóg meer slachtoffers zal maken. In een zo kwetsbare samenleving bestaat er een onmiskenbaar spanningsveld tussen het verlangen naar veiligheid en de afkeer van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Liberalen zijn gehouden elke poging tot inperking van de persoonlijke levenssfeer uitermate kritisch te bezien. Maar zij kunnen en mogen maatregelen ter verhoging van de veiligheid niet steeds afwijzen omdat de privacy onaantastbaar wordt geacht. Daarvoor staat, zeker ook voor de vrijheidslievende burger, te veel op het spel. Een terroristische aanslag of een ongecontroleerde epidemie kan immers een afgrijselijke humanitaire ramp te weeg brengen en de bodem waarin de vrije samenleving gedijt ernstig vergiftigen. Alleen al daarom moet het voorkomen van zo’n ontwrichting liberalen veel waard zijn; en als er toch een ontwrichting optreedt moet de schade zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Privacy-overwegingen zullen het in de praktijk van een dergelijke noodsituatie al snel geheel afleggen tegen veiligheidsvereisten, mede onder druk van een dan eenvoudigweg omslaande publieke opinie. Het is zaak vooraf een goede balans tussen privacy en veiligheid te vinden, zodat duidelijk is hoever veiligheidsmaatregelen mogen strekken. Een verschuiving van gewicht in de richting van veiligheidsfactoren is daarbij onvermijdelijk én gewenst; Instroom van mensen en cultuurpatronen uit “den vreemde” Een ander gevolg van de open grenzen is de toename van medebewoners en cultuurpatronen uit “den vreemde”. De toestroom van immigranten zet in een dichtbevolkt land als het onze hoe dan ook, ongeacht de leefgewoonten die de nieuwkomers met zich meebrengen, druk op de beperkte ruimte. De almaar oprukkende bebouwing klemt nu reeds het Groene Hart in een betonnen ring. Echte stiltegebieden (gebieden waar door mensen geproduceerde geluiden niet worden waargenomen) zijn zelfs buiten de Randstad nagenoeg verdwenen. Menig Nederlander ervaart de volle aanblik van het land als beklemmend. Of Nederland daarmee te vol is om plaats te bieden aan extra immigranten – asielzoekers, gezinsvormers en -herenigers, en economische migranten – wordt niet alleen bepaald door de schaarse fysieke ruimte maar tevens door een mentale opnamecapaciteit, de mate waarin de reeds aanwezige inwoners bereid zijn verder in te schikken. Deze mentale opnamecapaciteit wordt op haar beurt sterk beïnvloed door de vraag of nieuwkomers zich vrij soepel in de samenleving kunnen inpassen. Hoe moeizamer dat inpassingsproces verloopt, des te stringenter dient het toelatingsbeleid te zijn. Om het integratieproces goed te laten verlopen dienen enerzijds de huidige inwoners te zien dat menig allochtoon zich succesvol en zelfvoorzienend heeft bewezen. Anderzijds mag van nieuwkomers ook worden verwacht dat zij onze taal (leren) beheersen en zich tevens op andere manieren instellen op het daadwerkelijk kunnen leveren van een waardevolle bijdrage aan onze samenleving. De feitelijke problemen die zich nu bij een onevenredig groot segment van de allochtonen voordoen (een buitenproportioneel aandeel in het beroep op sociale uitkeringen en in het plegen van misdrijven) ondergraven het draagvlak onder de gastvrijheid. Nieuwkomers dienen zich in de Nederlandse samenleving te integreren, wat mede inhoudt dat zij de fundamentele waarden van de liberale rechtsstaat moeten onderschrijven. Cultuurrelativisme is ongepast als het gaat om verworvenheden zoals de vrijheid van het individu, de gelijkwaardigheid van man en vrouw en de scheiding van staat en religie. Liberalen hebben reden om trots te zijn op deze waarden, die superieur zijn aan cultuurpatronen waarin het individu zich moet voegen in het collectief, de vrouw ondergeschikt is aan de man en de staat zich in plaats van het algemeen belang te belichamen baseert op subjectieve leerstellingen van religieuze leiders. Wie in Nederland goed wil kunnen functioneren, moet in staat zijn om als individu zelfstandige keuzes te maken. De staat moet het individu bijstaan voor zover collectieve druk van een groep (van bijvoorbeeld etnische of religieuze aard) hem die keuzevrijheid ontneemt; Ontzuiling De geïndividualiseerde burger voegt zich niet langer zonder meer en blijvend in de traditionele collectieve verbanden. Door ontzuiling en globalisering wijkt de macht van het collectieve verband en neemt voor het individu de keuzevrijheid toe inzake hoe en met wie te leven. Dit is een proces dat liberalen grotendeels alleen maar kunnen toejuichen. Ook de geïndividualiseerde burger sluit zich bij groepen aan, maar ten opzichte van vroeger is de veelzijdigheid toegenomen en is er lang niet altijd sprake van een lidmaatschap voor het leven. In verband met de sterk toegenomen vervoers- en communicatiemogelijkheden krijgt de burger een veel groter aanbod van associaties die hem zouden kunnen interesseren, en hoeft hij zich niet langer te beperken tot wat zich toevallig in zijn nabijheid aandient. Zodoende is groepsvorming meer dan ooit een dynamisch proces van onderop, dat voor een groep tevens kan leiden tot verval of ontbinding. Oude restanten van het zuilensysteem hinderen dit vrije keuzeproces wanneer zij trekken vertonen van een gesloten kartel dat bindende besluiten kan nemen die mede op “buitenstaanders” betrekking hebben of dat van de staat gunstige concurrentievoorwaarden verkrijgt (gedacht kan worden aan de onderhandelingsmacht van de vakbonden respectievelijk de financiering van de publieke omroepen). De tijd is gekomen om korte metten met het corporatisme te maken, niet alleen omdat dit systeem onze economische kracht afzwakt maar vooral omdat het haaks staat op het liberale ideaal waarin het aangaan van onderlinge banden door burgers als een zaak van henzelf wordt beschouwd; Ontstatelijking Ook de staat verliest aan regelend vermogen, zeker ten opzichte van de pretenties die hem waren toegedicht. Deze ontwikkeling speelt tot op zekere hoogte het liberalisme in de kaart. In bepaalde gevallen werd het immers hoog tijd dat de politiek zich ging oplossen in de vrije handelingssfeer van burgers. In andere gevallen kunnen private partijen een staatstaak overnemen zodat de staat kan overschakelen op de bescheidener rol van “marktmeester”, voortaan als scheidsrechter zal optreden in plaats van zelf op de markt te opereren. Maar soms raakt het onvermogen van de staat ook aan onomstreden publieke taken. Waar een werkelijk publieke taak dreigt te worden ondermijnd, behoren liberalen zich ervoor in te spannen dat de staat adequaat is toegerust om deze taak succesvol ten uitvoer te brengen. Het feit dat diverse samenlevingen op aarde meer vervlochten raken, mag niet leiden tot een statenloze wereld. Het zou verkeerd zijn te denken dat ontmanteling van de staat bevorderlijk is voor het liberalisme. Een samenleving van vrije burgers rust, als gezegd, op een staat die weliswaar klein maar op zijn terrein ook krachtig is. Die staten hoeven niet noodzakelijkerwijs dezelfde te zijn als die wij nú kennen. Ook het proces van statenvorming en -ontbinding is uiteindelijk nooit voor eens en voor altijd af; zelfs staten kunnen zich niet onttrekken aan de (wereldwijde) maatschappelijke dynamiek. Maar het normale, althans voor de maatschappij gewenste, proces van vrije toe- en uittreding geldt slechts in zeer geringe mate voor staten. Statelijk gezag heeft per definitie en noodzakelijkerwijs een dwingend karakter. De toenemende contacten van burgers over staatsgrenzen heen kunnen tot gevolg hebben dat nationale gevoelens, de verbondenheid die individuen met elkaar voelen en die hen tot een gemeenschap maakt, op termijn plaatsmaken voor andere loyaliteiten. Indien en voor zover dat gebeurt ontvalt het draagvlak aan de bestaande staat, of wordt het in elk geval te smal. Het kristalliseren van zo’n nieuwe gemeenschap kan dan een nieuw daaraan gerelateerd statelijk verband noodzakelijk maken. Maar vooralsnog lijkt de globalisering eerder de (huidige) nationale gerichtheid van de burgers te versterken. In de tegenwoordige situatie komt overdracht van statelijke bevoegdheden naar een ander niveau – de Europese Unie en andere verdragsmatige inperkingen van de nationaal-statelijke speelruimte – veelal neer op het kunstmatig proberen te scheppen van nieuwe vormen van “gemeenschap”. Gemeenschapsvorming mag en kán echter niet van bovenaf worden geforceerd. Indachtig het liberale uitgangspunt dat de staat zijn legitimatie ontleent aan de burgers, dienen de kiezers te kunnen aangeven of zij voldoende lotsverbondenheid met de burgers van de nieuwe “gemeenschap” voelen. Daarom zouden verdragen die het handelend vermogen van de Nederlandse staat wezenlijk inperken of die de Europese Unie van meer reikwijdte – extra bevoegdheden of een groter territorium – voorzien, pas in werking mogen treden nadat de bevolking er per referendum haar goedkeuring aan heeft gehecht. Dit middel kan beperkt blijven tot zulke fundamentele kwesties, die de grondslag van de staat betreffen. Aldus laat het referendum het vertegenwoordigend stelsel onverlet. Voor de “dagelijkse” controle op de machthebbers in de staat is het aanwijzen door de kiezers van afgevaardigden, die deze taak namens hen uitoefenen, het meest geëigend. Volksvertegenwoordigers kunnen de machthebbers alleen daadwerkelijk in toom houden en fungeren als vertrouwenspersonen van de burgers, als zij zich niet te dicht tegen de staat en zijn instellingen aanvlijen. De laatste jaren is echter niet altijd een gepaste afstand bewaard. Hierdoor gingen burgers politici en partijen zien als onderdelen van de staat in plaats van als hun voorposten richting de staat. Dit was één van de factoren achter het politieke ongenoegen dat in de Tweede Kamerverkiezingen van 2002 tot uitbarsting kwam. Als kiezers volksvertegenwoordigers beschouwen als een “politieke kaste” met een eigen agenda, losgezongen van de gewone burgers en hún problemen, is voor politici de tijd gekomen om zich grondig op hun eigen functioneren te bezinnen. Het verdient natuurlijk geen aanbeveling dat Kamerleden kiezers naar de mond praten. Luisteren naar wat de burgers bezig houdt is niet hetzelfde als gehoorzamen aan allerlei verlangens van de kiezers, laat staan aan die van de meest luidruchtigen onder hen. Politieke partijen en fracties in het parlement dienen zelfstandig hun koers uit te zetten, een afweging te maken tussen diverse deelbelangen en -verlangens om vanuit een eigen politieke overtuiging te komen tot de formulering van een algemeen belang. Daarbij moet worden gelaveerd tussen gemakzuchtig populisme en ambtelijke technocratie. Kiezers hebben overigens op den duur ook geen waardering voor politici die hun oren laten hangen naar de heersende – en wisselende – publieke opinie. De ervaring wijst uit dat zij zich meer voelen aangesproken door politici die een kenmerkend eigen geluid laten horen. Het hebben van een duidelijke identiteit is dus voor een politieke partij een zaak van levensbelang. Het wegvallen of wegvagen van verschillen tussen partijen, ook als zij in coalitieverband met elkaar samenwerken, betekent de dood in de politieke pot. Liberalen dienen hun eigen identiteit te bepalen, door zich grondig te bezinnen op hun beginselen mede in het licht van feitelijke ontwikkelingen als hierboven besproken. Daaruit dient een eigen liberaal gedachtengoed voort te vloeien, dat principieel van karakter is en van werkelijkheidszin getuigt. Het onderscheid met andere stromingen zal mede zijn te vinden in een consequente doorwerking van de beginselen in de politieke praktijk. Er zitten twee zijden aan identiteit. Allereerst is er de notie van volkomen overeenstemming, het hebben van eenheid van wezen. De tweede betekenis is het hebben van een eigen karakter en individuele kenmerken. Hier gaat het om wat iemand bijzonder maakt ten opzichte van zijn omgeving: zijn karakter. In een tijd van voortgaande individualisering waarin tegelijkertijd (politieke) onzekerheid heerst, kan het liberalisme kracht uitstralen door beide facetten van identiteit te benadrukken, niet alleen van de politieke stroming maar ook van de persoon. Tevens dient de behoefte aan collectieve identiteit in de liberale grondslagen tot haar recht te komen. In de notie van de persoonlijke identiteit van het individu ligt voor de liberaal de ware grondslag van zijn overtuiging. Naast het belang van de identiteit in de eerste bovenbeschreven zin – zelfbewustzijn – mag de identiteit van het individu ten opzichte van en in samenspraak met het hem omringende niet ondergesneeuwd raken. Ook de omgeving maakt en raakt de persoonlijke identiteit. Een sterke individuele identiteit is niet gespeend van alle omgevingskenmerken. Het karakter komt mede tot stand vanuit de verhouding tot anderen en de omgeving. Op het vertrouwen dat het individu in beginsel in staat is om zijn eigen leven vorm te geven, is het streven naar een zo ruim mogelijke individuele vrijheid gebaseerd. Individuele vrijheid draagt bij aan de vorming van persoonlijke identiteit. Zij volstaat echter niet. Ook de ontplooiing van de burger overeenkomstig zijn capaciteiten en interessevelden dient bevorderd te worden. Een sterke identiteit in beide betekenissen draagt vervolgens bij aan de positionering van het individu in de gemeenschap. Ideaal is voor de liberaal een sterke, karaktervolle persoonlijkheid die zichzelf en de samenleving met zijn persoonlijke enthousiasme aanjaagt en zijn verantwoordelijkheden weet te dragen. De positionering van het individu ten opzichte van zijn omgeving in de tweede vorm van identiteit geeft al de rol van het collectief voor het individu aan. De persoonlijkheid en individualiteit zijn geen atomismen. Op een intrinsiek niveau dient het liberalisme aandacht te schenken aan het belang van de gemeenschap en andere omgevingsfactoren. De collectieve identiteit van de gemeenschap waarop het statelijk verband rust is van wezenlijk belang. Er dient sprake te zijn van lotsverbondenheid, opdat burgers voor elkaar en in het algemeen belang zekere offers willen brengen. Ook dienen de fundamentele waarden van de liberale rechtsstaat gemeengoed te zijn; zij behoren de burgers van trots te vervullen. Wie in onze vrije samenleving wil kunnen functioneren, moet die waarden onderschrijven. Naast de collectieve identiteit van de natie is er de naaste omgeving en haar directe invloed op de persoon. De mens is een sociaal wezen, dat voor de bevrediging van zijn verlangens en belangen aansluiting bij anderen zoekt. Ook op dit niveau is het concept van de collectieve identiteit verenigbaar met het liberalisme zolang het individu gegronde keuzes uit verschillende groepen kan maken. Hij zal dan kiezen voor aansluiting bij diegenen wier waarden en/of doelstellingen hij deelt, en zolang hij deze deelt. Juist ook met het oog op dit sociale aspect is het van belang dat een burger een persoonlijkheid is, iemand die weet wat hij wel en niet wil. Hedendaagse liberalen mogen in hun streven het individu te bevrijden uit vaste collectieve en hiërarchische verbanden, net zo min doorschieten als de politici die eind negentiende en in de twintigste eeuw in de andere richting de sociale inbedding te diep verankerden. Individualisme dat draait om de ontwikkeling van de persoonlijke identiteit is toe te juichen. Het ondermijnen van vrijwillige vereniging en van de liberale collectieve identiteit doet geen recht aan individualiteit en identiteit in al hun facetten. Liberalen dienen de sociale inbedding van burgers – op voorwaarde dat die inbedding berust op een vrije keuze van het individu zelf – op waarde te schatten. Het scheppen van ruimte voor de persoonlijke identiteit en voor de vrijwillig gekozen collectieve identiteit, met inachtneming van zulke essentiële voorwaarden voor een vrije samenleving als veiligheid en een gedeeld waardenpatroon, is een opgave waaraan liberalen met bezieling moeten en kunnen werken. Het liberalisme kan een nieuwe identiteit ontlenen aan het uitdragen en verwezenlijken van dit ideaal en daarmee niet alleen bezield maar ook bezielend zijn. Daarom: liberaal elan ingezet tegen de verschraling van ideologie en debat!
P.G.C. van Schie Linkshttp://www.vvd.nl/index2.asp?ParentItemID=3&ItemID=30 |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|