Op het hevigste van de ‘spotprenten – crisis’ in februari 2006, heeft de Organisatie van de Islamitische Conferentie - zonder onmiddellijk succes weliswaar - de inschrijving gevraagd van een beginsel in het handvest van de Raad voor de Mensenrechten: "het recht op vrije meningsuiting is onverenigbaar met smaad aan de godsdienst et e profeten". De Conferentie verzocht ook om een stemming van de Algemene UNO vergadering over een resolutie die ‘smaad aan de godsdienst en de profeten’ veroordeelt. Op het moment zelf kreeg de conferentie geen voldoening,maar tegen het einde van het karikaturenconflict bleek de Algemeen Vergadering meer inschikkelijk en op 8 september 2006 gaf zij in een resolutie 60/288 over de strategie voor de strijd tegen het terrorisme aan de lidstaten de aanbeveling meer om op te treden ‘tegen smaad jegens de godsdienst’. Er werd echter op generlei wijze aangeduid hoe dit soort bepaling kan bijdragen tot het indijken van het terrorisme. Enkele dagen later claimde president Pervez Musharaf van Pakistan dat de Algemene Vergaring ‘smaad jegens de islam’ zou verbieden. Men had kunnen hopen dat het daarbij zou gebleven zijn maar op 17 december 2006, constateerde de Algemene Vergadering van de VN het bestaan van een resolutie 61/164 ‘Combating the defamation of religions’. De intussen berucht geworden notie van ‘smaad jegens godsdienst’ komt pas vrij laat voor in de tekst, na een reeks uitstekende overwegingen over racisme, xenofobie en discriminatie, allemaal thema's waartegen de VN het sedert zijn oprichting terecht opneemt. Het totaal nieuw begrip ‘smaad jegens godsdienst’ dat de Algemene Vergadering weliswaar beschouwt als een ‘mogelijke oorzaak van sociale disharmonie’ die aanleiding kan geven tot ‘schending van de mensenrechten’ wordt echter niet gedefinieerd. Om dit kwaad te bestrijden stelt de Secretaris Generaal daarom achttien maatregelen voor die alhoewel van een bijzonder zwak gehalte, niettemin het begrip ‘smaad jegens godsdienst’ in het VN - vocabularium introduceren, en, wat erger is, de gedachte vestigen dat het recht op vrije meningsuiting voortaan ‘op verantwoordelijke wijze’ moet uitgeoefend worden en dus ‘onderworpen moet zijn aan wettelijke beperkingen die eerbied voor godsdienst en geloof waarborgen’. Vandaag staat men niet verder, maar het opzet is overduidelijk: smaad jegens godsdienst wordt voortaan weerhouden als en geldige reden voor de beperking van de vrijheid van meningsuiting. Op 30 maart 2007 kwam de resolutie namens de OIC en op initiatief van Pakistan opnieuw te berde in Genève. Daar vergaderde de Raad voor de Mensenrechten, die weliswaar nog steeds ernstig twijfelt over de schending van de mensenrechten in Darfour maar met aplomb een resolutie goedkeurt waarbij ‘de internationale gemeenschap verzocht wordt smaad jegens godsdienst - inzonderheid de islam - te bestrijden’ ( A/HRC/4/L.12). In het Memorie van Toelichting luidt het: ‘De Raad is zeer bezorgd over de pogingen om de islam te verbinden met terrorisme, geweld en schending van de mensenrechten. Hij stelt met grote ongerustheid de verscherping vast van de lastercampagne tegen de godsdiensten en sedert de tragische gebeurtenissen van 11 september 20001, de verwijzing naar de moslimminderheden volgens etnische en religieuze criteria’. Een eerste analyse leert dat het in deze materie zeker niet ontbreekt aan bezwaren van elementair juridisch gezond verstand: het misdrijf smaad (aantasten van de eerbaarheid of de goede faam) kan slechts betrekking hebben op personen en niet op zo'n vage entiteiten als religies: en wanneer het om personen gaat, wordt het misdrijf van discriminatie van een individu op grond van zijn godsdienst reeds gesanctioneerd door artikel 20 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Waarom dan nog die bizarre verwijzing naar ‘smaad’? Omdat het hier wellicht gaat om een nasleep van de ‘Mohammed cartoons’ toen de OIC de Europese pers beschuldigd heeft van smaad aan de profeet en het voor de organisatie vanzelfsprekend is geworden de toepassing van het begrip van de persoon van de profeet Mohammed uit te breiden naar de hele islamitische godsdienst. Spijts de juridische lichtheid van het begrip, is bijzondere aandacht geboden voor de politieke impact van resolutie L 12 van 30 maart 2007. Daar zit immers een zeer expliciete voorbereiding in van toekomstige beslissingen van de VN die een beperking van de vrijheid van meningsuiting beogen: op termijn zou het ‘onverantwoordelijke’ gebruik van die vrijheid immers kunnen gesanctioneerd worden op dezelfde wijze als racistische daden: ‘De Raad nodigt de Bijzondere verslaggever over de hedendaagse vormen van racisme uit om regelmatig verslag uit te brengen over alle uitingen van smaad tegen de godsdienst, inzonderheid over de ernstige weerslag van islamofobie op de uitoefening van die rechten. Hij vraagt aan de Hoge Commissaris op zijn zesde zitting verslag uit te brengen over de toepassing van deze resolutie’. In afwachting vraagt de Raad met aandrang de Staten strenge maatregels te nemen om de verspreiding te verbieden van documenten en ideeën die de godsdiensten beledigen en verder, de verspreiding te verbieden van racistische of xenofobe documenten en ideeën die een godsdienst of zijn aanhangers viseren en die aanzetten tot haat, vijandschap of racistisch en religieus geweld. Deze tekst doelt duidelijk op een inperken van de vrijheid van meningsuiting waar het om ‘smaad aan de godsdienst’ gaat. De Staten worden bijgevolg opgevorderd om hun grondwet, wetgeving en onderwijsprincipes in die zin te wijzigen. ‘Insgelijks nodigt de Raad de Staten met aandrang uit om binnen het bestek van hun juridische en constitutionele stelsels, een adequate bescherming te waarborgen tegen handelingen van haat, discriminatie, intimidatie en dwang ingevolge smaad aan de religie, om alle mogelijke maatregelen te treffen om tolerantie en eerbied voor alle godsdiensten en hun waardestelsels te bevorderen en hun rechtssystemen te vervolledigen met intellectuele en morele strategieën om haat en religieuze onverdraagzaamheid te bestrijden’. Tenslotte vraagt de Raad met aandrang dat de Staten ‘een strenge controle zouden uitoefenen op al hun personeel, daarin begrepen ordehandhavers, militairen, ambtenaren en het onderwijzend personeel, opdat zij, in de uitoefening van hun taken, de religie zouden eerbiedigen. Te dien einde zullen zij een speciale opleiding genieten’. Deze resolutie werd aanvaard met 24 stemmen tegen 14 en 9 onthoudingen. Stemden voor: de lidstaten van de OIC, gesteund door China, Cuba, de Russische Federatie, Zuid Afrika, Mexico, de Filippijnen, Sri Lanka en Mauritius. Indien wij onze regeringen konden vertouwen zou men die onzinnige resoluties als anekdotes wegwimpelen. Maar dan blijft nog altijd de zeer intrigerend vraag: waartoe kan zo'n stemming dienen en welke toekomst biedt zijn voor de vrijheid van meningsuiting. Erik Willaert Erik Willaert Linksmailto:e.willaert@pandora.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|