‘Wat is de aap voor de mensen? Iets belachelijk of een voorwerp van pijnlijke schaamte. En dat is precies wat de mens voor de supermens zal zijn: iets belachelijk of een voorwerp van pijnlijke schaamte. Jullie hebben de weg afgelegd van worm tot mens en veel in jullie is nog worm. Eens waren jullie apen en ook nu nog is de mens meer een aap dan willekeurig welke aap.’ De ‘filosoof met de hamer’, Friedrich Nietzsche, wist het in de 19de eeuw reeds treffend te verwoorden. De ontwikkelingen binnen de biotechnologie zullen quasi zeker een onuitputtelijke waaier aan mogelijkheden scheppen voor ieder van ons. Denken we maar aan het bestrijden van ongeneeslijke aandoeningen en het verlengen van het leven. Niettemin moeten we ons afvragen wat die ontwikkelingen nu precies zullen betekenen. Hebben we criteria nodig om te beoordelen welke ontwikkelingen toelaatbaar zijn en welke eerder gevaarlijk? Slechts een zaak staat vast, als liberalen mogen we die essentiële discussie nooit ontwijken en is het onze taak mogelijke antwoorden te formuleren. Niemand kan het ontkennen; we leven in een onvoorstelbaar interessant en fascinerend tijdperk. In de vorige eeuw hebben fysici zowel de werking van de quarks, als van de gehele kosmos, grotendeels kunnen doorgronden. De gevolgen van die explosie aan kennis zijn merkbaar in ieders leven. Auto’s, vliegtuigen, internet en kernenergie zijn maar enkele van de vele toepassingen die hun bestaan ontlenen aan de ontwikkelingen binnen de natuurwetenschap. Life Sciences De laatste decennia is het zwaartepunt komen te liggen bij de Life Sciences, waaronder vooral de geneeskunde en de moleculaire biologie. De ontdekking van de dubbele helix-structuur door Watson en Crick in de jaren 50 leidde in het begin van het nieuwe millennium tot de voltooiing van het Menselijk Genoom project. De verwachtingen en de hoop die deze evoluties hebben geschapen staan in scherp contrast met het groeiend wantrouwen ten opzichte van de biotechnologie in het algemeen. Een summier overzicht van de mogelijkheden en ethische vragen die de biotechnologie in de toekomst zal voortbrengen is hier wel op zijn plaats. Meest courant wordt biotechnologie omschreven als het technisch aanwenden van kennis en middelen uit de biologie om menselijke noden te bevredigen. Op die manier gedefinieerd is biotechnologie zeker geen recent gegeven en kunnen we een klassieke en moderne tak onderscheiden. De eerste bestaat al sinds mensenheugenis en ging van start met de neolithische revolutie. Groepen van jagers en verzamelaars werden sedentair en schakelden over voor hun overleven op landbouw en veeteelt. Via kunstmatige selectie, het selectief voortbrengen van organismen, werden zowel dieren als planten ingezet om aan de behoeften van een steeds groeiende menselijke populatie te voldoen. Mijns inziens doorprikt dit -toch wat de traditionele biotechnologie betreft- het argument van vele milieufundamentalisten die ons wijzen op het ‘onnatuurlijke’ van biotechnologie en vooruitgang in het algemeen. Innovatie en dus ook kunstmatige selectie is typisch menselijk en dit ontkennen komt feitelijk neer op een manifest antihumanistische levenshouding. De hedendaagse biotechnologie bestrijkt echter diverse terreinen en brengt, zeker op ethisch vlak, veel complexere vragen met zich mee. In het verlengde van het voorafgaande is het zeker noodzakelijk de ontwikkelingen op agricultureel vlak te bespreken. Het genetisch modificeren van gewassen is al jaren omstreden. In tegenstelling tot de traditionele biotechnologie, waar enkel organismen werden gekruist(kunstmatige selectie), worden nu ook genen toegevoegd om gewassen meer resistent te maken tegen ziekten of worden micro-organismen ‘geüpgraded’ om bodems te zuiveren. Op die manier ontstaan zogenaamde ‘transgene’ organismen, die hypothetisch gezien enkel binnen een paar generaties kunnen gekweekt worden. De tegenstanders van genetisch gemanipuleerd voedsel brengen verschillende argumenten naar voor. Modificeren van planten zou tegennatuurlijk zijn. Deze religieus geďnspireerde afkeer voor genetisch veranderd voedsel is duidelijk niet ingegeven door enige ratio, maar gebaseerd op zogenaamde ‘gut feelings’, spijtig genoeg gedragen door grote delen van de bevolking. Deze niet-beargumenteerde aversie voor genetisch gemanipuleerd voedsel lijkt mij niet overtuigend. Zoals hierboven al vermeld heeft de mens enkel door het ‘natuurlijke’-wat dit ook moge zijn- te bestrijden , de beschaving opgebouwd. Sommigen gooien het over een andere boeg en gebruiken een meer concrete ecologische rechtvaardiging voor hun wantrouwen. De gevolgen van het produceren van transgene organismen zijn onvoorspelbaar. De schade voor de biodiversiteit kan volgens hen onherroepelijk zijn. Deze verheerlijking van het ‘natuurlijke’ is bijzonder verwerpelijk. De mens, motor van alle kennis en wetenschap, is niet het probleem maar de oplossing. Met open vizier moeten we de uitdagingen van morgen aangaan, zonder schrik, zonder angst. Het a priori afwijzen van genetisch gemanipuleerd voedsel kan bovendien in de toekomst voor echte ecologische problemen zorgen. De traditionele landbouw is enorm belastend voor het milieu en is bovendien niet in staat het hongersnoodprobleem adequaat op te lossen. Biotechnologische toepassingen in de voedingsindustrie kunnen zeker ook hier het begin van een uitweg betekenen voor beide problemen. Een ander kwestie, nadrukkelijk aangehaald door andersglobalisten, is het effect van gemodificeerd voedsel op de wereldhandel. Door het patenteren van bijvoorbeeld een techniek om goedkopere zoetstoffen te produceren zouden suikerboeren uit het Zuiden de mogelijkheid ontzegd worden om hun suiker op de markt te brengen. Deze bemerking is zeker niet onterecht. Wij, liberalen, dienen ons wel degelijk bewust te zijn van deze problematiek. Te lang patenteren, wat de gemaakte en toekomstige kosten voor Research & Development niet meer rechtvaardigt, impliceert een monopolie en een verstoring van de vrije markt. Toch mogen de zogenaamde andere distorsies van de markt niet over het hoofd gezien worden. De schandelijke landbouwsubsidies en importtarieven dienen ook zo snel mogelijk te verdwijnen. Tegelijkertijd is transparantie nodig in de wijze waarop bedrijven patenten verwerven en productieprocessen uitbouwen. Onderwijs, kennis en wetenschap kunnen hier een sleutelrol spelen. Om een echte speler op een geliberaliseerde wereldmarkt te worden moet ook iedereen in het Zuiden toegang krijgen tot de noodzakelijke kennis. De moderne biotechnologie heeft, naast toepassingen in de landbouw en veeteelt, een resem mogelijke toepassingen die ons op ethisch vlak pas echt zullen uitdagen. In de 20ste eeuw is de medische wetenschap er in geslaagd levensverwachting substantieel te verhogen. Het einde is nog lang niet in zicht. De geneeskunde, gedreven door de gerontologie of de studie van de verouderingsprocessen, is volgens prognoses in staat de levensduur van de mens nog te verlengen. Waar de grens juist ligt is voer voor speculatie, toch kunnen we stellen dat in de nabije toekomst de stijging van de gemiddelde leeftijd een serieuze impact zal hebben op onze maatschappij. Ofschoon volgens mij, de optimalisering van de geneeskunde en de daarmee gepaard gaande vergrijzing al te vaak als problematisch wordt ervaren, kunnen ook hier weer enkele ethische kanttekeningen worden gemaakt. Een bijzonder effect van de verouderende bevolking, zeker in het Westen, wordt de toenemende vervrouwelijking van de samenleving en de invloed daarvan op de politiek in het algemeen. Deze sociologische verschuiving zal het gevolg zijn van een steeds groter wordende groep bejaarden die uit meer vrouwen zullen bestaan, aangezien vrouwen statistisch gezien langer leven. Indien die demografische macht zich ook politiek veruitwendigt, kan dit de samenleving grondig wijzigen. Het gebruik van geweld en de steun aan, vaak schandelijke, oorlogen zal waarschijnlijk zienderogen slinken. Op het wereldtoneel zou de politieke lijn in het Noorden wel eens kunnen uitgezet worden door oudere gematigde vrouwen en in het zuiden, zoals Thomas Friedman ze bestempelt, door boze jonge mannen. De 9\11 aanslagen kunnen volgens sommigen in deze dan ook als een prelude gelden. Het kan niet de bedoeling zijn dat een overheid zich inlaat met welke demografische politiek dan ook, evenwel moeten we ons individueel afvragen of het blijven verlengen van het menselijk leven wel zo wenselijk is. Denken we maar aan de natuurlijke afwisseling van generaties en het verenigen van levenskwantiteit en levenskwaliteit. De hierboven geschetste ontwikkelingen zijn echter klein bier vergeleken met de evoluties die op til zijn in de humane gentechnologie. De vroegtijdige voltooiing van het Menselijk Genoom Project zal in de nabije toekomst talrijke toepassingen voortbrengen. Eerst en vooral is noodzakelijk de problematiek van de genetische causaliteit aan te raken. Zonder in een zuivere nature vs nurture polemiek te willen verzanden, lijkt het mij duidelijk dat de genen(naast de omgeving) een niet geringe invloed uitoefenen op het gedrag, de professionele prestaties en andere parameters binnen iemands leven. De wetenschap slaagt er tegenwoordig al in de genetische oorzaak van bepaalde erfelijke aandoeningen te ontdekken. Een complete genetische staalkaart van een mens is niet meer zo utopisch. In een niet zo verre toekomst is het niet onredelijk te denken dat wetenschappers een correlatie vinden tussen een specifiek gen en de aanleg voor bijvoorbeeld crimineel gedrag. Indien die kennis, zowel voor erfelijke aandoeningen als voor gedrag, werkelijkheid wordt, komen het recht op privacy, persoonlijke integriteit en andere hoekstenen van de rechtsstaat, dan niet op de helling te staan? Als liberalen moeten we zeker op ons hoede zijn voor Minority Report- taferelen waarbij alle genetische informatie gemonopoliseerd wordt door een te ijverige staat. Nog ingrijpender is de tweede evolutie. De mogelijkheid om in te grijpen in het genenmateriaal van de mens zelf. Genetische modificatie wordt nu al aangewend bij dieren. In de professionele sportwereld zou men al gebruik maken van de weldaden van gentherapie. In het licht van de hedendaagse ontwikkelingen is de zogenaamde ‘designerbaby’, waarbij ouders haarkleur, lengte en intelligentie van hun nakomelingen bepalen, niet langer ondenkbaar. Ook reproductief klonen van mensen zou binnen de mogelijkheden van de wetenschap liggen. De ontwikkelingen die het verst voor ons liggen zullen ontegensprekelijk de meest verregaande consequenties met zich meebrengen. Hier is een diepgaand debat absoluut noodzakelijk. Waar trekken we de lijn? Komt het spookbeeld van de eugenetica, maar dan op individuele lijst geschoeid, niet weer wat dichter bij? Deze problematiek moeten we vanuit een tweezijdig perspectief benaderen. Een toepassing in de humane gentechnologie kan vanuit economisch, of utilitair perspectief worden geďnterpreteerd. Wegen de voordelen van een bepaalde gentherapeutische toepassing op tegen de mogelijke nadelen? Auteurs als Virginia Postrel bepleiten een volledige laissez-faire-positie. We kunnen er volgens hen van uitgaan dat ouders, hun kinderen geen schade willen berokkenen maar juist hun geluk willen maximaliseren. Ongewenste gevolgen zijn dus niet mogelijk en interventie van eender welke autoriteit is logischerwijs uit den boze. Deze optimistische visie gaat mogelijk voorbij aan een economisch beginsel, te weten het bestaan van ‘negatieve externaliteiten’, oftewel kosten die gedragen worden door derden(in deze het kind of de maatschappij)die niet betrokken zijn bij de transactie. Het geval waarbij een koppel van twee dove vrouwen liefst ook een doof kind- via kunstmatige inseminatie- op de wereld wilden zetten is slechts een van de mogelijke illustraties. De onbeperkte vrijheid van de ouders kan hier op een funeste wijze in conflict komen met de vrijheid van het kind. Sommigen pleiten dan ook voor een bepaalde mate van overheidsinterventie om deze negatieve externe effecten te neutraliseren. Nochtans mogen we ook hier een mogelijk overheidsfalen niet over het hoofd zien. Tevens is via wetgeving alle mogelijke ongewenste gevolgen verbieden, niet haalbaar. De vraag wordt door sommigen ook gesteld of bepaalde toepassingen van de humane gentechnologie het oorspronkelijke doel van de medische wetenschap, namelijk genezen, niet voorbijgaan. Moet er geen fundamenteel onderscheid worden gemaakt tussen therapie en verbetering, waarbij we alert moeten zijn voor de mogelijke consequenties van het onbeteugeld verbeteren van de menselijke genen. Dit brengt ons naadloos bij de tweede en wellicht belangrijkste overweging. Wat gebeurt er met individuele verantwoordelijkheid in een samenleving, waar alles genetisch modificeerbaar wordt? Creëren we niet opnieuw een klassensamenleving als sommigen er in slagen zich genetisch te ‘upgraden’ en anderen niet bij machte zijn dit te doen? En bovenal zal de biotechnologie uiteindelijk niet leiden tot het verlies van onze menselijkheid, als onze meest gekoesterde eigenschap? Vooruitgang is waardevol, maar toch mag de ontkiemende biotechnologische revolutie nooit of te nimmer de weg bereiden voor een samenleving waar de menselijke waardigheid wordt gefnuikt, namelijk een posthumane samenleving. De gelijkwaardigheid van elk individu, en de daarop geënte politieke rechten die het eenieder mogelijk maken in een zo groot mogelijke vrijheid te leven, vormen de basis van het liberalisme. Vele biotechnologische toepassingen zullen ons ongetwijfeld vooruithelpen in de toekomst. Desalniettemin zullen we elke facet van de humane gentechnologie afzonderlijk moeten beoordelen op zijn merites en erover waken dat de grens van de menselijke natuur niet wordt overschreden. Ik verkies een humane samenleving.
Patrice Viaene Patrice Viaene Linksmailto:patrice@lvsv.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|