Herman De Dijn (De Standaard,6/2) reageert in zijn antwoord op de Opinie van Rik Pinxten (De Standaard 4/2) misschien iets te scherp, maar zijn betoog heeft wel het voordeel van de duidelijkheid. Dat laat toe te preciseren waarin de beide auteurs gelijk of ongelijk hebben. Pinxten suggereert graag dat westerlingen ‘niet goed kunnen omgaan met verschil’. Hij vergeet dat geen enkele beschaving zoveel positieve inhouden van andere culturen heeft overgenomen als de westerse. De Oude Grieken al hebben hun astronomie opgebouwd op waarnemingen van de Babyloniërs. Het werk van Herodotus was bedoeld om de Grieken inzicht te geven in denkbeelden en gebruiken van de grote culturen rondom hen. West-Europa heeft in de Middeleeuwen bij de Arabieren inspiratie gevonden voor een interpretatie van Aristoteles (Ibn Rusd), voor de ontwikkeling van de optica (Al Haitham), voor het tiendelig positioneel systeem en voor de algebra van Al Khwarismi, enz. Sinds de 17de eeuw overspoelde het Chinees porselein de Europese markten en in de 18de eeuw waren veel intellectuelen gefascineerd door het Confucianisme. Zo kan ik nog een tijdje doorgaan: ook op het vlak van de kunst kan men talloze voorbeelden geven. Wel waren de vertegenwoordigers van het Christendom meestal van mening dat zij de absolute waarheid in pacht hadden. De reactie tegen deze pretentie is echter grotendeel van binnenuit gekomen. In verband met respect voor ‘het andere’ moeten we een wezenlijk onderscheid maken tussen de wetenschappelijke resultaten en de andere cultuuruitingen. Binnen het kennisdomein dat we wetenschap noemen, bestaat een kern van waarnemingen, wetten en theorieën die nagenoeg definitief vaststaan. Aanvankelijk waren die westers, maar nu zijn die een patrimonium van de hele mensheid. Mensen die dat kerngebied niet aanvaarden - die bijvoorbeeld de evolutie loochenen – moet men als mens respecteren, maar hun ideeën niet. De Dijn heeft ten gronde gelijk als hij betoogt dat men vanuit de wetenschap geen fundamentele waarden en normen voor het individu en de maatschappij kan afleiden. Dat kan echter wel indirect. Als zou blijken dat homoseksueel gedrag een genetische oorzaak heeft en noch aan het individu, noch aan de maatschappij schade berokkent, dan kan men moeilijk volhouden dat dit intrinsiek tegennatuurlijk en boosaardig is, zoals sommigen christenen en veel moslims nu nog betogen. De godsdiensten mogen hun afwijzing natuurlijk verder aan hun gelovigen opleggen; maar ze hebben niet het recht aan staten te suggereren dat dit ook voor anderen verboden moet zijn. Het ontgaat De Dijn dat dergelijke directe of indirecte beďnvloeding van de overheden zich nog steeds voordoet. In dat opzicht is de kritiek van Pinxten terecht. De Dijn beweert dat wetenschap en religie verschillende domeinen zijn die elkaar niet kunnen tegenspreken. Dat is alleen het geval als je met ‘religie’ een verzameling opvattingen en praktijken bedoelt die geen enkele uitspraak doen over de ervaarbare wereld. Dat Jezus uit een maagd zou zijn geboren, behoorde eeuwenlang tot de wezenlijke inhouden van het Christendom. Deze uitspraak heeft nochtans wetenschappelijke implicaties. Ofwel is Jezus door parthenogenese ontstaan, maar dan moest hij genetisch identiek zijn aan zijn moeder en dus een vrouw; ofwel heeft God voor hem rechtstreeks een tweede rij chromosomen geschapen (met een y-chromosoom). Met welk doel? Hoe kan men zich ‘goddelijke’ chromosomen voorstellen? Voor een dergelijke afwijking van universele natuurwetten bestaan alleen uitermate zwakke ‘getuigenissen’. Hier moet een redelijk mens kiezen of de wetenschap dan wel de godsdienst het meest overtuigend is. De vraag of en wanneer een embryo een ‘ziel’ heeft, leidt tot vergelijkbare impasses. Ook historisch is er veel conflictstof. De uittocht uit Egypte en het hiermee verbonden ‘Pesach’-feest (Pasen) vormt een kerngegeven van het Judaďsme. Volgens recent archeologisch onderzoek is dat hele verhaal uiterst onwaarschijnlijk. Als al die denkbeelden volgens De Dijn niets met ware godsdienst te maken hebben, dan zullen heel wat gelovigen hem daar niet in volgen. Nog een woord over ethiek. Noch de wetenschap, noch de godsdienst leiden tot ethische normen en regels: die ontstaan uit de interactie tussen de individuele menselijke behoeften en de eisen gesteld door het samenleven. Naderhand wordt daarover dan systematisch nagedacht, ook binnen godsdiensten. De grote godsdiensten hebben echter vaak bijgedragen tot het behoud van achterhaalde gebruiken en normen. Zo waren de pausen de laatste vorsten van West-Europa die slaven hadden (tot 1796). Noch de christelijke, noch de islamitische autoriteiten hebben vóór de 18de eeuw de slavernij veroordeeld… Touwtrekken tussen wetenschap en godsdienst hierover is steriel. Onze echte opgave bestaat er mijn inziens in, in een respectvolle dialoog, elk vertrekkend vanuit eigen opvoeding en traditie, tot een consensus te komen, wereldwijd, over de waarden en normen die voor elk individu, voor de wereldgemeenschap en voor de mensen die na ons komen, een duurzaam welzijn kunnen garanderen.
Etienne Vermeersch Etienne Vermeersch Linksmailto:etienne.vermeersch@UGent.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|