In een recent opiniestuk houdt Lieven Monserez (Liberales Nieuwsbrief 4 november 2011) een krachtig pleidooi voor het behoud van een gedemocratiseerd hoger onderwijs in Vlaanderen. Hij pleit er - terecht - voor behoedzaam om te gaan met de financiering van de hoger onderwijsinstellingen en vraagt aandacht voor de financiële en sociale drempels die de toegang tot het hoger onderwijs nog steeds bemoeilijken. Dit vanuit de liberale reflex dat éénieder dezelfde kansen moet krijgen tot zelfontplooing en emancipatie. Een dergelijk pleidooi kan men alleen maar onderschrijven, doch er kan niet worden ontkend dat er in Vlaanderen reeds heel wat stappen zijn gezet. Het Vlaams hoger onderwijs is - wat de kostprijs voor studenten en/of gezinnen betreft - goedkoper dan in de meeste ons omringende landen, en zowat alle instellingen voorzien mogelijkheden tot begeleiding en ondersteuning waar de studenten gebruik kunnen van maken. Al kan het natuurlijk altijd beter (maar alles heeft een prijs, zeker als je het goed wil doen...). Echter, de discussie met betrekking tot de rol en de functie van het hoger onderwijs in onze maatschappij is van fundamenteel belang en moet blijvend worden gevoerd. Willen we voor ogen houden dat onderwijs een cruciale rol moet blijven spelen in de ontwikkeling van vrije, kritische en geëmancipeerde burgers, dan moeten we voor een aantal actuele evoluties oog hebben en oplossingen bedenken. De hoger onderwijsinstellingen, niet alleen in Vlaanderen maar wereldwijd, worden in toenemende mate geconfronteerd met nieuwe maatschappelijke eisen, wat de druk op docenten, professoren en vorsers doet toenemen. In een snel wijzigende kennismaatschappij moeten kwalitatief sterke arbeidskrachten worden afgeleverd die zo goed als mogelijk moeten voldoen aan de vragen van de voortdurend veranderende markt. Tegelijkertijd dient er hoogstaand onderzoek te worden verricht, moeten er excellente vorsers worden opgeleid, moet kenniscreatie zo snel mogelijk worden gevaloriseerd en/of omgezet in innovatie, wat moet leiden tot economische meerwaarde, en bovendien moet ook de dienstverleningscomponent verder worden uitgebouwd. Afgezien van de vraag of deze vereisten acceptabel en legitiem zijn, kan worden vastgesteld dat de Vlaamse instellingen op de meeste aspecten relatief goed tot zeer goed scoren. De vraag stelt zich echter of, gezien de groeiende financiële nood, aan al deze vereisten tegelijkertijd en blijvend kan worden voldaan en of er op korte termijn geen (beleids-)keuzes zullen moeten worden gemaakt die een zware impact hebben op wat we zelf als de fundamentele rol van ons hoger onderwijs beschouwen. De Vlaamse universiteiten en hogescholen kampen immers in toenemende mate met een structurele onderfinanciering. De instroom van generatiestudenten blijft jaar na jaar stijgen, wat zorgt voor toenemende druk op het personeelskader. Tegelijkertijd is er geen structurele verhoging van de financiële middelen - instanties zoals de VLIR of de VRWI wijzen al jaren op deze onderfinanciering. De toename van de inschrijvingsgelden voorziet ruim onvoldoende in een mogelijke méérfinanciering. De instellingen worden met andere woorden geconfronteerd met het feit dat ze méér moeten investeren in onderwijs en opleiding (en andere taken), terwijl ze daarvoor over dezelfde middelen blijven beschikken. Of, zoals een directeur van een Vlaamse hogeschool het enkele weken geleden in een Vlaamse krant formuleerde: het aantal studenten is voor het academiejaar 2011-2012 dermate toegenomen, dat je van een nieuwe, extra school kan spreken - maar de middelen hiervoor zijn niet voorzien... De overvolle aula’s die begin oktober in alle media werden getoond, en de hetze die ontstond rond de multimedia-alternatieven die werden opgezet voor de hoorcolleges, waarbij ‘het recht op degelijk onderwijs’ werd opgeëist, zijn eveneens illustratief voor deze overbevolking. Een onhoudbare situatie, die er logischerwijs toe leidt dat in sommige kringen onder andere de vraag wordt gesteld of de inschrijvingsgelden niet omhoog moeten, zeker voor dié opleidingen die geen ‘marktconforme’ studenten aanleveren. Bovendien bevinden de Vlaamse hoger onderwijsinstellingen - en dan vooral de universiteiten - zich in een beklemmend spanningsveld. Enerzijds is er de noodzaak te evolueren tot een volledig gedemocratiseerd onderwijs op alle vlakken, waar alle mogelijke drempels die de toegang tot en het succesvol studeren aan de instellingen, via ondersteuning, begeleiding, flexibilisering en dergelijke meer, zijn weggewerkt. Studenten uit het secundair onderwijs worden van overheidswege aangemoedigd verdere studies aan te vatten, wat mede de groeiende instroom verklaart, en de instellingen ondervinden de druk ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk studenten in een zo kort mogelijke tijdspanne succesvol hun studies afronden (immers, hoe langer de tijdsduur, hoe hoger de maatschappelijke/financiële kost). Een legitieme verplichting die wordt opgelegd, maar daar moeten wel voldoende middelen tegenover staan, vooral als de instromende studenten onvoldoende zijn voorbereid (zie infra). Anderzijds worden de universiteiten geacht competitief te zijn wat hun onderzoek betreft: er moet zeer hoog worden gescoord in kwalitatieve onderzoeksoutput, er moeten zoveel mogelijk doctoraten worden afgeleverd, excellente en internationaal gerichte publicaties verschijnen, patenten en octrooien worden genomen, enzovoort. Terug, een legitieme vraag (en zeker op dit vlak doen de Vlaamse universiteiten het niet slecht), op voorwaarde dat er voldoende middelen tegenover staan, zodat er keuzes kunnen worden gemaakt. In vergelijking met de buitenlandse prestigieuze instellingen die steevast bovenaan in de zogenaamde rankings staan en waar zo graag naar verwezen wordt, moeten Vlaamse onderzoekers en professoren vaak een hoge onderwijsbelasting combineren mét een aanzienlijke onderzoeksopdracht en de druk onderzoeksmatig even sterk te scoren als hun buitenlandse collega’s (een ongelijke strijd). Dit laatste is eveneens belangrijk voor de ontwikkeling van individuele carrières, en het is dus logisch dat, indien een (jonge) vorser keuzes moet maken, hij of zij de meeste energie zal richten op de onderzoeksprestaties, en minder op het onderwijs en de begeleiding van studenten. Met alle nefaste gevolgen vandien: te veel uitstromende studenten zonder diploma, de noodzaak alternatieve vormen van lesgeven te ontwikkelen (die niet altijd op applaus worden onthaald), té langdurige studietrajecten, een gebrek aan mankracht voor degelijke inhoudelijke begeleiding, enzovoort. En dit laatste is iets wat we ons eigenlijk niet kunnen permitteren. Is het correct om, vanuit een maatschappelijke noodzaak, studenten uit het secundair onderwijs aan te moedigen om studies in het hoger onderwijs aan te vangen, indien hen niet de noodzakelijke begeleiding kan worden aangeboden? Het percentage studenten dat niet slaagt in het eerste jaar is enorm, en daarvoor worden allerlei redenen aangevoerd. Uit zeer recent onderzoek van Klasse blijkt dat heel veel jongeren uit het secundair niet voorbereid zijn op het hoger onderwijs, onder andere omdat hun zelfbeeld te weinig is ontwikkeld en ze onvoldoende weten wat hun capaciteiten zijn. Als oplossing wordt persoonlijke coaching voorgesteld. Uit eigen ervaring kan ik alleen maar bevestigen dat heel wat studenten die hun eerste jaar aan een universiteit of hogeschool aanvangen, dit doen met de beste bedoelingen, maar falen omwille van het feit dat ze geen studiemethode hebben ontwikkeld, niet weten waaraan ze beginnen, en een enorm gebrek aan zelfvertrouwen hebben - wat hun slaagkansen sterk hypothekeert. Individuele begeleiding en alternatieve leerroutes zijn hier succesvol (en ik spreek terug op basis van de eigen experimenten die ik hiertoe heb opgezet), maar deze vragen zeer veel tijd en inspanningen. En dus, bijkomende middelen... De structurele onderfinanciering van het Vlaams hoger onderwijs, de actuele internationale evoluties én het spanningsveld waarbinnen onze Vlaamse instellingen zich bevinden, wegen op de kwaliteit van het onderwijs, het onderzoek en de dienstverlening die worden aangeboden. Het uitblijven van bijkomende financiële middelen - en de vraag stelt zich: waar gaan we deze halen? - zal wegen op alle taken die de hogescholen en universiteiten vervullen, of zal leiden tot bepaalde keuzes die mogelijk het principe van een volledig gedemocratiseerd onderwijs in gevaar zullen brengen. Daarom is het noodzakelijk om de vraag te stellen op welke wijze we er kunnen voor zorgen dat onze instellingen op correcte en rechtvaardige wijze hun maatschappelijke opdracht kunnen uitvoeren, en wat deze maatschappelijke opdracht, in de 21ste eeuw, precies inhoudt. We mogen niet bevreesd zijn eventuele heilige huisjes in dit verband onderuit te halen. Zoniet dreigen we met z’n allen de dupe te worden: de studenten, de vorsers, de docenten en professoren, de instellingen, en ten slotte onze samenleving. Walter Ysebaert Walter Ysebaert Linksmailto:walter.ysebaert@gmail.com |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|