De eerste Karl Popperlezing

essay

Guy Verhofstadt

Dames en heren,

In 1927 ging in Brussel in hotel Metropole het vijfde Solvay-congres door. Tijdens zulke congressen discuteerden de grootste wetenschappers ter wereld over hun laatste ontdekkingen en bevindingen. Het lijstje van aanwezigen was dat jaar indrukwekkend. Max Planck, Madame Curie, Werner Heisenberg, Konrad Lorentz, Niels Bohr en Albert Einstein om er maar enkele te noemen. Dat vijfde Solvay-congres werd een historisch evenement door de beroemde discussie tussen Niels Bohr en Albert Einstein over de kwantummechanica.

Niels Bohr trachtte Einstein ervan te overtuigen dat we in de wereld van de kleinste deeltjes onzekerheid en onwetendheid moesten toegeven. Meer bepaald was het niet mogelijk om tegelijk de positie van een atoomdeeltje en zijn beweging te kennen. Of anders uitgedrukt: we kunnen niet het heden kennen en tegelijk ook de toekomst, we moeten rekening houden met onvoorspelbaarheid en onwetendheid. Einstein wilde dit niet aanvaarden en antwoordde dat “God niet met dobbelstenen speelt”. Ten onrechte, zou later blijken. Einstein had ongelijk.

Dit beroemde evenement, dames en heren, lijkt op het eerste zicht niets met politiek te maken te hebben. Maar niets is minder waar. Althans niet voor Karl Popper. Popper was op de eerste plaats een wetenschapper. Hij studeerde in Wenen wiskunde, fysica, logica, psychologie. U moet zich daarbij het Wenen van het begin van de twintigste eeuw voorstellen. Wenen was een van de grote intellectuele centra van de wereld. Freud leefde in Wenen, Ludwig von Mises, Wittgenstein, Hayek. Het was de tijd van de Wiener Kreis, van grote intellectuele disputen en belangrijke wetenschappelijke doorbraken.

Om mee te kunnen in zowel de filosofische als wetenschappelijke debatten, moest men behoorlijk bij de les zijn. En in zijn autobiografie, Unended Quest, beschrijft Popper hoe hard hij moest studeren om de theorieën van Einstein, Heisenberg en Bohr te kunnen begrijpen. Maar het is tijdens deze studie dat Popper tot een geniale ontdekking kwam, namelijk dat de kennis groeit. Die these is fundamenteel. Zij betekent namelijk dat de waarheid per definitie onbekend of op zijn minst onvolledig is. De waarheid is slechts een hypothese die zo lang standhoudt tot het tegendeel wordt bewezen. Dit is Poppers beroemde falsificatietheorie. Meer dan een theorie is zij een kritische methode waarbij alles opnieuw aan falsificatie wordt onderworpen en waardoor de wetenschap vooruitgaat en onze kennis groeit. Het is de kerngedachte van zijn eerste twee boeken: “Logik der Forschung” en “The Growth of Scientific Knowledge”.

De groei van kennis impliceert ook dat de toekomst onvoorspelbaar is, niet vast te leggen, niet te determineren. Dat is de onafwendbare uitkomst van zodra je het bestaan van de factor onwetendheid erkent. Het is overigens die factor, de onwetendheid die Einstein niet kon aanvaarden. Tot aan zijn dood in 1955 is hij blijven zoeken naar een allesverklarend antwoord, een allesomvattend systeem. Popper heeft Einstein in drie lange gesprekken trachten te overtuigen van de onjuistheid van zijn determinisme. Tevergeefs. Niet dat het Popper ontmoedigde. Hij was intussen immers tot een nieuw inzicht gekomen: de link tussen fysica en politiek.

In 1935 gaf Karl Popper een lezing op een seminarie in Londen, een seminarie dat georganiseerd was door Friedrich Hayek. De titel van zijn lezing was The Poverty of Historicism. Een leuk detail is dat hij deze lezing daarvoor al eenmaal had gegeven in Brussel. Deze lezing legde de basis van twee boeken: “De armoede van het historicisme” en “De open samenleving en haar vijanden”. Het is overigens deze lezing die van Popper en Hayek twee levenslange bondgenoten zou maken in de strijd tegen het totalitaire denken. En het was Hayek die ervoor zorgde dat “The Open Society” gepubliceerd werd. Zoals het ook Hayek was die Popper uit het verre Nieuw-Zeeland terug naar het hart van Europa haalde door hem een leerstoel aan te bieden aan de London School of Economics.

Wat is nu dat ‘historicisme’? Historicisme is de verzamelterm die Popper gaf aan alle politieke theorieën die de geschiedenis, de samenleving of de mens willen vatten in één groot axioma, in één systeem. Op basis van een dergelijk axioma of systeem beweren historicisten de ideale samenleving te kunnen construeren. En het is nu net via zijn wetenschappelijke kritische methode dat hij dit historicisme verwerpt. Popper schrijft in zijn autobiografie over deze twee boeken:

“Beide werken zijn gegroeid vanuit de kennistheorie van Logik der Forschung en vanuit mijn overtuiging dat onze vaak onbewuste meningen over kennis (zoals Wat kunnen we weten? Of Hoe zeker is onze kennis?) beslissend zijn voor onze houding ten aanzien van onszelf en van de politiek. In Logik der Forschung heb ik geprobeerd aan te tonen dat kennis groeit door trial and error eliminatie en het permanent zoeken naar fouten. Het consequent aannemen van de kritische methode wordt zo het voornaamste instrument van de groei van kennis. Ik besefte dat deze kritische methode van zoeken naar moeilijkheden en contradicties ook buiten de wetenschap gebruikt kon worden. In The Open Society heb ik benadrukt dat deze kritische methode veralgemeend kan worden als een kritische of rationele houding. En een van de beste manieren van deze houding is het openstaan voor kritiek, het aanvaarden om bekritiseerd te worden en dat ook met zichzelf te doen. (…) Zo’n houding impliceert ook de vaststelling dat we altijd in een onperfecte samenleving zullen leven. Niet alleen omdat zelfs de beste mensen onperfect zijn en ook niet alleen omdat we fouten maken wegens te weinig kennis. Maar vooral omdat er altijd onoplosbare conflicten tussen waarden zullen zijn. Dat is goed. Want er bestaat geen menselijke samenleving zonder conflicten tussen waarden. (…) Deze conflicten zijn essentieel voor een open samenleving.”

De essentie dus, dames en heren, van een open samenleving volgens Popper is dat ze nooit af is. Ze laat zich steeds opnieuw verbeteren. En daarom laat ze conflicten van waarden toe. Dit is ook de essentie van de liberale democratie. De liberale democratie is de meest beschaafde vorm van omgaan met conflicten van ideeën. Democratie is per definitie de staatsvorm die opteert voor de onperfecte samenleving. Het is de staatsvorm waar geen grote beslissingen, maar dus evenmin grote foute beslissingen kunnen genomen worden. Het volgt de methode van de kleine stappen of wat Popper noemt de “piecemeal-engineering”. Dit in tegenstelling tot de zogezegde “social engineering” van de totalitaire systemen of het historicisme.

De essentie van de totalitaire ideologieën is het blinde geloof in de ideale, in wezen gesloten samenleving. Karl Popper onderscheidt in zijn Open Society twee vormen die hij illustreert via drie profeten van de gesloten samenleving namelijk Plato, Hegel en Marx. Plato is de profeet van de degeneratie. Het uitgangspunt daarbij is het geloof dat er vroeger een ideale samenleving bestond. Maar hoe meer de geschiedenis vordert, hoe verder we van dat ideaal afdwalen. Terug naar het verleden is daarom de boodschap van Plato. Kort gezegd klinkt de argumentatie van Plato als volgt: “De ziel heeft deel aan de Idee of ander gezegd aan de Waarheid. Daarom is ze “natuurlijk”, is ze echt, in tegenstelling tot andere schimmen in de grot. Wetten en doelgerichte instellingen komen, volgens Plato, uit de ziel. Ze zijn overdacht en dus “natuurlijk”. Daarom moeten ze onveranderd blijven. En daarom ook staan de wetten en de instellingen boven de individuele mens. Met andere woorden, de eeuwige wet weet het beter dan de individuele mens. Plato vond bovendien dat een goede staat maar mogelijk is in een kleine en dus zuivere gemeenschap. En gezien mensen, volgens Plato, zowel slecht als dom zijn, moet de regie van de hele staat in handen zijn van de allerverstandigsten, namelijk de filosofen.

In het tweede deel van zijn Open Society ontmaskert Popper de theorie van de twee profeten van de zogenaamde historische noodzakelijkheid, Hegel en Marx. Waar voor Plato de ideale samenleving in het verleden lag en we dus terug naar het verleden moeten, zien Hegel en Marx die ideale samenleving in de toekomst. Voor beiden was de geschiedenis niets anders dan een weg naar die samenleving. Hegel noemde dit “de openbaring van de Weltgeist”. Voor Marx was de geschiedenis een klassenstrijd die onvermijdelijk zou uitmonden in de communistische proletarische maatschappij.

Al deze zienswijzen maken mensen hoe dan ook tot instrumenten. Mensen moeten wijken voor de ideale maatschappij. Of zoals Hannah Arendt het uitdrukt: “de vrijheid moet wijken voor de noodzakelijkheid”. Wie tegen de noodzakelijkheid of tegen de ideale Staat ingaat, moet er onvermijdelijk uit. Zoals Trotski in 1937 al besefte toen hij schreef: “In een land waar de enige werkgever de Staat is, betekent oppositie de trage hongerdood. Het oude principe: wie niet werkt, zal niet eten, werd vervangen door een nieuw principe: wie niet gehoorzaamt, zal niet eten.”

Dames en heren,

Over het gevaar van die totalitaire denkbeelden, zijn we het intussen bijna allemaal eens. Popper schreef zijn “Open Society” in de jaren veertig als zijn bijdrage in de strijd tegen het fascisme en het communisme. Twee ideologieën die inmiddels de ideeënstrijd verloren hebben. Maar zowel het fascisme als het communisme mogen dan wel stilaan begraven zijn op het kerkhof der ideeën, het gedachtegoed dat er aan de grondslag van ligt, is nog lang niet dood. De analyse van Popper is niet samen met de Berlijnse Muur naar de geschiedenisboeken verwezen. Her en der zien we de gesloten samenleving immers opnieuw opduiken.

En dat valt niet te verwonderen. De gesloten samenleving duikt telkens op wanneer er zich diepgaande mutaties in de maatschappij voordoen. Dan komen onze zekerheden op de helling te staan. Het stamgevoel, zo noemt Popper het. De knusheid van het weten waar we aan toe zijn. Het gevoel van het haardvuur. In tijden van verandering dreigt dit stamgevoel te eroderen. Het is de angst hiervoor die de basis vormt voor onze hang naar geslotenheid en immobilisme.

Dat was bij Plato niet anders. Plato werd geboren aan het begin van de dertigjarige oorlog tussen Athene en Sparta. Athene had veel te lijden. Hongersnood, ziektes, vernedering. Heel wat Atheners, waaronder Plato, weten de ondergang van hun stad aan de democratie. Op het einde van de oorlog werd zelfs het regime van de dertig tirannen geïnstalleerd om opnieuw orde op zaken te stellen. Zij keken jaloers naar Sparta dat nog de harde, sterk hiërarchische en tribale stadstaat van vroeger was. Twee van de leiders van deze kortstondige tirannie waren rechtstreekse familieleden van Plato. Net als hen wilde Plato de verandering, de neergang tegenhouden en terugkeren naar het ideaal van de oude Atheense stam.

Wanneer we een sprong in de tijd maken, dan zien we dat de ideeën van Marx eveneens op een kantelmoment in de geschiedenis kwamen. Het midden van de negentiende eeuw. De industriële revolutie. Mensen verlaten hun dorpen en boerderijen om in de stad in de fabrieken te gaan werken. Armoede, werkonzekerheid en kindersterfte behoorden tot het leed van elke dag. Eén van de basisideeën van de analyse van Marx was net de aliënatie, de vervreemding tussen het werk van de arbeider en het eindproduct. De arbeider is vervreemd van zijn werk en is een louter instrument geworden. Een instrument in de handen van de kapitalistische bourgeois in zijn zucht naar meer winst. Marx vond dat de meerwaarde of de winst van een product niet de kapitalist maar de arbeider, de proletariër toebehoorde. Het einddoel was de klassenloze maatschappij, het middel de revolutie. Het zou allemaal uitmonden in de ideale samenleving waar gelijkheid en veiligheid hand in hand zouden gaan. Dat was de noodzakelijke gang van de geschiedenis.

Deze noodzakelijkheid had Marx van Hegel. Hegel leefde wel twee generaties voor Marx. Maar in een tijd die niet minder turbulent was. Het was de tijd van de Franse revolutie en de neergang van het Heilig Roomse Rijk. Zijn filosofie van de identiteit leidde onder meer tot de Duits-nationalistische ideeën van Fichte en Herder. De idee van de Volksgemeinschaft. Friedrich Hayek schrijft daarover in zijn bekende boek The Road to Serfdom: Het “Duitse idee van de staat”, zoals geformuleerd door Fichte (…) is dat de staat noch gebaseerd is op, noch gevormd is door individuen. De staat is volgens dat idee zelfs niet samengesteld uit individuen en heeft niet als doel om het belang van het individu te dienen. Het is een Volksgemeinschaft waarin individuen geen rechten hebben, maar enkel plichten.

Dames en heren,

Het is, denk ik, voor iedereen evident hoe deze tribale ideeën de regelrechte voedingsbodem hebben aangereikt voor het communisme en het nazisme. Zoals het ook duidelijk is dat de fundamenten van deze ideeën vandaag niet verdwenen zijn. Integendeel. We leven opnieuw in tijden van diepgaande mutatie. Zekerheden staan opnieuw op de helling. Het stamgevoel wordt door de globalisering grondig aangetast. En de ideologie van de gesloten samenleving komt dus terug aan de oppervlakte.

Een daarvan is ongetwijfeld het moslimfundamentalisme. Voor de duidelijkheid wil ik hier eerst en vooral benadrukken dat ik het niet heb over de islam in het algemeen. Maar ik heb het wel over het meest extreme fundamentalisme, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek Mijlpalen van Said Qutb, een van de filosofen van het Egyptische Moslimbroederschap.

Volgens Qutb was de wereld vroeger een zondige, goddeloze wereld. De historische en heroïsche generatie van Mohammed slaagde er echter in om de perfecte samenleving te organiseren. Dit deden ze door zich van alles te bevrijden, enkel in Allah te geloven en de Koran volledig na te volgen. Na die generatie was die perfecte samenleving opnieuw voorbij. We leven nu dus opnieuw in een zondige, goddeloze wereld. Zodat we allen moeten terugkeren naar een perfecte samenleving waar alleen de sharia, de wet van Allah heerst, en waarbij alle politieke systemen die gebaseerd zijn op menselijke wetten, vernietigd moeten worden.

Dit is ook de ideologie van Al Qaeda. Precies datgene wat Karl Popper beschreef in zijn eerste deel van “De open samenleving en haar vijanden”. Het teruggaan naar de stam, naar de gesloten, tribale samenleving.

Maar dit tribaal denken vinden we ook terug veel dichter bij ons. Zij het veelal in een andere, in een minder extreme vorm. In het nationalisme bijvoorbeeld. Zowel in Vlaanderen als in Nederland. En als ik sommigen hoor, keert zelfs de “Volksgemeinschaft” weer helemaal terug op het voorplan. Maar ook de conservatieve traditie in navolging van Plato en de etatistische visie in de lijn van Marx lijken weer helemaal terug in de mode. Allen zijn ze ervan overtuigd dat de rol van het individu, met andere woorden de vrije keuze van de mens een illusie is. Vanuit hun pleidooi voor grotere gehelen, willen ze het individu definitief onderschikt maken aan de groep. Welke die ook moge zijn. Het doel van dit groepsdenken is telkens eender: het zoeken van bescherming tegen verandering. Het in stand houden van het stamgevoel, van het tribale denken. In de hoop dat zo de boze krachten van de veranderende buitenwereld kunnen worden tegenhouden. In mijn Vierde Burgermanifest heb ik dat ‘de schuilkelder’ genoemd.

Dit gesloten, tribaal denken is een gevaar voor het individu, een gevaar voor de open samenleving. Vooral omdat ze mensen eenzijdig bekijkt, mensen in een vakje, een hokje stopt. Mensen zijn wezens met een enkelvoudige identiteit. Eendimensionaal. Welnu, de geschiedenis leert ons echter dat zo’n enge benadering uiteindelijk altijd de oorzaak is van elke segregatie in de samenleving, van elke oorlog, elk onrecht, elk conflict.

Zo’n eendimensionale benadering van identiteit is niet alleen gevaarlijk. Ze is bovendien ook onjuist. Dat heeft Amartya Sen in zijn laatste boek Identity and Violence briljant beargumenteerd. Hij schrijft: “In sommige versies van het communitaristisch denken gaat men ervan uit dat iemands identificatie met zijn gemeenschap de voornaamste, dominante en soms zelf enig significante identiteit is.” Dat is onjuist omdat “onze culturele gewoontes en overtuigingen ons wel kunnen beïnvloeden, maar nooit volledig determineren.” Mensen hebben een meervoudige identiteit. Afhankelijk van het onderwerp, identificeer je je met andere mensen, met een andere groep. Iemands achtergrond is nooit allesbepalend. Mensen hebben een eigen keuze. Ze zijn vrij om zelf te kiezen wat ze belangrijk vinden en wie ze willen zijn. Het is dus niet alleen je afkomst, maar vooral je toekomst die belangrijk is, de keuzes die je maakt.

Wil dit zeggen dat groepsgevoelens per definitie slecht zijn? Dat een zekere nationale of Europese fierheid moet verbannen worden? Nee, maar deze projecten mogen nooit ten koste gaan van het individu, van de individuele keuze. Dit moeilijke evenwicht is nog het best verwoord door Isaiah Berlin in zijn essay Two concepts of liberty. Berlin onderscheidt daarin positieve en negatieve vrijheid. Positieve vrijheid omschrijft hij als de vrijheid van mensen om in projecten te stappen, om engagementen op te nemen, om te samenleving uit te bouwen. Maar hij waarschuwt ook voor de grenzen daarvan, voor het gevaar van zogenaamde maatschappelijke projecten. Vandaar de noodzaak van de negatieve vrijheid. Met deze wat ongelukkige term bedoelt hij de rechten van het individu. Die staan volgens Berlin altijd bovenaan. De vrijheid, de rechten van het individu moeten primeren. Alleen zo waken we erover dat een open samenleving niet gesloten wordt.

Dames en heren,

Dat is ook de kern van het liberalisme. Beweren dat liberalen tegen groepsverbanden zijn, tegen verenigingen of gezinnen is karikaturaal. Smalend zegt men dat het liberalisme staat voor een atomistische maatschappij waar iedere mens op zijn eigen egoïstisch eiland zou leven. Zij beweren dat te veel vrijheid mensen stuurloos zou maken. Dat mensen de groep, de staat of de natie nodig hebben die hen richting geeft.

Ik vind dergelijke beweringen gevaarlijk. Ze sporen immers met de denkbeelden van de profeten van de gesloten samenleving. Gewild of ongewild, bewust of onbewust. Ze onderschatten de kracht van mensen. Ze ontkennen dat enkel vrije mensen verantwoordelijke mensen worden. En dat is gevaarlijk. Want voor we het goed en wel beseffen glijden we af, weg van de open samenleving. Het is een sluimerend proces. Een proces dat nog het best werd beschreven door Sebastian Haffner in zijn boek Het verhaal van een Duitser over zijn leven in het interbellum. Hij schrijft: “Met honderdduizenden tegelijk werden in maart 1933 mensen die tot dan toe tegen de nazi’s waren geweest, opeens lid van de nazi-partij. De beweegredenen waren verschillend, en dikwijls was het een kluwen van redenen. Hoe lang je echter ook zoekt, je zult er niet één sterk, steekhoudende, verdedigbare en positieve onder vinden, niet één waarmee voor de dag gekomen kan worden. Het proces had, in elk op zichzelf staand geval, onmiskenbaar alle kenmerken van een zenuwinzinking. (…) Dat laat nog altijd de vraag open waarom niet geheel spontaan zo nu en dan een enkeling zich verhief en zich verzette, zo niet tegen alles, dan toch wellicht tegen het een of andere specifieke onrecht? Dat werd nu precies belemmerd door het doorlopende mechanisme van het dagelijkse leven. Hoe anders zouden waarschijnlijk revoluties verlopen, hoe anders zou de geschiedenis verlopen, als de mensen nu nog, zoals wellicht in het oude Athene, op zich zelf staande wezens met een relatie tot het geheel waren geweest en niet zo hopeloos opgeslokt door hun werk en hun planning?”

Dames en heren,

We kunnen het sluipende proces dat van elke open samenleving een gesloten samenleving dreigt te maken, tegenhouden. Dat is zelfs niet eens zo moeilijk. Popper wijst de weg. We moeten voor alles de kritische methode hanteren. Kritiek niet alleen toelaten, maar zelfs bevorderen. We moeten de mens als een vrij en verantwoordelijk wezen beschouwen. We moeten de vrije keuze vrijwaren. Het individu boven de groep stellen. We moeten daartoe niet wachten op de staat, maar enkel onszelf engageren. En, we moeten af en toe een boek lezen, een boek zoals De open samenleving en haar vijanden.

Ik dank u.


Toespraak naar aanleiding van de eerste Karl Popperlezing op 29 maart 2007

Guy Verhofstadt

Guy Verhofstadt

Share |

4de Karl Popperlezing met Hans Achterhuis

Deze lezing vindt plaats op dinsdag 5 oktober om 20u in het Liberaal Archief, Kramersplein 23 te Gent. Na de lezing is er een receptie. Toegang is gratis, maar gelieve wel in te schrijven op verhofstadt.dirk@telenet.be.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be