Het gevaar van economisch nationalisme

essay vrijdag 13 februari 2009

Patrice Viaene

Als, zoals Thucydides zei, geschiedenis kan gedefinieerd worden als ‘de filosofie van het leren uit historische voorbeelden en precedenten’, dan toont de ganse politieke klasse vandaag haar onkunde om te leren. Dat apathisch nietsdoen momenteel geen optie is in de huidige financiële en economische malaise, kan niemand ontkennen. Desalniettemin zijn de beleidsdaden en de maatregelen die nu toch worden genomen cruciaal op langere termijn. Teruggaan in de geschiedenis en een beknopte analyse maken van belangrijke precedenten kan dus geen kwaad om te wijzen op de noodlottige gevolgen van een keuze voor het economisch nationalisme.

Toen in 1930 Willis Hawley, een congreslid uit Oregon, en Reed Smoot, een senator afkomstig van Utah, hun befaamde tariefwet lanceerden, waren vele economen het oneens over de ware oorzaken van de ‘Depressie’, de toenmalige zware economische recessie van de jaren dertig. Of de wetgeving van deze twee heren van stand ook de oorzaak was van de Depressie, is stof voor een doctoraat aan de faculteit economie. Nu kunnen we evenwel, terugkijkend in de geschiedenis, vaststellen dat de gekozen oplossing van tariefverhogingen funest was voor de wereldhandel en de wereldwijde welvaart. Het plan, oorspronkelijk bedoeld om de Amerikaanse werkgelegenheid te vrijwaren, leidde intern tot een ineenstorting van de export -en importmarkten (vooral inzake grondstoffen) en de aandelenmarkten, en extern tot een internationale tarievenoorlog.

Toch kwam de wet er niet zonder slag of stoot. In de jaren twintig botsten landbouwondersteunende maatregelen steeds op het veto van de republikeinse president Coolidge. Dit veranderde echter met de komst van de nieuwe president Hoover, eveneens een republikein. Hij weigerde om, ondanks een petitie van meer dan duizend economen tegen de protectionistische wet, zijn grondwettelijk veto te gebruiken. Het belangrijkste pragmatische bezwaar van de academici bestond erin dat de Verenigde Staten in die tijd een belangrijke rol speelden als crediteur voor andere landen. De onmogelijkheid voor andere staten om hun producten op de Amerikaanse markt te verkopen, wegens de enorme heffingen, resulteerde uiteindelijk in hun insolvabiliteit zodat ze meteen ook hun schulden niet langer konden terug betalen.

De rechtstreekse economische gevolgen waren zeer snel merkbaar. Zo verminderde het BNP van de States drastisch en begon een periode van deflatie. Daarenboven hadden deze economische maatregelen, zoals steeds het geval is, ook politieke consequenties. De Volkenbond, waarvan op dat moment de Verenigde Staten geen deel uitmaakte, viel uiteen in verschillende kampen. Een handelsoorlog verhinderde bijgevolg het economisch herstel, waardoor de diepe crisis onnodig lang aansleepte.

Het is bijzonder ironisch om vast te stellen dat de Amerikaanse democraten, zeventig jaar geleden nochtans fervente voorstanders van vrijhandel, in de huidige economische crisis het protectionistisch vuur opnieuw aanwakkeren. Ondanks de keuze voor concurrentie, globalisering en een open wereldhandel na de Tweede Wereldoorlog, belichaamd door de Wereldhandelsorganisatie, zien we andermaal opstoten van bekrompen en angstig economisch nationalisme. Dat er lacunes zijn in de regels, opgesteld door het grootste wereldwijde orgaan op handelsvlak, is overduidelijk. Tarieven kunnen nog steeds worden verhoogd, antidumpingmaatregelen blijven bestaan. Zonder nog maar te spreken over het schandelijke wereldwijde landbouwbeleid.

De echo van het protectionisme klinkt in deze donkere economische tijden echter nog luider. De nieuwe Amerikaanse president en het Amerikaans Congres kwamen op de proppen met hun ‘stimulus’-pakket van 800 miljard dollar, waarbij benevens broodnodige lastenverlagingen, tevens een ‘Buy American’-clausule inzit. Voor de, sowieso reeds bedenkelijke Keynesiaanse openbare werken, moet namelijk in een zo groot mogelijke mate Amerikaans materiaal worden gebruikt. Een amendement van senator McCain om de bepaling volledig te schrappen ving bot. Wel werd de oorspronkelijke clausule afgezwakt in de Senaat en in overeenstemming gebracht met de bestaande handelsakkoorden met Canada en de Europese Unie. Het is echter de vraag of deze lichte koerswijziging lang stand zal houden.

Daarnaast is de roep om overheidshulp natuurlijk het sterkst in de financiële wereld. Maar het opbod aan bail-outs begint nu ook reeds de reële economie te teisteren. Denken we maar aan de vraag van de Amerikaanse autoconstructeurs en de kniebuiging van de Vlaamse regering voor sommige multinationals. Deze evolutie is zonder meer schrijnend te noemen. Niet de meest innovatieve, rendabele of efficiënte economische actoren worden beloond, maar de beste ‘rent-seekers’ in goede oude public choice-traditie. Rent-seeken, of het proces waarbij ondernemingen en belangengroepen dingen naar de gunst van de overheid en niet van de consument is rampzalig voor een echte vrije markt en de eerlijke mededinging. Op lange termijn zullen we, de Smoot-Hawley-historie indachtig, te maken krijgen met een verlaagde welvaartsgroei en een gevaarlijke deflatie.

Nochtans is de reactie van vele beleidsmakers menselijk en enigszins te begrijpen. De doordeweekse politicus kijkt immers spijtig genoeg niet verder dan de volgende verkiezing en verdedigt meestal slechts een klein territoriaal belang. Juist om deze redenen is een globaal gecoördineerd optreden op wereldvlak noodzakelijk. Verschillende wegen moeten worden bewandeld. Primair moet de laatste stap in de Doha-ronde eindelijk worden geconcretiseerd en dient de Wereldhandelsorganisatie stringenter op te treden bij concurrentievervalsing. Dit vereist op Europees vlak een constructief mandaat voor de Europese commissaris en op wereldvlak meer transparantie inzake handelsbarrières. Ten tweede dient in het verlengde hiervan gekozen te worden voor een nieuwe coherente aanpak van de crisis door het IMF. Zo mag kredietverschaffing internationaal niet discriminatoir zijn en moet elke staat expliciet het economisch nationalisme afzweren. Als laatste maatregel moet uiteraard geopteerd worden voor de stimulering van de vraag om de recessie om te keren. Dit gebeurt beter niet met arbitraire tegemoetkomingen en artificiële bouwwerken maar met een eenvoudige lastenverlaging, gekoppeld aan een ontvetting van de staat.

Het toverwoord in dit alles is ‘moed’. Moed bij een politicus om ten gronde te veranderen en in te gaan tegen de economische waan van de dag. Globalisering zorgt immers voor specialisatie, betere allocatie van productiefactoren en wereldwijde welvaart. Naast deze puur economische argumenten is mijns inziens het ethische motief achter de liberalisering van markten en de mondialisering van de economie doorslaggevend. Globalisering verplicht ieder van ons namelijk om over de grenzen samen te werken en ons eigen provincialistisch perspectief te verlaten. Op deze manier bewaren we de vrede en de veiligheid en geven we eenieder de kans om in vrijheid zijn leven te leiden. Niet leren uit de geschiedenis en je principes verloochenen is kiezen voor de angst en de onvrijheid. Echte liberalen kiezen voor de toekomst, zonder de lessen uit de geschiedenis en hun principes te vergeten.


De auteur is voorzitter van LVSV-Gent en politiek secretaris van LVSV-Nationaal

Patrice Viaene

Patrice Viaene

Links
mailto:patriceviaene@gmail.com
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be