Ik wil jullie eerst en vooral bedanken voor jullie massale aanwezigheid. Ik heb eerlijk gezegd nog nooit zoveel volk gezien voor de voorstelling van een boek. Althans niet voor een boek van mij. Het doet vooral deugd om te zien dat zoveel mensen bereid zijn om samen met mij naar de toekomst te kijken. Want de wereld waarin we vandaag leven, is niet meer dezelfde als degene die ik beschreef in de eerste burgermanifesten. De wereldwijde globalisering stond toen nog in haar kinderschoenen. Het internet was nog maar net geboren. Vandaag is die globalisering overal aanwezig. De eerste vraag waar ik samen met u een antwoord poog op te vinden is waarheen ons dit voert? Hoe zal de wereld van morgen er uitzien? Welke wereld staat ons te wachten in het jaar 2020? Ik denk dat de belangrijkste omwenteling demografisch zal zijn. De groei en de samenstelling van de bevolking zullen een steeds belangrijker rol spelen. Of een land veel energie en grondstoffen heeft of niet, of het centraal of eerder perifeer gelegen is, of het een continentaal of integendeel een tropisch klimaat kent, zal steeds minder een rol spelen. De samenstelling en de opleiding van de bevolking zullen daarentegen wel bepalend worden voor het welvaartsniveau. Hoe ouder de bevolking en hoe kleiner het aantal jongeren, hoe groter het risico dat de groei wordt afgeremd. En hoe jonger de bevolking, hoe beter opgeleid ook, hoe meer de samenleving zal bevolkt zijn door actieve mensen, jonge mensen die op zoek zijn naar een betere toekomst. De cijfers spreken boekdelen. De wereldbevolking in 2020 zal bestaan uit bijna 8 miljard mensen. Slechts 5% van hen woont in West-Europa. 7% zal wonen in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie. 13% zullen wonen in Noord – en Zuid-Amerika, waarvan slechts vier procent in de Verenigde Staten. 16% zal Afrikaan zijn. En 56%, dus meer dan de helft zullen Aziaten zijn, waarvan 17% Indiërs en 19% Chinezen. De samenstelling van de wereldbevolking, het aantal jongeren en ouderen, is misschien nog treffender. Overal (India, China, de Verenigde Staten) zullen er meer jongeren zijn dan ouderen. Met jongere bedoel ik jonger dan 14. Met oudere bedoel ik, ouder dan 65. Alleen in Europa en dus ook in België zal dat niet het geval zijn, zullen er met andere woorden meer ouderen zijn dan jongeren. Welnu, die evolutie gaat zich ook vertalen in economische prestaties. Hoe jonger en groter de bevolking, hoe meer groei. Hoe ouder en kleiner de bevolking, hoe lager de groeiprestaties. India en China bijvoorbeeld zullen blijven draaien rond 10% groei per jaar. Europa nauwelijks 2% per jaar. En China zal tegen 2020 de grootste economie hebben, de grootste na de Verenigde Staten. Het gevolg van dat alles is dat ook de geopolitieke verhoudingen dramatisch zullen wijzigen. China, India, wellicht ook Brazilië en een herrezen Rusland zullen hun stem opeisen aan de onderhandelingstafel. Het aandeel van Europa met 6% en de Verenigde Staten met 4% van de wereldbevolking zal automatisch slinken. En de invloed van ons waardestelsel ook. Maar ook de vervuiling van het milieu en de verandering van het klimaat zullen ernstige bedreigingen vormen. Een verdere toename van de CO² zal zorgen voor meer opwarming van de aarde en dus meer problemen. Meer orkanen, meer overstromingen en een toename van allerlei ziekteverschijnselen. Betekent dat nu dat er ons een catastrofe te wachten staat? Want daar lijkt het toch enigszins op. Niet noodzakelijk. Wat hierboven werd geschetst, is een loutere verderzetting van bestaande trends. Alleen als we niets ondernemen, worden ze realiteit. Maar het is mijn overtuiging dat we het tij kunnen keren. Dat we de toekomst in handen kunnen nemen. Hoewel, er zijn vele politici die stellen dat het tij niet meer te keren valt, dat wij geen keuze hebben, dat de mens geen keuze heeft. Zij stellen dat het menselijk handelen aan vaste wetmatigheden gebonden is. En omgekeerd zijn ze er rotsvast van overtuigd dat aan de hand van de geschiedenis de toekomst perfect voorspelbaar is. In hun visie heeft wat we doen of wat we beslissen eigenlijk weinig of geen invloed. Hoe fout die redenering is, bleek de voorbije decennia, op een terrein dat op het eerste zicht nauwelijks met politiek uitstaans heeft, namelijk de fysica. Niet dat dat ooit mijn beste vak op school was. Integendeel. Maar wat ik er zelfs van begrepen heb, is dat van Newton tot Einstein iedereen er altijd van uitging dat de wetten van de natuur vast waren, onomkeerbaar. De appel valt uit de boom, naar beneden en niet omgekeerd. Het was een Belg, Nobelprijswinnaar Ilya Prigogine die bewees dat dit misschien niet altijd klopt. Hij toonde aan dat vanuit een wanorde soms een mooiere, hogere orde kan ontstaan. Het resultaat is niet bij voorbaat te voorspellen. Alles hangt af van wat elk deeltje - hoe klein ook - doet. In de natuur geldt volgens Prigogine net hetzelfde. Hij had daar een mooi beeld voor: ‘de vleugelslag van een vlinder in het Amazonewoud kan uiteindelijk een storm in Europa ontketenen’. Volgens mij werkt onze samenleving ook zo. Elk individu speelt een hoofdrol. Ieder van ons bepaalt mee de toekomst. En die toekomst, die toekomst die is open. Die toekomst is onvoorspelbaar. Ze hangt af van wat wij er zelf van maken. Kortom, we moeten geloven in de mens, geloven in zijn mogelijkheden, lijnrecht ingaan tegen het geloof in allerlei wetmatigheden en blinde vooroordelen. Hetzelfde geldt overigens voor het tribalisme, nog zo'n geloof in een blind vooroordeel, het geloof in de superioriteit van het ras, de groep of de stam. Ook dat geloof is niet nieuw. Ook dat geloof is van alle tijden. Want misschien zijn het fascisme en het communisme dan wel overwonnen, maar niet het tribalisme en het collectivisme dat er aan ten grondslag ligt. Overal rondom ons, zien we nieuwe vormen van eng groepsdenken opduiken. Ze bedienen zich dan misschien niet meer van de fascistische of communistische retoriek, maar de inhoud blijft in wezen identiek. Namelijk het inpeperen van de angst voor de ander. Het terugplooien op de eigen groep. Eerder dan te pleiten voor diepgaande hervormingen, voeden ze die angst, koesteren ze die onzekerheid. Alleen het gezicht van de vijand verschilt. Fundamentalisten bestrijden elkeen die een ander geloof aankleeft. Nationalisten zien in alle andere volkeren een tegenstrever. Etatisten willen dan weer de eigen wil van het individu uitschakelen. En voor conservatieven is iedereen die verandering wil al een bedreiging op zich. Maar in wezen zijn het vier gezichten van een zelfde aspiratie, een zelfde hang naar een enge, besloten samenleving. Een samenleving in de vorm van een schuilkelder, als het ware. En naargelang de schuilkelder waarin men zich bevindt, krijgt de mens een ander etiket opgekleefd. Naargelang het om fundamentalisten, racisten of nationalisten gaat, is dat de religie, het ras, het volk, de klasse, de stand. Welnu, het is deze benadering die de oorzaak is van elke segregatie in de samenleving, van elke oorlog, van elk maatschappelijk conflict. Wie anders is, wordt buiten de groep gestoten of erger, geliquideerd. Het is een benadering die niet alleen gevaarlijk is. Zij is bovendien onjuist, gestoeld op foute premissen. Want een enkelvoudige identiteit bestaat niet. Geen enkele mens kan zomaar in een hokje worden gestopt. Het is natuurlijk juist dat de familie waarin je opgroeit of het land waarin je woont, mee bepaalt wie je bent, mee bepaalt wat je wordt. Maar het is nooit een allesbepalende factor. Een man of een vrouw is echtgenoot of vrijgezel, tegelijk ondernemer of arbeider, agnost of gelovige, bovendien boekenliefhebber of voetbalfanaat. En even belangrijk is dat die identiteit nooit af is. Mensen zijn niet gebonden door ‘wie ze zijn’. Ze zijn in staat om te beslissen ‘wie ze willen zijn’. Met andere woorden, het is niet je afkomst, maar je toekomst die telt. De keuzes die je maakt. Dat is de vrijheid van iedere mens. En dat is wat ik individualisme, ‘positief individualisme’ zou willen noemen. Het enig mensbeeld dat aanvaardbaar is voor de nieuwe, open samenleving die opdaagt aan de horizon. Die omwenteling die we nu meemaken, is natuurlijk niet de eerste die we ondergaan. Een van de meest ingrijpende veranderingen voltrok zich in de 15e en de 16e eeuw. Toen de boekdrukkunst werd uitgevonden. Toen Amerika werd ontdekt. Toen de wereld plots niet alleen bleek rond te zijn, maar nog rond de zon te draaien ook. Het was de tijd van de reformatie. De aanvang van het humanisme. Exponent bij uitstek van een open samenleving. Welnu, als we kijken naar de kaart van Europa van toen, merken we dat vele veranderingen op gang kwamen vanuit Vlaanderen, vanuit het huidige België. Het was de tijd van de Bourgondiërs. Van Karel V. Van de gebroeders Van Eyck. Van Mercator. Van Erasmus. Van Vesalius. Maar aan die bloeiperiode kwam abrupt een einde. Na de Beeldenstorm en de val van Antwerpen in 1585 viel het doek over onze vrijheid, over onze openheid, over onze ongebreidelde welvaart. Twee eeuwen lang werden wij bezet door Spanjaarden, Fransen, Oostenrijkers, Nederlanders. Daar kwam slechts verandering in tijdens de industriële revolutie. Toen samen met Engeland België een van de meest welvarende landen van de wereld werd. België had de meest progressieve en liberale grondwet van Europa. Opnieuw was openheid de norm. Opnieuw bloeiden onze contreien. En opnieuw verzamelden zich in België tal van kunstenaars en grote denkers. Kortom, uit de geschiedenis kunnen we één les trekken. Ons land kende de grootste economische vooruitgang, de hoogste culturele bloei, toen we geen schrik van verandering hadden en toen we een vrije en open samenleving kenden. Dat mag nu niet anders zijn. Er is vandaag een nieuwe grote omwenteling bezig. En die nieuwe, grote omwenteling is de overgang naar de horizontale economie. In het verleden was de economie georganiseerd volgens een verticaal patroon. Elk land bezat zijn eigen nationale economie. Elk land gebruikte zijn eigen nationale munt. Iedere nationale economie was op zijn beurt verticaal opgesplitst in vaste sectoren: landbouw, industrie, diensten. En ook tussen de private en de publieke sector bestond er een beschot. Binnen de bedrijven zelf heerste een piramidale, verticale hiërarchie: arbeiders, bedienden, kaderleden, bedrijfsleiders. Die verticale economie dreef op standaardisatie, synchronisatie, centralisatie. Met de globalisering en de informatisering wordt die oude, verticale economie definitief gesloopt. Een vlakke, horizontale economie komt tot stand. Een economie zonder beschotten. Een economie die wereldwijd functioneert. Een economie die niet langer is gebonden door geografische of monetaire grenzen. Een economie die nauwelijks nog de opdeling kent in primaire, secundaire of tertiaire sectoren. Neem nu de biobrandsstoffen of de biotechnologie. Die hebben van de landbouw een moderne industriële tak gemaakt. En de informatica heft razendsnel de verschillen op tussen diensten en industrie. Micro- en nanoelectronica bijvoorbeeld zijn het resultaat van de samenwerking van zo uiteenlopende wetenschappelijke disciplines als scheikunde, wiskunde, informatica, fysica. En de robotica heeft dan weer de productieprocessen zelf ingrijpend gewijzigd. Maar ook de opdeling binnen de sectoren is voorbijgestreefd. Moderne transportbedrijven zijn logistieke ondernemingen geworden die niet alleen goederen vervoeren, maar die goederen ontvangen, opslaan, wegen, verpakken, omslaan, etiketteren, controleren op hun kwaliteit, sorteren, de bestellingen voorbereiden, de voorraad beheren. Het wordt stilaan zelfs onmogelijk om een grens te trekken tussen logistiek en assemblage. Maar ook het gedrag van de consument ondergaat een ware revolutie in die nieuwe, horizontale economie. In plaats van naar uniforme massaproducten, gaat zijn voorkeur uit naar gepersonaliseerde, unieke goederen, naar individuele dienstverlening. Het is niet meer de standaard maar de opties die tellen. Door wat ze zich aanschaffen willen consumenten zich van de massa onderscheiden in plaats van in die massa te worden opgeslorpt. Het illustreert een gigantische ommekeer in ons economisch denken: weg van de massaproductie, weg van de uniformisering naar het individuele maatwerk en de personalisering. Ook de aard van de arbeid wijzigt. Klassiek bandwerk is haast verdwenen. Arbeiders vervullen steeds meer hogere functies, waarbij ze niet alleen uitvoeren, maar ook beslissingen nemen. Van een verticale, piramidale hiërarchie evolueren we zo naar een horizontale structuur in het bedrijf, waarin de verantwoordelijkheid van de werknemers significant toeneemt. De cruciale vraag die zich nu stelt, is: hoe reageren we daar op? Welnu, precies zoals het tribale groepsdenken geen optie is voor het oplossen van de maatschappelijke problemen, is het vasthouden aan een gesloten, verticale economie geen antwoord op de economische problemen. We moeten vandaag resoluut kiezen voor een open, een horizontale economie. En dat betekent dus dat we zo snel mogelijk alle barrières, alle muren, alle beschotten slopen van de oude verticale economische orde. Wat ik u nu in het volgende deel van mijn uiteenzetting zou willen duidelijk maken, is wat dit concreet in de toekomst betekent. Welke barrières we moeten neerhalen. Met welke hervormingen zulks moet gebeuren. En laat me beginnen met een mentale barrière, namelijk de in onze geest vastgeroeste gewoonte – ik zou bijna zeggen – onze reflex om ieder risico te mijden, ieder risico te bannen. Dat is een grote dreiging voor het ondernemerschap. We zullen terug moeten leren omgaan met risico’s. En omdat het vooral om een mentale kwestie gaat, zal dat moeten gebeuren via de opvoeding, via het onderwijs. Creativiteit, ondernemen, innoveren, met andere woorden risico’s nemen, moet een vast onderdeel worden van wat wij onze kinderen op school aanleren. Het tweede obstakel dat we moeten slopen, is dat van de veel te stroeve organisatie van de arbeidstijd. Officieel werken we tot vijfenzestig jaar. En dat acht en dertig uren, iedere week, vijfenveertig jaar lang. Mensen van hun kant verlangen meer soepelheid. Een loopbaan die beter is afgestemd op de individuele noden: bijscholing, het opvangen van de kinderen, het verzorgen van een ziek familielid. Maar aan de andere kant moeten we ook eerlijk zijn. Minder werken is zeker geen optie. Zeker geen optie als we de pensioenen in de toekomst betaalbaar willen houden. Dus moeten we een nieuwe aanpak vinden, een aanpak waarbij meer werken wordt gecombineerd met een grotere flexibiliteit. En daartoe is er slechts één oplossing, namelijk af te stappen van de collectieve uurregelingen en over te stappen naar een individuele loopbaanrekening. Op zo’n individuele loopbaanrekening zou tijdens het actieve leven een pakket uren verzameld moeten worden om recht te hebben op een volledig pensioen. Dat pakket zal wel hoger uitvallen dan vandaag. En sommigen zullen dat niet graag horen. Maar het is niet voor niets dat in de meeste van de ons omringende landen de pensioenleeftijd tot 67 jaar wordt opgetrokken of er minstens plannen in die richting bestaan. Anderzijds laat de individuele loopbaanrekening ook een soepeler, een meer flexibele arbeidsregeling toe. Wie beslist om een bepaalde tijd niet te gaan werken, kan dat, maar zal in een andere periode van zijn leven wat harder of langer moeten werken. De individuele loopbaanrekening laat ook toe een gezinsvriendelijker beleid te voeren. Het opvoeden van kinderen kan namelijk geheel of gedeeltelijk als werkende uren mee in rekening worden genomen. En dat is maar één van de mogelijkheden en de voordelen die aan de het nieuwe systeem verbonden zijn. Een andere barrière heeft te maken met de vaststelling dat de mensen bij ons nauwelijks van job veranderen. In de Scandinavische landen is dat niet zo. En wat daarbij opvalt is dat in die Scandinavische landen desondanks, neen net daardoor een hogere werkgelegenheid is. Een fenomeen dat overigens eenvoudig te verklaren valt. Hoe lager de ontslagkosten, hoe minder zwaar de procedures, hoe vlotter de werkgevers aanwerven. En hoe gemakkelijker werknemers een interessante baan zoeken. We moeten natuurlijk garanties blijven geven voor sociale bescherming en inkomenszekerheid bij ontslag. Maar we moeten de procedures wel minder rigide maken. Werkzekerheid is uiteindelijk belangrijker dan jobzekerheid. Een vierde obstakel dat we moeten overwinnen zijn de zogenaamde werkloosheidsvallen. Wie van een uitkering leeft, geniet onder andere van een belastingvermindering, verhoogde kinderbijslagen, de maximumfactuur in de gezondheidszorgen, een goedkoper telefoontarief en dergelijke meer. Daar is op zich niets mis mee. Dat is goed en rechtvaardig. Maar er is wel een probleem wanneer die werkloze al die voordelen verliest wanneer hij een job aanneemt. Want daardoor ontstaat de absurde situatie dat hij netto minder overhoudt wanneer hij gaat werken. En voor die absurde situatie is maar één goede oplossing. De voordelen moeten voor iemand die werk vindt, geleidelijk aan worden afgebouwd. En de snelheid waarmee dat gebeurt, kan het best afhangen van de hoogte van het nieuwe inkomen. We moeten ons ook de vraag durven stellen of we jongeren die zonder volwaardig diploma de school verlaten wel een dienst bewijzen door hen meteen een uitkering te geven. Vaak betekent dat het begin van een levenslange veroordeling tot ‘uitkeringstrekker’. Eén voor één menselijke drama’s, waarvoor nochtans eenvoudige remedies denkbaar zijn. Waarom de uitkering niet afhankelijk maken van een nieuwe vorming of opleiding ? Of waarom geen nieuwe, langdurige jongerenstages in de bedrijven invoeren? Zo verwerven die jongeren ten minste competenties die ze nu schromelijk ontberen. En dat brengt me tot de volgende barrière. En die houdt verband met de tijd. Hoe langer men werkloos is, hoe kleiner de kans dat men ooit werk vindt. Wanneer we dus werkloosheidsuitkeringen levenslang toekennen, zonder voldoende te activeren of zonder ze te beperken in de tijd, komen werklozen in een negatieve spiraal terecht. In een negatief zelfbeeld dat hun vertrouwen ondermijnt. Daarom vind ik het een noodzaak om mensen die pas werkloos zijn een hogere uitkering te geven. Voor langdurig werkzoekenden daarentegen moeten we de zaken anders aanpakken. Eerder dan hun passief en onbeperkt een uitkering te garanderen, moeten we langdurig werkzoekenden een deeltijdse buurtjob geven. Met dien verstande evenwel dat wie die aanneemt zijn uitkering doorbetaald krijgt natuurlijk. Door deeltijds de handen terug uit de mouwen steken, herwinnen die mensen hun vertrouwen, herwinnen ze opnieuw hun kansen op de arbeidsmarkt. Die buurtjobs kunnen worden georganiseerd door lokale besturen of door de privé-sector. In de plaatselijke bibliotheek, het sociaal centrum van de wijk, als stadswacht, bij het onderhoud van het park of het plein, of waarom niet, als hulp in de plaatselijke school of de kinderopvang. In dezelfde lijn heb ik overigens nog een tweede voorstel. Waarom namelijk het radicaal de dienstencheques niet radicaal uitbreiden? Die zijn vandaag een immens succes . De volgende hindernis op weg naar de horizontale economie is zeker een van de meest hardnekkige barrière. Die tussen bedienden en arbeiders. Dat onderscheid is compleet achterhaald. Maar ook de opdeling van de economie in sectoren met zijn verticale loon- en arbeidsvoorwaarden is achterhaald. Binnen het Belgische overlegmodel dat vrij uniek is, moeten we wel meer ruimte vrijmaken voor een meer gepersonaliseerde loonvorming. En hetzelfde geldt voor de internationale mobiliteit van werknemers. We hebben nood aan een open, reglementair kader waarbinnen het onderscheid tussen eigen en vreemde werknemers, kenniswerkers of kaderleden definitief verdwijnt. Maar ook binnen onze eigen landsgrenzen zijn er nog tal van barrières. Als bedrijven grensarbeiders uit het noorden van Frankrijk aantrekken of Poolse bouwvakkers of Indische kenniswerkers dan moet het toch ook mogelijk zijn om een deel van de bijna driehonderdduizend werklozen in Wallonië en Brussel aan de slag te krijgen in Vlaanderen, zeker nu bij ons tienduizenden vacatures niet ingevuld geraken. Maar wellicht de meest hardnekkige hinderpaal, de meest hardnekkige barrière op de weg naar de horizontale economie is de structuur van de belastingen. Dat is niet alleen een probleem in België, maar in gans Europa. Vandaag belasten we in Europa vooral arbeid, met andere woorden het produceren van welvaart. En eigenlijk is dat dom. Het zou veel verstandiger zijn het omgekeerde te doen, namelijk belastingen te heffen op het verbruik of het vernietigen van welvaart. Of beter nog heffingen te leggen op alles wat onze welvaart in de toekomst in het gedrang brengt: zoals de vervuiling bijvoorbeeld of de opwarming van de aarde. Het gevolg van die zware belastingdruk op arbeid ondervinden we elke dag. In plaats van goederen te exporteren, voeren we jobs uit. Een verschuiving van de belastingen op arbeid naar verpakkingsheffingen zou er in elk geval voor zorgen dat we niet alleen de hardwerkende Vlaming maar ook buitenlandse producten laten bijdragen tot onze sociale zekerheid. Maar we moeten de belastingen niet alleen verschuiven. We moeten de belastingen ook verlagen en vereenvoudigen. Dat leidt niet noodzakelijk tot een verlies aan inkomsten voor de staat. Kijk naar de voorbije jaren. De successierechten, de registratierechten, de vennootschapsbelasting. Ze werden allemaal verlaagd. En ze hebben geleid tot meer economische activiteit, meer aangiftes en meer inkomsten voor de overheid. Tegelijkertijd is er een drastische vereenvoudiging noodzakelijk. Wie kan in het bos van tarieven, schalen, voorheffingen, inkohieringen, abattementen, fiscale uitgaven nog weten wat hij juist afdraagt? Om al die redenen, al die redenen die ik heb opgesomd, is het nodig een nieuwe, nog grondiger hervorming van de personenbelasting door te voeren, met name de ‘drietrapstaks’. Het inkomen zou inderdaad in drie delen worden opgesplitst. Op het eerste deel - de eerste vijfhonderd euro die per maand wordt verdiend - zou geen belasting worden betaald. Op het tweede deel, zijnde de daaropvolgende schijf van duizend euro, wordt een vast tarief geheven. En op het derde deel, het inkomen boven de duizend vijfhonderd euro per maand wordt een tweede hoger tarief aangerekend. De huidige vijf tarieven zouden dus worden herleid tot twee aanslagvoeten 20% en 40%, wat in elk geval een stuk lager is dan het laagste en het hoogste tarief dat we vandaag kennen. Parallel zal er dan wel drastisch worden gesnoeid in de wildgroei van fiscale aftrekken. Mijn voorstel is het dat die zouden worden gehergroepeerd in drie korven, met elk een duidelijk doel voor ogen: bijvoorbeeld kinderen, wonen, pensioen. En U merkt het. Dit is een drastische hervorming van onze belastingen. Een hervorming die beantwoordt aan de drie imperatieven: verlaging, verschuiving, vereenvoudiging. Over die hervorming wil ik nog eventjes één ding kwijt. Deze hervorming is geen wild idee en al evenmin een electorale stunt. Deze hervorming is een economische noodzaak, een absolute prioriteit, die overigens steeds meer leidinggevende figuren bijtreden. Alan Greenspan bijvoorbeeld, de voormalige voorzitter van de Federal Reserve Board, of Holger Schmieding, de managing director van de Bank of America. Maar ook door de Duitse regering. En door de Franse Assemblée die in dezelfde zin onlangs een rapport opstelde. Het is zeker niet de enige, maar het is wel de eerste grote hervorming die België nodig heeft. Een belangrijke hervorming waarmee ook niet mag worden getalmd, is de vervanging van de belastingen op de productie van welvaart door heffingen op activiteiten die deze welvaart in gedrang brengen. De pollutie. De opwarming van de aarde. Het zou misdadig zijn onze kinderen en kleinkinderen een planeet na te laten die minder leefbaar is dan degene die we zelf hebben geërfd. Toch is het dat, wat nu dreigt te gebeuren. Door de te hoge uitstoot van CO² warmt de aarde op. De bewijzen zijn overweldigend. De jaren negentig waren niet toevallig de warmste ooit. Als we niets ondernemen, vallen grote catastrofes niet uit te sluiten. Door het smelten van massa’s ijs zal het waterpeil voor het einde van de eeuw met één meter stijgen. Honderd miljoen mensen zullen met overstroming worden bedreigd. Hittegolven, droogtes, bosbranden, orkanen zoals Katrina zullen frequenter en heviger worden. En meer dan één miljoen plant – en diersoorten zullen tegen 2050 met uitsterven worden bedreigd. Actie, actie is dus dringend en noodzakelijk. Daarom zullen we de drie boosdoeners van CO², de bedrijven, het verkeer en de gezinnen, moeten dwingen om hun gedrag drastisch te wijzigen. En opnieuw is een massale verschuiving van belastingen de aangewezen weg. Van heffingen op productie en arbeid naar heffingen op CO² en vervuiling. Concreet is mijn voorstel om de totale CO² die ons land volgens Kyoto mag uitstoten, openbaar te veilen. Elk bedrijf koopt en betaalt daarbij het maximum aan CO² dat het elk jaar nodig heeft en mag uitstoten. Elk bedrijf betaalt zo zijn aandeel in de vervuiling. En met de totale opbrengst verlagen we of schaffen we de vennootschapsbelasting helemaal af. Op die manier geven we zuurstof én aan de economie én aan ons leefmilieu. Wat het verkeer betreft is het nodig om de autobelasting die vandaag geheven wordt op het vermogen, te vervangen door een heffing in functie van de uitstoot van CO². En een zelfde logica moet ook gelden voor de gezinnen. Vandaag betalen die een onroerende voorheffing gebaseerd op het KI, het kadastraal inkomen. Dat KI is niet altijd even rechtvaardig. Waarom de onroerende voorheffing op het KI dan ook niet vervangen door een heffing op de uitstoot per woning? Huizen die meer verwarming behoeven, betalen meer belasting. Huizen die goed geïsoleerd zijn, betalen minder, en worden dus beloond. Bij dit pakket ecologische recepten, wil ik de moeilijke vragen niet uit de weg gaan. Zijn we er zeker van dat we met die aanpak de Kyoto-doelstellingen halen? We moeten massaal investeren in hernieuwbare energiebronnen, in windmolenparken, in fotovoltaische cellen, in zonenergie, in waterstof ook. Blijft de vraag of we het zonder nucleaire energie kunnen klaren. Want nucleaire centrales stoten geen CO² uit. Maar, dat is ook een vraag, weegt het kernafval dat die centrales achterlaten wel op tegen de voordelen? Kijk, ik denk dat het antwoord hierop afhangt van de vooruitgang die we kunnen boeken op het vlak van de nucleaire technologie. Nu, kernafval produceren en stockeren dat hoogradioactief is en dat ook nog honderden generaties blijft, is geen optie. Wanneer we er echter zouden in slagen nucleaire centrales van de nieuwe generatie te ontwikkelen, de zogenaamde vierde generatie, dan denk ik dat er heel wat minder bezwaren zijn. Bij die nieuwe reactoren zou het afval beperkt blijven en de radioactiviteit van dat afval veel sneller dalen. In dat geval moeten we onderzoeken of het geen valabele optie is om de huidige centrales eerst te moderniseren en ze daarna te vervangen door reactoren van de nieuwe generatie? Hoe het antwoord op deze vraag ook luidt, uiteindelijk zal kernfusie dat geen afval produceert, de uitkomst bieden. Maar, dat moeten we erkennen, dat is maar een optie in het jaar 2060. Moeten we om de aarde te redden nog verder gaan en ook de consumptie zelf afwijzen zoals sommige onheilsprofeten stellen? Afvalbergen, energieverspilling, zwaarlijvigheid. Het zou allemaal het gevolg zijn van de moderne consumptiemaatschappij. Dat is onzin vanzelfsprekend. De dagelijkse praktijk toont aan dat consumenten hun macht zeer goed weten te gebruiken. De consument is baas. En dat geen theorie, maar praktijk. Steeds meer bedrijven hanteren ethische codes. Waarom? Heel eenvoudig, omdat consumenten dat willen. Multinationals als Shell, Ikea of Nike plooiden snel voor een dreigende of effectieve boycot van hun producten. Waarom? Omdat hun dubieuze praktijken in ontwikkelingslanden op massaal protest stootten van hun klanten. Laat mij het zo zeggen, in de moderne consumptiemaatschappij gaat het niet langer alleen over wat je koopt, maar ook van wie je koopt. En ten tweede, laat ons ophouden te zeuren over de excessen van de consumptiemaatschappij. Laat ons liever strijden om haar weldaden uit te spreiden over de honderden miljoenen mensen die daar vandaag alleen maar van kunnen dromen. Een vrije en open samenleving is een illusie zonder sociale rechtvaardigheid. Niemand is gelijk. Niemand heeft dezelfde talenten en mogelijkheden. Niemand heeft ook dezelfde aspiraties en ambities. Maar iedereen heeft wel recht op evenveel vrijheid. De vrijheid om keuzes te maken. De vrijheid om zijn leven uit te bouwen. En we moeten durven erkennen dat veel mensen niet over die vrijheid, niet over die keuzemogelijkheden beschikken. Armen, kansarmen, zieken, mensen met een handicap. Welnu, het is onze plicht om niet alleen te strijden voor onze eigen vrijheid, voor onze eigen keuzemogelijkheden, maar ook te vechten tegen de onvrijheid van de anderen, het gebrek aan keuzes van die anderen. En dat is geen kwestie van medelijden. Dat is een rotsvaste, liberale overtuiging. De overtuiging dat elke mens, wat zijn situatie, wat zijn fysieke of mentale mogelijkheden ook zijn, recht heeft op vrijheid, recht heeft op keuzemogelijkheden. Want nogmaals, vrijheid is een hol begrip wanneer je economisch of financieel geen enkele richting uitkan. ‘Empowerment’, weerbaarheid. Dat is het antwoord. ‘Empowerment’, weerbaarheid vraagt om een scherpe koerswijziging in onze aanpak. Van passieve sociale uitkeringen moeten we evolueren naar hefbomen die activeren en stimuleren. Pas op, dit is geen in vraag stellen van een brede sociale zekerheid. Integendeel. We zijn fier op onze sociale zekerheid. Het is de waarborg voor een menswaardig bestaan. Het zorgt ook voor een herverdeling van de welvaart. Maar op zichzelf is ze onvoldoende. Ze functioneert te weinig als ‘sociale ladder’, als hefboom om naar boven te klimmen, om een beter bestaan op te bouwen. Met andere woorden ze emancipeert te weinig. En daarvoor zijn vooral werk en opleiding nodig. Wie ook meer ‘empowerment’, meer weerbaarheid behoeft, is de groeiende groep senioren. We gaan met het fenomeen vergrijzing om op een onbegrijpelijke manier. We zien vergrijzing uitsluitend als een ernstig probleem, als een zorg, terwijl het om een verrijking gaat, een teken van rijkdom en welvaart. Meer nog, de manier hoe we in het westen met ouderen omgaan is ronduit schandalig te noemen. Terwijl ze in andere culturen met eerbied worden bejegend en worden geprezen om hun wijsheid, maken wij nauwelijks nog gebruik van hun kennis of van hun levenservaring. Integendeel. We verbieden hun zelfs nog economisch actief te zijn. We hebben nood aan een andere, veel positievere benadering van de vergrijzing. Vergrijzing zal nieuwe activiteiten tot stand brengen, nieuwe kansen creëren. Bijvoorbeeld in het vrijwilligerswerk waar senioren een enorm potentieel betekenen. Welnu, om die omslag in onze benadering te maken, zijn een aantal ingrepen noodzakelijk. Vooreerst op het vlak van de opvang van onze bejaarden. Die doet me vandaag nog te veel denken aan hospitalen. Er is meer kleinschaligheid, meer verscheidenheid noodzakelijk. Ook de opvang binnen de eigen familiekring moet meer worden aangemoedigd. Tegelijkertijd mag de rijkdom van de vergrijzing niet leiden tot een nieuwe vorm van armoede. Wat het gevaar is bij een ontoereikendheid of een onbetaalbaarheid van de pensioenen. We moeten vermijden dat ‘op pensioen gaan’ het opgeven van een levensstijl, van een stuk vrijheid zou betekenen. En dat gevaar is zeer reëel als we zouden aarzelen ons pensioenstelsel te hervormen. In de horizontale economie en de open samenleving moeten we ook een nieuwe aanpak ontwikkelen inzake migratie. Het uitgangspunt daarbij moet zijn dat niet onze genen maar wel onze ideeën onze samenleving succesvol maken. Anders gezegd, hoe meer mensen vanuit verschillende invalshoeken naar ons land komen, hoe meer onze samenleving bloeit. Migratie is geen verarming, migratie is een verrijking. Dat was in de 15de en 16de eeuw al zo. En dat is vandaag niet anders. Toch wordt migratie nog altijd als een probleem ervaren. En de reden daarvoor is eenvoudig. De reden daarvoor is de slecht beheerde migratiegolf van de jaren vijftig en zestig. ‘Gastarbeiders’ werden en worden ze nu nog altijd genoemd. Reden ook waarom we er weinig of niets aan gedaan hebben om die mensen te integreren. Wel werd als gevolg van dat falen de economische migratie stopgezet. Althans officieel. Want in de praktijk ontwikkelde zich een enorme illegale immigratie. Om economische redenen, hoofdzakelijk. Een migratiegolf die niemand kan tegenhouden. Noch met metershoge hekkens rond de enclaves in Marokko. Noch met het bewaken van de noordgrens van Australië. Noch met de duizend honderd kilometer lange prikkeldraad die loopt tussen de VS en Mexico. Alleen een beheerste, legale migratie is een oplossing. Mijn voorbeeld is het Canadese migratiesysteem. Naast politiek asiel en gezinshereniging kent Canada twee specifieke vormen van immigratie. Investeerders die in het land willen komen wonen. En anderzijds de zogenaamde ‘skilled workers’, mensen met voldoende kwalificaties, voldoende talenkennis en één jaar werkervaring. Behoren zij tot de lijst van de knelpuntberoepen, dan moeten ze geen werkaanbod op zak hebben. In het andere geval is wel een aanbod van een werkgever noodzakelijk. Waarom zeg ik dat dit mijn voorbeeld is? Omdat het buitenlanders toelaat om op de best mogelijk manier te immigreren en te integreren, namelijk door werk. Een aanpak dus die mensen niet bekijkt door de bril van hun afkomst, maar door die van hun capaciteiten. En zo’n migratie is, denk ik, ook het best mogelijke tegengif tegen racisme en tegen onverdraagzaamheid. En dat is het volgende wat ik wil bespreken. Het klimaat van racisme en onverdraagzaamheid in onze samenleving. Het leidde het voorbije jaar tot enkele dramatische gebeurtenissen, tot daden van extreem geweld. Erger nog, het is als gif in de geesten binnengeslopen. En het is opnieuw groepsdenken dat daartoe de voedingsbodem heeft geboden. Zonder dat groepsdenken zou het racisme niet zo hebben kunnen gedijen. Eigenlijk moeten we toegeven, dat we ons allemaal wel eens aan groepsdenken bezondigen. En het meest treffende voorbeeld zagen we bij de moord op Joe Van Holsbeeck. Onmiddellijk werden de allochtonen geviseerd omdat het vermoeden rees dat de daders van Noord-Afrikaanse origine waren. We eisten meteen een signaal van de Islamitische gemeenschap. Toen het even later bleek dat de daders Polen waren, werd het vizier zonder dralen richting Poolse gemeenschap gedraaid… waarna de vertegenwoordigers van de Noord-Afrikaanse gemeenschap natuurlijk verontschuldigingen eiste. En dat terwijl sommigen in Polen al begonnen waren met de Roma-zigeuners als groep aan te klagen. Het is een voorbeeld dat illustreert dat collectief denken onmiddellijk vervalt in het stigmatiseren van groepen, nationaliteiten en gemeenschappen Maar ook zij die het racisme bestrijden, bezondigen zich vaak aan groepsdenken. Doelgroepenmaatregelen om de achterstand bij de allochtonen weg te werken, functioneren misschien op korte termijn, maar op langere termijn stigmatiseren zij de hele groep. Extra ondersteuning geven louter omwille van iemands etnische afkomst, creëert nieuwe discriminaties. Maatregelen moeten gericht zijn op individuen met gelijkaardige problemen en niet op het behoren tot een of andere probleemgroep. Groepsdenken doodt ook de persoonlijke verantwoordelijkheid. Er zijn inderdaad vele allochtone jongeren in de criminaliteitsstatistieken. Maar 95% van die allochtone jongeren pleegt geen misdrijven. En er is inderdaad meer werkloosheid bij allochtonen. Maar een meerderheid van de allochtonen werkt en draagt bij tot onze economie en onze welvaart. Wat me naast het racisme en de onverdraagzaamheid evenzeer heeft geschokt, was het zinloos geweld dat er vaak mee gepaard ging. Op straat, op publieke plaatsen, op café, in de eigen familiale kring. Buschauffeurs worden in elkaar geslagen. Jongeren worden met een wapen neergestoken voor een mp.3-speler. Scholieren worden aan de schoolpoort bedreigd en afgeperst door drugdealers. Huisvaders worden uit hun auto gesleurd en in elkaar geslagen omdat ze een fout manoeuvre zouden hebben uitgevoerd. ‘Steaming’, afpersing, verkeersagressie, maar ook geweld binnen het gezin. Het is een ontwikkeling die we kost wat kost moeten stoppen. Een krachtig optreden van politie en justitie is het enig mogelijke antwoord. Maar ook werkstraffen in gehandicapteninstellingen en hospitalen kunnen geweldplegers confronteren met de gevolgen van hun daden. De sluipende aanvaarding van het toenemende geweld moeten we vooral aan de bron bestrijden. Op school. Thuis. Daar moet jongeren onophoudelijk worden ingeprent dat noch onverdraagzaamheid, noch geweld, noch agressief gedrag in een open en vrije samenleving tolereerbaar zijn. Wanneer we de vrijheid en de welvaart prediken, dan moet dat zeker ook gelden voor de meer dan één miljard mensen die moeten leven met minder dan één euro per dag. Of het miljard mensen dat geen toegang krijgt tot proper water. En waardoor ieder jaar bijna twee miljoen kinderen sterven. Dat is een schande voor de mensheid. Maar ook hier is hulp, ontwikkelingshulp alleen niet genoeg. Ook hier zijn er hefbomen nodig die mensen en landen ‘empowerment’, weerbaarheid verschaffen. Microkredieten bijvoorbeeld. Kleine leningen waarmee arme mensen stap voor stap een eigen toekomst kunnen opbouwen. Of het revolutionaire idee van Hernando de Soto, waarbij armen voor hun schamele bezit in de sloppenwijken eigendomscertificaten, met andere woorden waardepapieren krijgen. En wij van onze kant moeten ook de exportsubsidies durven af te schaffen. Die vernietigen de landbouw in de Derde Wereld. Maar microkredieten, eigendomsbewijzen voor armen, het openen van onze landbouwmarkten, eerlijk bestuur. Dat alles vergt tijd. En Afrika heeft geen tijd. Voor Afrika is onmiddellijke actie nodig. Zestig miljard euro. Dat is wat nodig is om alle basisproblemen in Afrika aan te pakken en op te lossen. Aan iedere Afrikaan kunnen dan proper water, sanitair, basisgezondheidszorgen, onderwijs worden aangeboden. En dat op heel korte termijn. Zestig miljard euro, dat is een peulschil voor het rijke Westen. Waar wachten we eigenlijk op? We hebben tien jaar tijd nodig gehad om ongeveer de helft van de burgermanifesten te realiseren. Ik geef toe, vandaag leg ik de lat nog hoger. Maar als we een open samenleving willen, een samenleving weg van de angst, weg van de verkramptheid, dan moeten we een antwoord vinden op een heel pak nieuwe vraagstukken. Want de open samenleving is geen vanzelfsprekendheid. Integendeel. Een vrije en open samenleving moet worden bevochten, veroverd, afgedwongen. Tegenover haar belagers. Tegenover de grote massa onverschilligen. Tegenover degenen ook die naïef denken dat het ideologisch gevecht voorbij zou. Neen, de open samenleving is nog niet ten volle verwezenlijkt. En laten we heel eerlijk blijven. Ik kan dat niet alleen. Wij kunnen dat niet alleen. Dat vraagt de inzet van velen. Dat vraagt dat alle politieke krachten die de vrijheid koesteren, zich verenigen. Al diegenen die de vrijheid niet zozeer zien als het hoogste persoonlijke goed, maar wel als de belangrijkste hefboom om de samenleving vorm te geven. En daarbij moeten we één zaak goed beseffen en daarmee zal ik eindigen. Wie niet bereid is voor de vrijheid te vechten, wie niet bereid is om voor haar in de bres te springen, loopt het risico haar voorgoed te verliezen. Zoals Mario Vargas Llosa schrijft: “Vrijheid is net als de liefde. Zo moeilijk het is om haar in woorden te vatten, zo simpel is het om haar te herkennen, te beseffen wanneer ze er is, of ze vals is of echt.”
Guy Verhofstadt Linkshttp://www.youtube.com/view_play_list?p=90A180BB07713F54 |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|