|
Het is opmerkelijk dat in een tijd waarin voortdurend gesproken wordt over individualisering massale bijeenkomsten bij veel mensen favoriet zijn. Toen ik aan dit artikel begon hield ik mijn hart al vast bij het zien van de massale opkomst rond een stervende paus. Ik zag de gezichten betraand, bedrukt, verveeld. Sommigen wilden een wonder meemaken, de meesten stonden gewoon te wachten op zijn dood. Wachten, kijken, kijken, wachten. Allemaal voor de paus? Is er verschil met het ramptoerisme? De officiële lezing is anders: “Al die mensen zijn uit liefde voor de paus gekomen om hem uitgeleide te doen, ze hélpen hem met het afscheid nemen van zijn leven. Zij bidden voor hem!” Veel mensen willen ‘erbij zijn’ om thuis te kunnen vertellen dat ze ‘erbij’ waren. Ze willen er aan ‘deelnemen’. Plotseling blijkt de paus - vrouwonvriendelijk als het om wijding gaat, condoomverbieder, bestrijder van de bevrijdingstheologie - miljoenen vrienden en vriendinnen te hebben, die allemaal een innige band met hem hebben. “Ik hou van hem!” hoor ik een vrouw zeggen met een brok in haar keel. Vooral vrouwen laten hun tranen de vrije loop. Als ik een vrouw was, zou ik dat juist bij deze man niet doen. Nu hij gestorven is komt mijn verwachting uit: nog méér ‘pelgrims’ spoeden zich naar Rome. Het loopt uit de hand. Niemand van de twee miljoen die zich ook maar één moment bedacht en zich kon voorstellen dat hij de opgebaarde man helemaal niet te zien zou krijgen. Ze dachten allemaal: “Daar moet ik bij zijn!” ‘Ik’ dus. Miljoenen ‘ikken’ naar Rome. Op 15 augustus aanstaande wordt in Keulen een aantal van een miljoen katholieke jongeren verwacht. Het zal er ongetwijfeld heel wat rustiger aan toe gaan. Maar toch, weer dat zelfde merkwaardige psychisch mechanisme: “Spannend! Daar moet ik bij zijn!” Ik vertrouw het niet; misschien ben ik te achterdochtig. Markten, braderieën, bedevaarten, shows, openluchtconcerten, sportwedstrijden, tentoonstellingen: ze worden massaal bezocht. Niets bijzonders zou je zeggen: er zijn genoeg evenementen te verzinnen die om de aanwezigheid van een massa mensen vragen: kermissen, stakingen en demonstraties. Heel gewoon en vanzelfsprekend. Maar bij mij groeit de argwaan. Mensenmassa’s kunnen ook tot bedenkelijke situaties leiden, niet alleen nu in Rome. Vooral als het individu opgaat in de massa en daarin als het ware onzichtbaar wordt. Het kan leiden tot crimineel gedrag, met name als een heleboel mensen tegelijkertijd tot crimineel gedrag overgaan. “Het liep uit de hand!” is dan de geijkte uitdrukking. Ja, is dat zo? De controlefunctie viel weg, zoveel is duidelijk. Het cordon werd doorbroken, letterlijk en figuurlijk. Maar liep het uit de hand? Of werd dit juist massaal gewild? Maar ook als er zich géén crimineel gedrag ontwikkelt in de massa, kan er tóch sprake zijn van bedenkelijke situaties. Ook dan kan het individu opgaan in de massa en schade oplopen aan zijn persoon of psychische schade berokkenen aan anderen. De negatieve werking van de massa is dan weliswaar subtieler en minder spectaculair, maar wel degelijk aanwezig. Hier is sprake van massificatie met alle ingrediënten die er in thuishoren: emotie, vertoon, waan, overdrijving, exhibitionisme, maar vooral: aanstekelijkheid. Een massa zuigt aan. Dat laatste is hét kenmerk van massificatie, waardoor het individu opgaat in de massa. O zeker, het is nog steeds normaal, er kan nog steeds niet gesproken worden van het type van de ‘massamens’. De meeste mensen keren straks huiswaarts en zijn dan weer gewoon individu. Maar je hebt er ook – en die zijn niet weinig in aantal – die dit soort evenementen nodig hebben. Die thuis altijd met hun ziel onder de arm lopen. Die verslaafd zijn aan massificatie. Ze zijn ‘uithuizig’, nooit bij zichzelf thuis. De kern van hun persoon is aangetast, verdoofd en verschrompeld. Depersonalisatie. En ook dit effect heeft een zuigende werking in de massa: mensen ervaren onbewust hoe gemakkelijk het is om je in die mensenstroom te begeven. Laat je maar lekker meedrijven! Spannend! Lekker nieuwsgierigen! Ik ken mensen die nooit alleen kunnen zijn. Dan is een stervende paus weer eens wat anders. Een fenomeen met een dubbele bodem. Maar eerlijk is eerlijk: ook de thuisblijvers vormen een massa. Ook deze ‘ikken’ hebben januskoppen: onverschilligheid en ‘betrokkenheid’ gaan hand in hand en springen haasje-over. Zo bezien maakt het dus niet zoveel uit of je ‘erbij’ bent of niet. Ook de TV-kijkers vormen een massa en kunnen daarin ‘opgaan’, onkritisch, automatisch, verstand en wil op oneindig. Pas op het moment dat iemand écht betrokken raakt, op het Sint Pietersplein of gezeten voor de buis, treedt hij/zij uit het grauw van de massa. De betrokkenen bij dit gebeuren kan het nauwelijks ontgaan, dat vooral de Roomse kerk goed is in massificaties. Je merkt dat bijv. aan de manier waarop de kardinaal de menigte toespreekt. Je ziet dat hij dat gewend is en gewoon vindt. Rome is tuk op mensenmassa’s. Hier werken prikkels. Er bestaat een type massamens die pelgrimeert van prikkel naar prikkel. Dit fenomeen wil ik nog eens wat scherper onder de loep nemen aan de hand van een bepaalde bijbelinterpretatie. Het betreft de intocht van Jezus in Jeruzalem, Mc 11, 8-11. “Veel mensen spreidden hun mantels uit op de weg en anderen legden groene takken neer die ze in de velden hadden afgesneden. En de mensen die voor Jezus uit liepen en die achter hem aan gingen, riepen uit: Hosanna! Zegen rust op hem die komt in de naam van de Heer, zegen rust op het koninkrijk dat komt, op het koninkrijk van onze voorvader David! Hosanna voor God in den hoge!” Een schitterend, aanstekelijk schouwspel: als je het leest, dan huppel en zwaai je zó mee, sequela Jesu! Het betreft hier een sociaal-psychologisch fenomeen van de hoogste orde. De wave! Het scanderen! Het enthousiasme! Opgaan in de massa. Wat mij opvalt is dat ik welhaast elk jaar in de Goede Week te horen krijg, dat de menigte onbetrouwbaar is: “Vandaag ‘hosanna’, morgen ‘kruisig hem!’” Maar volgens mij is dat laatste een verkeerde inschatting van wat er werkelijk gebeurt. Het enthousiasme is eerlijk, echt, óndubbelzinnig en de suggestie dat het dezelfde mensen zijn die op Goede Vrijdag “Kruisig hem!” roepen verwerp ik. Die interpretatie is een consequentie van het idee dat zegt dat ‘de Joden’ collectief schuldig zijn aan deze onrechtvaardige straf. Het zit anders in elkaar: de massa wil getroost worden voor het lijden dat zij zélf ondergaat: de verveling, de sleur, de uitzichtloosheid en vooral de anonimiteit. Het leger van grijze muizen drijft daarom op de passieve beeldvorming rond de held, de kampioen, de redder. Met ‘passieve beeldvorming’ bedoel ik: een directe, onmiddellijke beeldvorming die de massa overkómt, die louter een gevolg is van een massapsychose. Elke reflectie is daarin afwezig. De massa doet niets, ondergaat alleen iets. Een reflex. Het ‘Hosanna’ (= red ons!) heeft een dubbele bodem. Het beroep op David is een holle fraze, een yell. Niemand verwacht echt een nieuwe David. De échte redding die gewenst wordt heeft betrekking op de anonimiteit. En dat ‘móet’ in de vorm van massificatie: mensen die elkaar niet kennen en ook niet willen kennen, die niets van zichzelf en ook niets van anderen verwachten, ‘klonteren’ aan elkaar, op de drift van de passieve beeldvorming. Hier moet ik het woord ‘men’ invoeren: ‘men’ levert zich uit aan de held, de redder, want er is geen enkele ‘ik’ in die ‘men’, die bereid is om van rol te wisselen. De rollen staan vast: Jezus is de Redder, ‘ik’ dus niet, want ik ben zelfs geen ‘ik’. Híj moet het doen. De passieve beeldvorming leidt tot een uitzinnige reactie. ‘Men’ gaat uit zijn dak, ‘men’ omarmt het beeld en hecht zich eraan. De massa weet het zeker: de Romeinen zijn schoften, de tollenaars zondaars en de Sadduceeën verraders. Alleen Jezus deugt. Maar er is geen middenkader, geen bemiddeling, geen nuances. Jezus moet het opnemen tegen de Romeinen, de tollenaars en de Sadduceeën, in zijn eentje. Als hij in de tempel de tafeltjes met geld omver kegelt, dan begint hij daar mee. Hij speelt het klaar, dat zul je zien, hij alléén, hij gaat het ‘waarmaken’. De massa zelf is uiteraard ook geen kader en geen bemiddeling, zij kijkt toe, geniet van het toekijken, zij wil Jezus zien winnen, want dan overwint ‘het goede’. Nuancering kent de massa niet, want nuancering staat gelijk met verwarring. Het beeld is helder. Als het ingewikkeld wordt, dan haakt de massa af. De dingen moeten onmiddellijk, recht toe, recht aan, begrepen kunnen worden én zekerheid verschaffen. “Hosanna! Red ons uit de afgrond van de naamloosheid! Jezus, zorg ervoor dat mijn ‘ik’ iets gaat betekenen! Trek me weg uit de leegloperij!” Ik zie hier een parallel met het fenomeen ‘bekende Nederlanders’ in mijn land. Het gaat er niet zozeer om wat die ‘bekende Nederlanders’ doen, áls ze maar iets ‘doen’. Want zij zíjn Iemand. Ze moeten kleur brengen in het grauwe, zinloze bestaan van mensen die ‘niemand’ zijn. Maar het moet wel positief zijn. Als de held het laat afweten is de reactie niet hoon, maar schaamte en stilzwijgen. Op naar de volgende kandidaat. De hosannaroepers van Palmzondag zijn dan ook de grote groep afwezigen op Goede Vrijdag. Op Goede vrijdag is het de dag van de veel kleinere groep van machtigen: de Sadduceeën, de leden van het Sanhedrin. Het volk is daar juist afwezig. Zó onbetrouwbaar is het volk niet. Ook de Duitsers die op de NSDAP stemden, waren brave, deugdzame mensen. Dat is juist het rampzalige. Na de oorlog waren ze nergens meer. Dát is depersonalisatie. Het woord ‘rampzalig’ zegt het eigenlijk al: mensen vinden het meemaken van rampen záálig. Dan gebeurt er tenminste iets. Om op het evangelie terug te komen: het zijn de Emmausgangers, de verdoolden, die de massa representeren. Zij waren ‘erbij’ op Palmzondag. Nu verdwijnen ze in de mist, in de duisternis. Het zijn schimmen, schaduwen van zichzelf, levende doden. Gedepersonaliseerd. Er nog érger aan toe dan eerst. Van de regen in de drup. Leeglopers. Deze lange inleiding heb ik nodig om helder te krijgen dat je alleen een pleidooi mag en moet houden voor individualisering, want dat is de weg die de persoon moet gaan om méns te worden. Ik gebruik hier met opzet drie woorden: individualisering, persoon en mens. Het is jammer dat een goede schrijver als Dirk Verhofstadt hardnekkig vasthoudt aan de term ‘individualisme’, terwijl ook hij ‘individualisering’ bedoelt. (1) Daarmee vertroebelt hij de discussie. Individualisering is geen doel, maar middel. Het individu mag niet tot koning gekroond worden. Hij moet zelfstandig worden, volwassen worden, zichzelf worden, maar niet autonoom. Palmzondag mag zich nooit meer herhalen. Individualisme is wel degelijk een barricade: het individu weigert mens te worden en blijft halverwege dat proces stokken, waardoor hij/zij ook anderen verhindert mens te worden. Hij valt ten prooi aan willekeur. Jan Jans, wijsgerig antropoloog, zegt – zelf Louis Janssens citerend – dan ook terecht, ik citeer dus beiden: “Inzicht in de wezenlijke betrokkenheid van mensen op elkaar maakt duidelijk hoe het personalisme geenszins enige vorm van individualisme kan worden aangemeten” (2) En die betrokkenheid vindt geen fundament in de cartesiaanse autoriteit van het individu met zijn ‘zelfredzaamheid’ en ‘zelfbeschikking’, maar op de participatie, ergo: de communicatie van mensen in gemeenschappelijk verband: samenlevingsvorm, school, kerk, bedrijf, club, vereniging. Maar ook de term ‘personalisme’ kan te lijden hebben van erosie, zo blijkt verder uit het artikel van Jan Jans, getiteld ‘Personalisme, over de fundering van een verantwoordelijkheidsethiek’, als hij laat zien dat het personalisme van paus Johannes-Paulus II steunt op het neo-thomisme, dat exclusief verbonden wordt met de christelijke leer van de Roomse kerk, een gesloten circuit. Te massaal, te weinig gemeenschap, want een echte gemeenschap staat in een kritisch-open verbinding met aan de ene kant het armzalige individu en aan de andere kant de nog hopelozere maatschappij. Een gemeenschap is een bufferzone, een pleisterplaats, een open deur, een herberg. Zo heeft ook het echte personalisme een open einde: het is een proces van samen-op-weg-gaan. Personalisme is een algemeen wijsgerig-antropologische categorie en heeft derhalve in eerste instantie het christendom helemaal niet nodig. Hoe fnuikend het pauselijk private personalisme uitpakte bleek in Latijns-Amerika, waar sprake was van een akelig misverstand tussen hem en de bevrijdingstheologen. Ongetwijfeld had de paus gelijk dat het personalisme niet kan samengaan met een ideologie als het Marxisme, met geen enkele ideologie, maar de Latijns-Amerikaanse katholieke kerk wilde in haar context het Marxisme slechts tijdelijk bezigen om de gelovigen duidelijk te maken dat zij aan de gesel van het grootgrondbezit konden ontsnappen. Het was een weg, een middel, géén doel. Bij de paus sloegen echter alle stoppen door en hij bestreed de Sandinisten te vuur en te zwaard, inclusief de priester Cardenal, die zijn project niet mocht afmaken. Het is jammer dat de Latijns-Amerikaanse theologen en pastores geen andere weg hebben gekozen: de weg van het personalisme, dat ik ook graag een ‘tool’ noem, een stuk gereedschap waarmee de mens toekomt aan zijn verantwoordelijkheid, die hij/zij niet néémt – zoals ik zo vaak hoor en lees – maar ontvángt bij wijze van cadeau en opdracht, een hemels geschenk. Een andere Belg, bij wie ik mijn licht opsteek, is Jacques Claes. (3) In zijn boekje ‘Homo sapiens of homo paradoxalis?’ lees ik: “De wortel van de tegenstrijdigheid ligt mede in het bizarre feit dat de mens een wezen is dat, naar voltooiing snakkend, weet dat het in die voltooiing strandt en sterft.” (blz. 11) en “Paradoxaal, en niet in geringe mate, is dat de hedendaagse mens de ervaring te dragen krijgt dat hij, precies in de steeds minutieuzere doorlichting van psyche en gedrag, stuit op krachten waar hij niet mee rond raakt.” (blz. 34) Kijk, denk ik dan, dat is nog eens een ander geluid dan dat van de “’deés claires et distinctes’. Dan was Pascal toch al een heel stuk verder met zijn ‘idées derrière la tête’. Had iedereen destijds maar naar hém geluisterd! Claes geeft de armzaligheid van het individu in mijn visie aardig weer. Het is dus maar goed dat de mens wezenlijk een gemeenschapswezen is en dat het begrip ‘persoon’ niet eenzijdig berust bij het individu, noch eenzijdig bij de gemeenschap - die hij/zij overigens niet zozeer kiest, maar eerder ontvangt -, maar precies in de eeuwige interactie én spanning tussen de persoon én de gemeenschap in hun beider, gezamenlijke project: mens worden tussen, mét, vóór en áán mensen, van wie ik als individu mijn identiteit ontvang, waardoor ik kan ontkomen aan de passieve beeldvorming, aan de óngeest, die van de massa uitgaat. Zo ontkwam Jezus uiteindelijk aan de valse beeldvorming rond zijn persoon, toen de leerlingen de geest ontvingen en zich met elkaar áántroffen in een gemeenschap rond de Heer. Tóen pas kon de beeldvorming weer gaan stromen. De gemeenschap is juist het unieke medium, de sluis, de baarmoeder, het geboortekanaal, dat mij bevrijdt en verlost van mijn door anderen geleverde beeldvorming en mij uitnodigt een unieke creatieve bijdrage te leveren aan het project dat ‘mensheid in verleden, heden en toekomst‘ heet. In hetzelfde boekje lees ik helemaal achteraan: “Gezag is de niet ophoudende strijd om de echte woorden. Om woorden die iets zeggen. Dat zijn woorden die te maken hebben met de grond. Of, zo je wil, met het leven”. (blz. 77) Het gaat er met andere woorden wel degelijk om de waarheid omtrent de mens in heldere bewoordingen weer te geven, maar alleen nadat de onvervalste ervaring wortel heeft kunnen schieten in de interactie tussen individu en gemeenschap: een moment van wederzijdse erkenning en herkenning. Het gevecht om de vrijmaking van het individu is té belangrijk om er misverstanden over te laten bestaan. Het is een kwestie van zijn of niet-zijn. Jammer dus van de titel van dat boekje: Pleidooi voor het individualisme. (1) Waarom niet gewoon een pleidooi voor de individuele persoon? Mijn argwaan werd al meteen gewekt bij de openingszin van het boekje: “Burka’s zijn private gevangenissen”. Mét de suggestie dat vrouwen in burka’s deel uitmaken van een gemeenschap en dat zij dús gehinderd worden in hun persoon-zijn. Nee, het is anders: vrouwen in burka’s zijn slachtoffers van een wereldwijd verbreide pestilentie: de massificatie, de depersonalisatie. Dat idee van gevangenissen is dus goed: een gemeenschap die zijn leden in gevangenissen onderbrengt is een pseudo-gemeenschap. Maar laten we elkaar niet teveel afkatten, zo is dan míjn pleidooi: liever de handen ineen slaan. Het gaat om de bevrijding van het individu, dus om personalisatie. Mijn voorlopige conclusie: Het individualisme laat het individu juist in de woestijn van zijn eigen ‘ik’ staan, ook als dat ‘ik’ zich zogezegd inzet voor de verworpenen der aarde. Een dergelijk pleidooi legt het primaat bij een louter theoretisch paradigma omtrent ‘de menselijke persoon’, in plaats van allereerst te zien naar de context waarin mensen moeten zien mens te worden, bijvoorbeeld in een krottenwijk, een gevangenis, een vuilnisbelt. Bovendien komt op die manier het zwaartepunt te liggen in de discussie zelf, in plaats van in de vaak weerbarstige realiteit van de wereldsamenleving. Overigens vind ik de term ‘pleidooi’ wel passen in een academische context, want gezien het belang dat hier op het spel staat is het hanteren van een ‘rechtsgeding’ een te clean en te soft middel, vind ik, om tot klaarheid te komen aangaande het cruciale belang van het menselijk individu, althans daadwerkelijk in deze kwestie te ‘scoren’. Hier moet ‘geknokt’ worden: tégen de massificatie, vóór het individu en zijn gemeenschap! Waar het op aankomt is, dat ik mijn engagement zodanig opvat, dat het álle mensen betreft in verleden, heden en toekomst, zonder onderscheid, aan wie ik verantwoording schuldig ben en die mij mógen en móeten oproepen en opdragen om mens te zijn met hén, in plaats van mij te wentelen in het beeld dat ik van hen vorm, en zelfs wíl vormen. Dank zij de gemeenschap kan ik mijn illusies ontmaskeren als eigenwaan. Daarom hoef ‘ik’ niet naar Rome. Ik hoef zelfs de uitvaart van de paus op de TV niet mee te maken. Bovendien vraagt het personalisme een attitude van deemoed, waarin ik de ander smeek om mens voor mij te zijn, omdat ik niet zónder hem/haar kan leven, een bede waarin mijn zelfstandigheid als mens juist concreet wordt in plaats van wishful-thinking. Ter gedachtenis aan mijn broeder Johannes-Paulus II
Frans Vermeulen Frans Vermeulen Linksmailto:fdvermeulen@home.nl |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|