Binnenkort is het één jaar geleden dat de crisis rond de euro ontvlamde. Eind vorig jaar liet de nieuw aangetreden Griekse regering weten dat het overheidstekort geen 3,7%, maar 13,7% zou bedragen. Omstreeks diezelfde tijd maakte de Europese Centrale Bank (ECB) in het kader van haar zogenaamde exitstrategie haar voornemen bekend niet langer BBB+ als onderpand te aanvaarden voor het verschaffen van liquiditeiten aan de banken. Kort daarvoor had Standard & Poor’s de rating van Griekse overheidsobligaties verlaagd tot BBB+. De Griekse overheidsobligaties werden gedegradeerd tot ‘junk’ status, hetgeen een massale verkoopgolf uitlokte door banken, pensioenfondsen en andere financiële instellingen. Banken en andere financiële instellingen begonnen massaal Griekse staatsobligaties te dumpen. Sindsdien is er nog nauwelijks één dag rust geweest op de financiële markten. De vraag die zich stelt, is waarom dit zo is? Wat gaat er fout? Wat zit er verkeerd? Want inmiddels werden in de meeste landen van de eurozone heel strenge bezuinigingsplannen afgekondigd. Bovendien werd sinds het midden van het jaar – weliswaar na vijf maanden palaveren – een reddingsmechanisme op poten gezet, de zogenaamde ‘European Financial Stability Facility’ (EFSF), die samen met het ‘European Financial Stability Mechanism’ (EFSM) en het IMF zo wat 750 miljard euro ter beschikking heeft om eurolanden bij te staan die niet meer in staat zijn zelf de financiële markten op te gaan om hun schulden te herfinancieren. Daar bovenop werd aan Griekenland 110 miljard euro toegeschoven. en kreeg Ierland als eerste lidstaat van de eurozone 45 miljard euro vanuit het EFSF en 22,5 miljard euro vanuit het IMF toegekend. Inmiddels gaat er ook geen week voorbij of de Europese Centrale Bank koopt van de meest getroffen landen overheidsobligaties op in een poging om hun alsmaar stijgende rente te temperen. En tenslotte werd een aanscherping van het stabiliteitspact overeen gekomen waarbij strengere sancties worden ingevoerd voor budgettaire zondaars. Daarbij werd voor het eerst ook afgesproken de zogenaamde macro-economische onevenwichten in kaart te brengen en aan te pakken. Men kan dus moeilijk beweren dat de Europese instellingen en hun leiders passief blijven of de crisis vanuit hun luie zetel zitten aan te kijken. Integendeel. En toch blijft de crisis toeslaan en uitdeinen. Waarom ? Het ziet er naar uit dat de markten het allemaal ‘te laat en te weinig’ vinden. Onder druk van de omstandigheden worden wel maatregelen getroffen en hervormingen aangekondigd, maatregelen en hervormingen die vaak in de goede richting gaan, maar die worden door de financiële markten als laattijdig ervaren of te beperkt geacht in tijd en omvang om het tij daadwerkelijk te kunnen keren. Een indruk die nog wordt versterkt door de kakofonie die er sinds het uitbreken van de crisis heerst. Een kakafonie veroorzaakt door een lawine aan uitspraken van Europese politieke leiders, die in het beste geval elkaar niet tegenspreken. Uitspraken die meestal bedoeld zijn om de eigen nationale kiezers gunstig te stemmen, zonder te beseffen dat ze in gans Europa beluisterd worden en op de wereldwijde financiële markten vaak een averechtse uitwerking hebben. Een economische naast de monetaire pijler De échte reden evenwel waarom de crisis blijft toeslaan, is de onwil van onze politieke leiders om het structureel probleem te onderkennen en aan te pakken waarmee de euro sinds haar lancering heeft te kampen. Laten we klaar en duidelijk zijn: nergens ter wereld bestaat er één munt zonder één regering, één regering die kan bogen op een ruime, geloofwaardige begroting en een pakket eigen financiële middelen, één regering die haar financiële slagkracht onder meer haalt uit één zo liquide mogelijke obligatiemarkt, en dit alles om één economisch beleid te voeren, één toekomstgerichte economische strategie te ontwikkelen. Of anders uitgedrukt, de euro kan niet overleven als zij geconfronteerd blijft met zestien, en vanaf 1 januari aanstaande zeventien regeringen, zeventien verschillende economische strategieën, zeventien onderscheiden obligatiemarkten. Het coördineren van al die regeringen met hun eigen nationale beleidsstrategieën valt zeker lovenswaardig te noemen, maar is op zichzelf volstrekt onvoldoende. ‘Coördinatie’ alleen is niet in staat de economische en budgettaire tegenstellingen te overbruggen die er vandaag in de eurozone bestaan en waaronder de eenheidsmunt gebukt gaat. De voorbije tien jaar werd aangetoond dat “peer review” en zachte dwang daartoe niet volstaan. Het jammerlijk falen van de Lissabonstrategie heeft dat ten overvloede bewezen. Meer nog, sinds de start van de euro zijn de tegenstellingen in de eurozone, vooral tussen het noorden en het zuiden, alleen maar toegenomen. Waar we dus nood aan hebben, is niet aan een vrijblijvende coördinatie van nationale beleidsstrategieën, maar aan een dwingende convergentie en harmonisering van het beleid in de eurozone en dat aangestuurd vanuit één punt, één instantie. Kortom, één stevige economische en politieke pijler naast de huidige monetaire pijler, zonder dewelke geen enkele eenheidsmunt een lang leven beschoren is. En hier knijpt het schoentje. Zo’n stevige economische en politieke pijler, zo’n echt economisch bestuur voor de eurozone veronderstelt een nieuwe overdracht van macht en bevoegdheden van de lidstaten naar de Unie. Economische hervormingen, de modernisering van de arbeidsmarkt, de hervorming van de pensioenen, de toekomst van het belastingstelsel, het zijn allemaal dringende opgaven die dan door de gezamenlijke instanties van de eurozone en van de Europese Unie zouden worden uitgetekend. En het is net dat, wat vele landen, Duitsland op kop, absoluut niet willen. Verblind door de economische successen die het thans boekt huivert men er bij de gedachte aan Brussel nieuwe taken over te dragen en zo vanuit Berlijn meer beslissingsmacht uit te besteden. Vandaar de vlucht vooruit van Duitse zijde, namelijk het zo snel mogelijk bereiken van een akkoord rond het invoeren van een bestendig reddingsmechanisme waarvan men hoopt dat het de rust rond de euro kan herstellen. Zo wordt vermeden dat de grond van het probleem moet worden aangepakt, wat alleen maar kan leiden tot een bijkomende soevereiniteitsoverdracht. En zo komt er meteen ook een einde aan het tijdelijk reddingsmechanisme dat van bij de aanvang – en geheel ten onrechte – werd voorgesteld als een regelrechte aderlating voor de (Duitse) belastingbetaler. Hoe dan ook, opdat het bestendige reddingsmechanisme de euro terug in rustiger vaarwater zou doen belanden, moet het gaan om een heel robuust mechanisme. Vandaar de steeds driestere maatregelen en sanctiemechanismen die worden voorgesteld: sancties tegen zondigende lidstaten door het ontnemen van hun stemrecht, sancties ook tegen de obligatiehouders die in de toekomst mee de rekening moeten betalen. Veel van de oplaaiende onrust op de financiële markten heeft dan ook niet zozeer iets te maken met de objectieve toestand waarin tal van eurolanden verkeren, dan wel met de obstinate drang van Duitsland om de eurocrisis niet structureel, maar uitsluitend langs de zijde van strengere sancties aan te pakken en daarbij schuldherschikkingen of zelfs een bankroet niet uit te sluiten. Opgelet, niet dat strengere sancties niet noodzakelijk zijn. Integendeel ze zijn broodnodig. Maar het moet dan wel gaan om intelligente sancties. Geen sancties die de zaken nog erger maken dan de kwaal die ze behoren te bestrijden. Het opzetten van een permanent crisismechanisme En dat is exact wat nu geschiedt. Sinds in een uitgelekte werknota van de Duitse regering van 11 november jl. de contouren duidelijk zijn geworden van hoe het permanent crisismechanisme zou werken, is de crisis rond de euro in een alsmaar sneller draaiende negatieve spiraal terecht gekomen. En dat valt ook niet te verwonderen. Immers in tegenstelling tot het tijdelijk reddingsmechanisme van 750 miljard euro zouden in de Duitse versie van het permanente crisismechanisme, waarvan de grote lijnen nu ook gedeeld worden door de ministers van financiën van de andere eurolanden, die landen slechts in een tweede fase tussenkomen. Bij een bijna bankroet van een euroland zouden de houders van de staatsobligaties van dat land (banken, fondsen, beleggers) eerst zelf tot de herstructurering van de schuld moeten overgaan. Dat zou kunnen, zo suggereert het Duitse voorstel door middel van een automatische looptijdverlenging van de obligaties of door een onderhandelde ‘haircut’, een gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld, wat in beide gevallen neerkomt op een feitelijk verlies voor de houders van de betrokken obligaties. Hoe dan ook, de andere eurolanden zouden nog slechts in laatste instantie tussenkomen door middel van borgstellingen en liquiditeitshulp, maar alleen als het echt nodig is en als alle landen er mee instemmen. Het is duidelijk dat de Duitse politieke verantwoordelijken zich hebben laten inspireren door de wijze waarop het Internationaal Muntfonds (IMF) tewerk gaat. Zoals we nu de ‘Club van Parijs’ kennen die de schuldkwijtscheldingen van de ontwikkelingslanden regelt, zou er een – noem het gerust – een ‘Club van Berlijn’ worden opgericht die zo wat hetzelfde doet maar dan exclusief voor de landen van de eurozone. Alleen is er één kapitaal verschil. Waar het IMF een internationale organisatie is die alle valutazones omspant, zal het EMF - of hoe het nieuwe permanente crisismechanisme ook moge noemen - zich beperken tot de Europese eenheidsmunt. Met andere woorden, waar een schuldkwijtscheldingsoperatie van het IMF een geïsoleerde ingreep is in één land met een eigen munt, zonder groot gevaar voor besmetting van andere landen en andere valuta, zal het EMF soortgelijke operaties uitvoeren in één of mogelijks meerdere landen die zelf geen eigen munt meer bezitten, maar die behoren tot één muntzone. Onnodig te zeggen dat zo’n ingreep de geloofwaardigheid aantast van de ganse zone en de kans op besmetting van andere landen van de zone levensgroot wordt. Telkens zo’n operatie wordt opgezet, zullen immers twee overduidelijke signalen naar de financiële markten worden uitgezonden. Ten eerste dat er intern in de zone onvoldoende eenheid en vooral discipline heerst. En ten tweede dat de overige landen van de zone niet bereid zijn de nodige solidariteit op te brengen die nochtans in een muntzone verondersteld wordt. Kortom, de boodschap naar de buitenwereld zal zijn dat de zone niet werkt, niet functioneert, in elk geval niet op stevige fundamenten rust. Hoe logisch en rationeel het Duitse voorstel ook oogt, het is in feite een uiterst gevaarlijk mechanisme dat de ganse muntunie dreigt onderuit te halen. Het zal in ieder geval het rentepeil in vele landen van de eurozone verder de hoogte injagen. Want het lijdt geen twijfel, dat fondsen, banken en beleggers een substantiële bijkomende risicopremie zullen vragen eens het nieuwe reddingsmechanisme in werking treedt. Van dat ogenblik af bestaat er immers een reële kans dat zij en niet de staten voor de moeilijkheden in één of ander land van de eurozone zullen opdraaien. De uitkomst van de ganse operatie zullen wellicht nog steeds hoge ‘spreads’ zijn. Ongetwijfeld dreigen op Duitsland na, alle andere landen van de eurozone geconfronteerd te worden met oplopende rentetarieven op hun staatsschuld. Al laat het zich aanzien dat we daarvoor niet op de invoering van het permanente crisismechanisme zullen moeten wachten. Sinds Bondskanselier Merkel de idee van een bijdrage door de obligatiehouders lanceerde, is er geen houden meer aan. De Ieren kunnen er in ieder geval over mee meespreken. Is er naast de aanscherping van het stabiliteitspact dan geen bestendig crisismechanisme noodzakelijk? Toch wel. Alleen moeten we er over waken dat het een intelligent mechanisme is, een mechanisme dat de eurozone versterkt en niet verder verzwakt. Met andere woorden een systeem dat zowel de discipline van de verschillende deelnemende landen versterkt, als de solidariteit verhoogt binnen de zone zelf. Met andere woorden, meer ‘discipline’ en tegelijkertijd meer ‘solidariteit’. De vraag is of zo’n mechanisme denkbaar is ? Het antwoord is ja, maar dan moeten we bereid zijn naast de oprichting van een permanent crisismechanisme ook na te denken over een andere zwakte van de eurozone en dat is het ontbreken van één euro-obligatiemarkt (1). Wellicht kan het verbinden van beide ideeën tot een bevredigende oplossing leiden. De euro-obligatiemarkt Vandaag kent ieder euroland nog steeds zijn eigen overheidsobligatiemarkt. Op die markt plaatst het de financiering van zijn overheidsschuld tegen een rente die door tal van elementen wordt bepaald zoals de gezondheidsgraad van de openbare financiën en de economisch slagkracht en competitiviteit van het land. Maar ook de liquiditeit, m.a.w. de omvang van de markt is een belangrijke factor. Hoe hoger die liquiditeit is, m.a.w. hoe groter de omvang van de markt is, hoe lager de rente zal zijn die zal moeten worden betaald. Dit wordt de ‘liquidity premium’ genaamd, een voordeel waarvan alle eurolanden zouden kunnen genieten. Bovendien zou het opzetten van één euro-obligatiemarkt een einde kunnen maken aan de stijging van de ‘spreads’, het toenemend verschil tussen de (lage) rente die Duitsland op haar ‘Bunds’ betaalt en de (hogere) rente die de andere lidstaten moeten dragen. Die ‘spreads’ zijn voor vele eurolanden zodanig toegenomen dat ze niet alleen voor die eurolanden zelf, maar voor de cohesie van de euro zelf een bedreiging zijn geworden. Zo zijn de spreads met Spanje, Portugal, Ierland en Griekenland inmiddels opgelopen tot respectievelijk meer dan 200, meer dan 400, meer dan 500 en zelfs meer dan 900 basispunten. Anderzijds bestaat de vrees dat het opzetten van één euro-obligatiemarkt waarin alle openbare schulden van de eurolanden zouden worden ondergebracht, bij die land de druk zou kunnen wegnemen om zelf orde op zaken te zetten. Een vrees die niet onterecht is natuurlijk. Vandaar het voorstel om de eerste zestig procent van de overheidsschuld van alle landen van de Eurozone in die euro-obligatiemarkt onder te brengen. Deze ‘senior-schuld’ zou dan de garantie krijgen van de hele Eurozone. Op de zogenaamde ‘junior-schuld’, namelijk die schuld die hoger is dan die zestig procent, moeten regeringen zelf nationale obligaties blijven uitschrijven. En het spreekt voor zich dat die duurder zullen uitvallen. Op die wijze blijft er een evidente aanmoediging voor landen om hun schuld verder af te bouwen tot beneden de zestig procent. Uiteraard moeten met betrekking tot de terugbetaling van deze gezamenlijke schuld van de eurozone strikte regels worden afgesproken, waarbij een wettelijk afdwingbaar voorrecht moet worden voorzien die een voorrang op terugbetaling garandeert ten opzichte van alle andere schuldverplichtingen aangegaan in eender welk euroland. Bovendien kan de gezamenlijke garantie van de Eurozone pas duurzaam werken, indien er strikte voorwaarden gelden voor de lidstaten om te mogen deelnemen. Die voorwaarden moeten gebaseerd zijn op wat het Verdrag voorschrijft inzake overheidsschuld en begrotingstekorten. Het is dan aan de gezamenlijke Europese instanties, zoals de Europese Commissie, het EMF of een nieuw EU-schuldagentschap, om te beslissen welke landen mogen deelnemen. In concreto een land dat meer dan zestig procent schuld heeft, zou niet mogen meedoen. Wel moeten we rekening houden met de huidige crisis en daarom ook die landen laten participeren die relatief snel aan de voorwaarden van het Groei – en Stabiliteitspact zullen voldoen. In elk geval moet de deelname van elk land op regelmatige basis worden geëvalueerd en zullen er landen zijn die stap voor stap in de euro-obligatiemarkt worden binnengebracht terwijl andere landen er stap voor stap zullen worden uitgeduwd omdat ze niet aan de voorwaarden van het Groei – en Stabiliteitspact voldoen en hun overheidsfinanciën niet op orde brengen. Kortom, naast een aangescherpt en breder Stabiliteitspact en het opzetten van een nieuw permanente crisismechanisme zou zo’n euro-obligatiemarkt de Europese instellingen een effectief wapen in handen geven om de discipline en de stabiliteit in de Eurozone te bewaken en dit zonder dat de noodzakelijke solidariteit wordt overboord gegooid. De aanscherping van het stabiliteitspact Maar laten we niet naïef zijn, zoals hierboven reeds werd aangegeven, is naast het invoeren van een écht economisch bestuur voor de eurozone en het opzetten van een euro-obligatiemarkt en een permanent crisismechanisme (EMF), het ook noodzakelijk het Stabiliteitspact zelf aan te scherpen. In dat verband is het duidelijk dat de huidige intergouvernementele methode niet werkt. Het feit dat het de staats – en regeringsleiders zijn die moeten beslissen welke collega wanneer en hoe moet worden op de vingers getikt en zelfs moet worden gestraft, is een garantie dat dit nooit zal gebeuren, net zoals dit in het verleden nooit is gebeurd. Dat is ook de systeemfout die zit in het sanctiemechanisme dat door de Europese Raad werd goedgekeurd. Er is een meerderheid nodig in de Raad om de procedure tegen een land op te starten. Die beslissingsmacht moet daarom van de Raad naar de Commissie verhuizen. Dit is de enige manier om de druk op de lidstaten en dus de naleving van de voorwaarden worden gegarandeerd. Concreet moeten de sancties voor die landen die de aangescherpte voorwaarden van het Groei - en Stabiliteitspact niet naleven, automatisch worden en dus niet afhankelijk zijn van een beslissing in de Raad. De sancties moeten slim zijn, in die zin dat de situatie doen verbeteren en niet verslechteren. Ze moeten niet zozeer diegenen straffen die niet helemaal aan de criteria voldoen, maar wel diegenen die geen ernstig werk willen maken om daaraan te voldoen. De aard van de sancties moet anders: niet het afnemen van stemrecht maar het progressief uitgeduwd worden uit de euro-obligatiemarkt van de zogenaamde 'zondaars' zal de druk verhogen. Dat alles kan op eenvoudige wijze bereikt worden door van de wijziging van artikel 136 van het verdrag, wat overigens noodzakelijk is voor de invoering van het permanente crisismechanisme. Naast deze permanente versterking van het Stabiliteitspact is er ook dringend een oplossing nodig voor het probleem van de Europese banken. Had men bij het uitbreken van de financiële crisis meteen geopteerd voor een Europees reddingsplan voor de banken, met ernstige stress-tests, dan was er nooit van een Ierse crisis sprake geweest. Het is cynisch om vast te stellen dat bij de onlangs door Europa doorgevoerde stress-test, de nationale regeringen zelf konden kiezen welke banken onderworpen werden, en dat de bank die Ierland uiteindelijk in de huidige problemen bracht, namelijk Anglo-Irish, daar niet bij was. Alleen een Europees plan voor de banken kan ervoor zorgen dat deze fout niet opnieuw wordt gemaakt en een nieuw bankroet in de eurozone dreigt. Kortom, het is de hoogste tijd dat we nu doen wat we in oktober 2008 bij het uitbreken van de financiële crisis hebben nagelaten, namelijk het afscheiden en oplossen van de financiële problemen van de banken los van het dempen van de putten van de overheidsfinanciën in diverse Europese landen. Hoe dan ook, de keuze waarvoor we staan, is glashelder. Ofwel blijven de staats- en regeringsleiders aanmodderen zoals vandaag. Ofwel maken ze een sprong voorwaarts in de richting van een doorgedreven economisch bestuur incluis het oprichten van een gezamenlijke euro-obligatiemarkt. In het eerste geval lijkt het waarschijnlijk dat de euro onder de interne spanningen zal bezwijken. In het andere geval is de kans groot dat de euro uitgroeit tot een van de meest betrouwbare munten in de komende decennia. De keuze die we maken zal door de rest van de wereld met argusogen worden gevolgd, eenvoudigweg omdat het elk ander land ter wereld beïnvloedt. Als we in onze eurozone niet in staat blijken te zijn om een gezamenlijke vuist te maken en solidair te zijn met die landen in moeilijkheden, dan kan dit het einde betekenen van het veelgeprezen Europese model. Om dit te vermijden is er maar één mogelijkheid: de eurozone moet naast de monetaire peiler ook een politieke, economische peiler krijgen. Dit is de enige manier om de euro en dus Europa een toekomst te geven.
Guy Verhofstadt Guy Verhofstadt Linksmailto:guy.verhofstadt@openvld.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|