|
Na een hobbelige marathon zijn de onderhandelingen van de Europese Unie met Turkije dan toch gestart. Onderhandelingen, die op een dag zullen leiden tot Turks lidmaatschap van de Unie. Echt van harte is het niet. Wie luistert naar wat er in de hoofdsteden wordt gezegd, hoort dat het van moeten is. Er werd de Turken in het verleden veel beloofd en dat heeft nu zijn consequenties. In de diplomatie kan men zich niet aan een toezegging onttrekken zonder dat dit tot conflicten en miserie leidt. We beginnen te onderhandelen omdat het niet netjes zou zijn om ons woord te breken of omdat we ons nog meer ellende op de hals halen als we het niet zouden doen. Bij de Britten en misschien de Italianen is er een sprankeltje enthousiasme, maar de andere lidstaten zijn in het beste geval koele minnaars van gesprekken met Turkije. In landen als Frankrijk en Oostenrijk zit die koelheid rond het vriespunt. Grote delen van de bevolking zien Turkije liever niet in de Unie. Er is schrik dat de Turken onze banen zullen afpakken, er is angst voor de onbegrepen islam, er is ook onvrede over een falend migratiebeleid in nogal wat grote steden. In het debat lopen deze en andere zorgen door elkaar, waarbij vele tegenstanders uiteindelijk menen vast te stellen dat een Europese Unie mét Turkije niet Europees meer zal zijn. Giscard d’Estaing, de gewezen Franse president die veel aanzien geniet in Europese kringen, heeft het met die woorden gezegd en het wordt door velen herhaald. Maar wat is dat dan, die fameuze ‘Europese identiteit’ die, met de Turken erbij, bezoedeld dreigt te raken? Het is vandaag ook om een andere reden een interessante vraag: sinds de negatieve referenda over de Europese grondwet, weet Europa met zichzelf geen raad. Zonder snel akkoord over het budget, loopt de uitbreiding naar het Oosten in het honderd. Geen enkele politicus lijkt het leiderschap te hebben om de trein weer op de rails te zetten. En de Commissie houdt zich gemakshalve bezig met het schrappen van wetten, in plaats van met het uitwerken van regels om nieuwe uitdagingen aan te pakken. Officieel heet het dat we ons in een ‘reflectieperiode’ bevinden. Een eufemisme voor ‘existentiële crisis’. Het hanteren van verbloemend taalgebruik zou alvast een eerste kenmerk kunnen zijn van die Europese identiteit. In elk geval, op dit soort momenten is het niet slecht om eens na te denken over de vraag wat die Europese Unie nu eigenlijk is. Maar identiteit is een moeilijk vatbaar begrip. Het kan gewoon een gevoel zijn, hoewel vaak wordt geprobeerd om er een meer objectieve omschrijving aan te geven. Het Europagevoel Eerst dat gevoel. Dat we ons Belg of minstens Vlaming voelen, is vorig weekend gebleken. Een kerel uit Balen werd in Madrid wereldkampioen wielrennen en daar waren we erg opgetogen over. Het werd de opener van het journaal en het haalde de voorpagina’s van alle kranten. Wie smalend doet over deze gekte en zijn persoonlijk geluk niet wil laten afhangen van de sprintsnelheid van Boonen, zou die niet gesupporterd hebben voor de Belg in de finale van de Elisabethwedstrijd? Een soort nationale trots bestaat wel degelijk en als u eerlijk bent, geeft u toe dat u het ook wel eens voelt. België en Vlaanderen zijn historisch gezien nogal toevallige constructies, maar dat neemt niet weg dat we het plezierig vinden als iemand van ons kampioen wordt, zelfs al hebben we persoonlijk weinig met de betrokkene gemeen en is hij zonder ondertiteling wat moeilijk te verstaan voor mensen uit andere provincies. We voelen ons ook verbonden met een sympathiek meisje uit Limburg dat veel van honden houdt en goed tennis speelt. Het valt niet rationeel te verklaren, maar we hebben er allemaal wel last van en moeten er ons niet voor schamen. Maar voelen we ons ook Europeaan? Is er een Europees wij-gevoel, dat 450 miljoen burgers omvat, van Nicosia tot Dublin, van Lissabon tot Tallinn? Medewerkers van de Commissie, die er beroepshalve mee bezig zijn om dit soort zaken te meten, zijn nog nooit euforisch geworden over de resultaten van hun enquêtes. Mensen voelen zich verbonden met hun land of regio, met hun buurt, hun familie, desnoods met hun hond of parkiet, maar Europa komt in alle lijstjes betrekkelijk achteraan. Geen enkel onderzoek toont aan dat er zoiets bestaat als een Europagevoel. Als Frankrijk tegen Senegal speelt, staat heel Europa dan pal achter Frankrijk? Erg twijfelachtig. Misschien komt hij er ooit wel, die emotionele band met Europa. Maar we zijn nog lang zo ver niet en er is de laatste tijd in de Unie weinig gebeurd wat de liefde kan doen groeien. Riskante onderneming Misschien is er wel een meer objectief te omschrijven Europese identiteit. Het tastbaar vaststellen van identiteiten is evenwel een riskante onderneming. In het begin van de jaren negentig was het een tijdje in de mode om de Vlaamse eigenheid te omschrijven. Er werden allerlei prettige kenmerken opgesomd (sterk arbeidsethos, perfectionisme, roemrijk verleden, fundamentele vredelievendheid, etc.) die ofwel een kritische toets niet konden doorstaan, ofwel typisch bleken te zijn voor zowat alle volkeren ter wereld. Het definiëren van de Vlaming is op deze manier dus niet gelukt. De Vlaamse identiteit, zo bleek bij nader inzien, dat is toch vooral bloemkool in béchamelsaus, een plaasteren kabouter in de voortuin en een porseleinen herderinnetje op de vensterbank. Maar omdat zelfs niet iedereen aan dit stereotype beantwoordt, is ook deze omschrijving weinig bruikbaar. Wie de identiteit van de Europeaan wil omschrijven, staat dan ook voor een haast onmogelijke klus. Toch worden naar aanleiding van de Turkije-discussie nogal wat pogingen ondernomen om die Europese eigenheid af te bakenen, in een zoektocht naar een Europese essentie, die de Turken dan vreemd zou zijn. Applaus voor Europa! Er wordt dan in de eerste plaats verwezen naar onze grootse geschiedenis. Europa, dat is de erfenis van de Grieken en de Romeinen. Het is in dat verband trouwens spijtig dat de piramiden aan de verkeerde kant van de Middellandse Zee liggen. Het doet een beetje pijn om die geometrische wonderen op conto van het Midden-Oosten of, zwijg stil, Afrika te moeten schrijven. Gelukkig hebben we andere fraaie zaken waarop we trots kunnen zijn. Er zijn hier grootse kathedralen gebouwd en prachtige schilderijen gemaakt. Europa zou ook de bakermat zijn van het humanisme en het christendom, de renaissance en de verlichting. Wie de geschiedenis zo wil lezen, ziet een vloeiende lijn van grootse daden en heuglijke gebeurtenissen. Dus mogen we tegen Amerikanen en Chinezen best wel opscheppen over onze voorvaderen, die filosoof of staatsman waren, schilder of schrijver. Maar het is een selectieve lezing. Bij die fantastische Romeinen hoorde ook Nero, de kruistochten waren niet bepaald ingegeven door christelijke vredelievendheid. Bij momenten werden er al eens boeken verbrand en ook heksen. Misschien zelfs iets teveel om het nog als een spijtige aberratie te beschouwen. Europa, is dat trouwens ook niet de bakermat van het kolonialisme? De holocaust? Als er pogingen worden ondernomen om de Europese identiteit te omschrijven, worden ook de grote figuren uit de geschiedenis wel eens van stal gehaald. Shakespeare, Dante, Erasmus, Beethoven, Dostojevski, Da Vinci. We zouden dan een volk zijn dat doordrongen is van de erfenis van deze buitengewone persoonlijkheden. Misschien zijn zij het wel, en hun boeken, muziek en schilderijen, die ons tot Europeanen maken. Zou het niet hun intellectuele erfenis zijn die het wezen uitmaakt van de Europeaan? De échte Europeaan is dan iemand die op Arte naar documentaires kijkt over de bouw van de Acropolis, die met zijn opera-abonnement alles van Verdi meepikt, en ’s avonds voor het slapengaan nog wat bladert in het verzameld werk van Plato. Maar wat dan te denken van die andere Europeaan, in de volksbuurten van Praag, in de winkelcentra van Lissabon of op het Bretoense platteland, die zich van het Rad van Fortuin nog wel meent te herinneren dat Shakespeare de uitvinder is van ‘to be or not be’, maar die geen enkele CD van Mozart in huis heeft. Die op zondagavond naar de voorronde van het Eurovisiesongfestival kijkt, en hoopt dat een treurig liedje in slecht Engels het haalt. Die tot overmaat van ramp al eens een big mac durft te eten of een Hollywoodfilm bekijkt. Die vermoedt dat Erasmus de toeristische dienst is van de Europese Commissie, ook wel verbonden met het departement onderwijs, en die bij Dante denkt aan een bereidingswijze voor spaghetti. Da Vinci, dat heeft iets met een ingewikkelde code te maken. En Dostojevski, is dat de nieuwe spits bij Dynamo Kiev? Hebben we hier te maken met een slechte Europeaan? Of is er een foutje gebeurd in de opvoeding? Elitaire definities van Europese eigenheid hebben weinig raakpunten met de realiteit. Laten we dus maar opletten met onze identiteit te baseren op grootse voorvaderen (opvallend weinig vrouwen, overigens), wiens geschriften en gedachten ons doordrenkt zouden hebben, en die ons bestaan een unieke richting hebben gegeven. Waardoor de Turken niet in Europa passen, want zij zijn verstoken gebleven van de invloed van al deze ronkende namen. Het wapenschild van Indonesië De Europese identiteit omschrijven op cultureel-historische gronden en daar dan een Europese essentie uit afleiden, is eigenlijk onzin. Er is geen gedeeld verleden, waarmee alle Europeanen in aanraking zijn gekomen. Een zoektocht naar culturele, etnische of religieuze fundamenten van de Europese eigenheid, gaat overigens voorbij aan de strijd tussen uiteenlopende belangen en aan de conflicten en tegenstellingen die er hier constant geweest zijn. Net als op de meeste andere plekken ter wereld, trouwens. Europa is een mozaïek van culturen en subculturen en laat zich niet vangen in één essentie. Er is geen kern, die we allemaal delen en die ons doet verschillen van niet-Europeanen. Toen de Europese Grondwet werd opgesteld, meende men de oplossing te vinden. Europa is ‘eenheid in verscheidenheid’, en deze zin werd meteen tot motto verheven. Al valt het met die ‘eenheid’ de laatste tijd wel wat tegen. Maar goed, het klinkt niet slecht en de zoektocht naar een essentie kan worden opgeschort. Impliciet wordt gezegd dat die verscheidenheid de eigenheid van Europa uitmaakt. Maar is Amerika ook niet ‘eenheid in verscheidenheid’? Of China? Dezelfde spreuk staat al in het wapenschild van Indonesië. Zo typisch Europees is dat dus nu ook weer niet. Een politieke zaak Er is maar één perspectief dat een aanknopingspunt biedt in de zoektocht naar Europese identiteit. Als we Europa’s grootste vergelijkingspunt nemen, namelijk Amerika (ook het continent waarop we het meest lijken), dan valt toch wel een en ander op. De VS doen niet mee met Kyoto, terwijl alle lidstaten van de Europese Unie het protocol intussen ratificeerden. In de VS bestaat de doodstraf nog, terwijl wij daar in ons Handvest van Grondrechten afstand van nemen. Er is hier meer sociale bescherming dan aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan en Europa voelt meer voor diplomatie dan voor gewapende conflicten. Er zijn dus wel degelijk verschillen, maar die hebben te maken met politieke keuzes. Als er dus al een Europese identiteit bestaat, dan is die gebaseerd op de beleidskeuzes die hier wél en elders niet gemaakt worden. De lijm die Europa bindt, is een politiek project, geen culturele essentie. We zijn er ons trouwens maar best van bewust dat de verschillen niet zo absoluut zijn als ze lijken. Er is in de VS ook wel protest tegen de doodstraf en de gevoerde milieupolitiek. En bij verkiezingen in Europa neemt het succes toe van politieke partijen die pleiten voor de invoering van de doodstraf en de beperking van sociale rechten. De oorlog met Irak was amper begonnen of de eerste Polen en Britten liepen al mee in de voorste gelederen. Vooraleer we vol euforie ons beleid als het meest beschaafde de hemel inprijzen, staan we dus maar beter stil bij de relatieve broosheid ervan. Maar toch is dit de enige reële omschrijving van de Europese eigenheid: de politieke keuzes die we maken, en die in mindere of meerdere mate verschillen van keuzes die elders gemaakt worden. Wat nu met de Turken? Tot slot keren we terug naar Turkije. De identiteit van Europa is een nogal schimmig gegeven en zeker niet helder af te bakenen op cultureel-historische gronden. Europa is een groot lappendeken en recent wees groen europarlementslid Daniel Cohn-Bendit er nog op dat er vandaag al meer moslims dan Belgen in de Unie wonen. Geen enkel onderzoek doet bovendien vermoeden dat er zoiets bestaat als een Europagevoel. Het is dus merkwaardig om Turkije het Europees lidmaatschap te ontzeggen op grond van culturele argumenten. Als er trouwens één constante is in de Europese geschiedenis, dan is het wel het permanente verschuiven van grenzen. Wie op een rommelmarkt naar oude kaarten kijkt, ziet dat er in Europa duchtig met de grenzen geschoven is. Slechts in de rand rond Brussel klampt men zich vast aan het naïeve geloof dat grenzen voor eeuwig gebetonneerd kunnen worden. De Europese Unie is een politieke club en we moeten de discussie over de grenzen niet vertroebelen met weinig relevante overwegingen. Daardoor riskeren de zaken die wél van belang zijn in de schaduw te belanden. Het gaat dan om kwesties die precies te maken hebben met die politieke invulling van de Europese eigenheid. In de eerste plaats de basisregels van de club. In de Europese Unie horen alleen democratieën thuis, waar man en vrouw gelijke rechten hebben, rechten van minderheden gerespecteerd worden en fundamentele vrijheden gewaarborgd zijn. Wat dit betreft heeft Turkije op korte tijd een grote sprong gemaakt. De volgende jaren zal moeten blijken of die beweging zich ook op het terrein doorzet, in de politiekantoren van de dorpen, in de militaire posten in het oosten, in het oordeel van de rechters. Europa kan hier geen toegevingen doen – het gaat om axioma’s waarop de Unie is gebouwd. De tweede kwestie ligt ingewikkelder: wat als een Europese Unie mét Turkije te groot wordt om nog beleidskeuzes te maken? Het is de vrees van Karel Van Miert, en het meest politiek correcte van alle argumenten tegen Turks lidmaatschap: we hebben niets tegen de Turken, toffe jongens allemaal, maar helaas kunnen we geen beleid meer maken als we hen erbij nemen. Er zit iets pervers in het argument. Het is vandaag, met vijfentwintig lidstaten namelijk al moeilijk om nog een krachtig Europees beleid te maken. Als de Unie overeind wil blijven, zullen de spelregels volgens dewelke ze functioneert snel moeten aangepast worden. Of we dat nu grondwet noemen of niet. Het versterken van de instellingen en het uitwerken van vlottere beslissingsmechanismen, moet heel dringend gebeuren, met of zonder Turkije. Precies om te vermijden dat een groot Europa ook een verwaterd Europa wordt. Er is de Turken veel beloofd, de voorbije jaren. Misschien wat snel en wat veel, maar aan die bedenking hebben ze aan de oevers van de Bosporus niets. Turkije hervormt zijn binnenlandse politiek en is op weg om te doen wat Europa vraagt. De rest is niet de Turkse karwei, maar de onze. En met staren in de navel, op zoek naar onze essentie, zullen we er niet komen.
Hendrik Vos Hendrik Vos Linksmailto:hendrik.vos@ugent.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|