Dirk Verhofstadt over het morele falen van paus Pius XIIfiguur vrijdag 12 november 2010Dirk Verhofstadt
Dirk Verhofstadt behaalde op 1 juli 2010 de graad van Doctor in de Moraalwetenschap aan de Universiteit Gent. Hierna volgt de tekst van de publieke verdediging van zijn doctoraal proefschrift: Een historisch en moraalwetenschappelijk onderzoek naar de morele verantwoordelijkheid van paus Pius XII ten aanzien van de Endlösung der Judenfrage’. Hierin toont hij aan dat de grootste morele fout die de paus en de katholieke Kerk begingen, was dat ze de Duitse bevolking zowel voor als tijdens de oorlogsjaren overtuigden van het rechtmatige gezag van Adolf Hitler en de nazi’s. Geachte leden van de jury, Geachte dames en heren, Hierna volgt een kort overzicht van mijn historisch en moraalwetenschappelijk onderzoek naar de morele verantwoordelijkheid van paus Pius XII ten aanzien van de Endlösung der Judenfrage, zijnde de moord op zes miljoen Joden in Europa. Eerst wil ik u kort de figuur Pius XII voorstellen. Zijn oorspronkelijke naam was Eugenio Pacelli. Hij werd geboren in Rome in 1876 en werkte zich snel op binnen het Vaticaan. In 1917 werd hij nuntius in Beieren en nadien nuntius voor geheel Duitsland in Berlijn. In 1930 werd hij teruggeroepen naar het Vaticaan om er staatssecretaris te worden, zeg maar de rechterhand van de toenmalige paus Pius XI. Die overleed begin 1939 en na een heel kort conclaaf werd Pacelli gekozen tot paus en nam hij de naam Pius XII aan. Na de oorlog en tot vijf jaar na zijn dood in 1958 werd hij algemeen beschouwd als een van de grootste pausen van de geschiedenis omdat hij erin geslaagd was de kerk, Rome en het Vaticaan quasi ongeschonden door de oorlog te loodsen. Dat veranderde echter in 1963 door het toneelstuk Der Stellvertreter, of ‘de plaatsvervanger van God op aarde’ van de Duitse auteur Rolf Hochhuth. Hij beschuldigde de paus ervan dat hij wel wist wat er met de Joden gebeurde, maar dat hij weigerde om hen ter hulp te komen. Het zorgde voor een grote publieke discussie die tot op de dag van vandaag aan de gang is en die met het oog op een mogelijke zalig- en heiligverklaring van Pius XII. De katholieke kerk keerde zich fel tegen Hochhuth. In een eerste reactie in 1963 gebruikte Robert Leiber, de privé-secretaris van de oorlogspaus, de woorden ‘Wir haben es nicht gewusst’. Een jaar later gaf de toenmalige paus Paulus VI de opdracht aan vier jezuïeten om een selectie te maken van de belangrijkste documenten die in het Vaticaans archief lagen over de periode 1939-1945. Dit resulteerde in de Actes et Documents du Saint Siège Relatifs à la Seconde Guerre Mondiale (ADSS), elf boekdelen met 8.000 bladzijden uitt de briefwisseling van kerkelijke en wereldlijke die naar het Vaticaan gestuurd waren en de antwoorden daarvan van de paus en zijn medewerkers. Het gaat hier dus om een selectie wat betekent dat heel wat documenten niet werden opgenomen. Dat weten we omdat in de ADSS veel verwijzingen staan naar brieven en teksten die niet werden gepubliceerd. De ADSS werden gepubliceerd tussen 1965 en 1981 en vormen een van de belangrijkste bronnen voor mijn onderzoek. Omwille van het feit dat ik geen inzage kreeg in alle archieven van het Vaticaan, blijven de besluiten van mijn onderzoek een hypothese die gebaseerd is op het bekendgemaakte en beschikbare materiaal. Uit de ADSS bleek al snel dat de stelling ‘Wir haben es nicht gewusst’ niet klopte. Vanaf dan stelde het Vaticaan dat Pius XII een politiek van tactisch stilzwijgen had gehanteerd met als doel ‘om erger kwaad te voorkomen’ (‘ad maiora mala vitanda’). Het doel van dit onderzoek is een antwoord vinden op de volgende drie vragen. 1. Was Pacelli, later Pius XII, op de hoogte van de wandaden van de nazi’s, in het bijzonder van de vernietiging van de Joden? 2. Wat was de houding van het Duitse episcopaat het nazisme en de vernietiging van de Joden? 3. Wat was de houding die een doorsnee gelovige Duitse katholiek meende te moeten aannemen ten aanzien van het nazisme, rekening houdend met wat de kerkelijke overheid hem voorhield? Alvorens dit te onderzoeken moeten we eerst stilstaan bij de macht en de plicht van de paus. Hiervoor gaan we te rade bij de dogma’s, de Catechismus van de Katholieke Kerk en het Canoniek recht. Volgens de dogma’s van de kerk is de paus de plaatsvervanger van Christus op aarde. Hij is de opperste rechter (waartegen geen beroep mogelijk is), hij kan door niemand anders beoordeeld worden, hij kan iemand excommuniceren, hij kan een dogma vastleggen en zijn onfeilbaarheid gebruiken voor zover hij ‘ex-cathedra’ spreekt. Dat Pius XII een bijzonder grote macht had blijkt ook uit de cijfers. In de jaren dertig en veertig was het woord van de paus een bijzonder machtig wapen. Hij werd ook bijzonder goed op de hoogte gehouden van de gebeurtenissen en was dan ook waarschijnlijk de best geïnformeerde persoon in de periode 1939-1945. Zo had hij nuntii in 61 verschillende landen (zowel bij de geallieerden, de As-mogenheden als de neutrale staten). Hij had een net van 1.200 bisschoppen die hem via diplomatieke post op de hoogte hielden. Er waren meer dan 100.000 priesters en kapelaans (ook in het leger). Hij was de feitelijke leider van kloosters, politieke partijen, kranten, scholen, jeugdverenigingen, ziekenhuizen, enz. En hij had meer dan 750 miljoen gelovigen onder zich. Overeenkomstig zijn macht had de paus ook een reeks plichten. Zo moest hij toezien op de navolging van de goddelijke geboden (bv. gij zult niet doden), het aanzetten van de gelovigen om de goddelijke (liefde, hoop en geloof) en de kardinale deugden (voorzichtigheid, zelfbeheersing, rechtvaardigheid en moet) na te streven, en de gelovigen aanzetten om hun christelijk geweten te volgen, zelfs als de burgerlijke wet daar zou tegenin gaan. De paus is zich van die plichten bewust. Onmiddellijk na de verkiezing van een kardinaal tot mogelijke paus wordt hem door de oudste kardinaal gevraagd: ‘accepteert hij uw uitverkiezing als soevereine paus’. Van zodra de betrokkene doelbewust ‘ja’ zegt, is hij paus en kiest hij een naam. De betrokkene kan dus ook ‘neen’ zeggen en daarmee afzien van de plichten die aan het pausschap verbonden zijn. Eén van de meest gebruikte uitspraken door Duitsers, kerkelijke vertegenwoordigers en zelfs de secretaris van de paus was: ‘Wir haben es nicht gewust’. Dit klopt niet. Zo werd over het bestaan van de concentratiekampen helemaal niet geheim gedaan. Op 20 maart 1933 gaf Heinrich Himmler een persconferentie over de opening van het kamp in Dachau. In alle Duitse steden en dorpen stonden zogenaamde Stürmerkästen, een soort muurkrant achter glas waarin de voorpagina van het blad, ophitsende teksten en cartoons tegen de Joden werden opgehangen. Op 1 april 1933 werden de Joden het slachtoffer van de eerste grote boycot, iets wat algemeen gekend was. In tal van steden en gemeenten hingen waarschuwingsborden en spandoeken met teksten als Juda Verrecke en Juden sind hier unerwünscht. Het waren allemaal zaken waartegen de bisschoppen niet protesteerden. Nog belangrijker was de goedkeuring van de machtigingswet op 23 maart 1933 waardoor de macht van het parlement werd afgeschaft en Hitler dictatoriale bevoegdheden kreeg. Dit gebeurde met instemming van de katholieke Zentrumpartei onder leiding van de priester Ludwig Kaas die hiervoor ook de goedkeuring had van de paus. Het is duidelijk dat het Vaticaan liever werkte binnen een autoritair systeem dan binnen een democratie. De Zentrumpartei werd opgeheven en de katholieken waren hun politieke armslag kwijt. Vanaf dan ging het snel. De Duitse kerkleiders schaarden zich achter het nazi-regime. Voor 1933 hadden de bisschoppen nog verboden dat nazi’s in uniform de kerkdiensten bijwoonden. Nauwelijks vijf dagen na de machtigingswet keurde het Duitse episcopaat in Fulda een reeks maatregelen goed ten voordele van het nieuwe regime. Zo werden leden van de nazipartij, ook in uniform, toegelaten tot de godsdienstoefeningen en tot de sacramenten. Binnen de kerken werden nazi-vlaggen opgehangen. Hierdoor lieten veel katholieke gelovigen hun bezwaren tegenover Hitler varen en werden de nazi’s door de kerkgemeenschap beschouwd als respectabele burgers. De instructies werden door kardinaal Bertram op 10 april 1933 nog gepreciseerd met als belangrijkste punt dat de bisschoppen erop vertrouwden ‘dat onze geestelijken in woord en daad, bij preken en begrafenistoespraken, alles achterwege laten wat zou kunnen worden uitgelegd als minachting voor de staat of als onwaardige ongehoorzaamheid.’ Op die manier werden de lokale priesters in feite monddood gemaakt in geval ze moreel onaanvaardbare praktijken door het nazi-regime wilde aanklagen. Sprekend was ook de brief van Michael Buchberger, de bisschop van Regensburg, die hij op 3 juli 1933 aan de Führer richtte. ‘Wij zijn bereid vol goede wil en loyaliteit met uwe excellentie samen te werken aan de heropbouw van ons vaderland, dat wil zeggen aan de spirituele en morele gelijkschakeling (Gleichschaltung) van het hele Duitse volk op christelijke en vaderlandslievende basis.’ Opvallend is dat deze bisschop het woord ‘Gleichschaltung’ gebruikte, de term waarmee men de maatregelen aanduidde waarbij de nazi's Duitsland in een totalitaire dictatuur veranderden. Die gelijkschakeling was bijvoorbeeld zichtbaar in de magistratuur waar rechters hun eed van touw aflegden op Hitler en niet langer op de grondwet. Er was dus geen sprake meer van een rechtsstaat. De echte samenwerking tussen Hitler en het Vaticaan gebeurde formeel door het afsluiten van het Concordaat op 20 juli 1933 dat onmiddellijk gevolgd werd door blijken van sympathie van de Duitse bisschoppen. De eerste die reageerde was kardinaal Bertram, de hoogste kerkelijke vertegenwoordiger in Duitsland. Op 22 juli 1933 stuurde hij als voorzitter van de bisschoppenconferentie van Fulda een dankbrief aan Hitler waarin hij schreef dat de Kerk bereidwillig zou samenwerken met het regime. Dit Concordaat zette nu ook de laatste kritische katholieke vooraanstaanden en organisaties, die voordien kritisch stonden tegenover de nazi’s, in beweging ten voordele van het regime. Dat blijkt onder meer uit deze foto van de bijeenkomst van katholieke jeugdorganisaties in Berlijn op 20 augustus 1933 waar de aanwezige geestelijken de Hitlergroet brachten. De samenwerking tussen het nazi-regime en het Vaticaan werd jaarlijks tweemaal bezegeld. Op de eerste dag van elk nieuw jaar en op elke verjaardag van Hitler op 20 april bracht nuntius Cesare Orsenigo de beste gelukwensen over van de paus aan de Führer. Bij de overgave van het Saargebied om 1 maart 1935 brachten de bisschoppen Bornewasser en Sebastian de Hitlergroet en werden in gans Duitsland de kerkklokken geluid. Cruciaal was ook de goedkeuring van de rassenwetten van Neurenberg op 15 september 1935. Tal van gezinshoofden trokken hun stamboom na om na te gaan of ze Joodse voorouders hadden gehad. Een van de plaatsen waar men dat met zekerheid kon zeggen waren de kerken (zowel de katholieke als de protestantse) die hun geboorte- en huwelijksregisters openstelden waardoor het regime levensbelangrijke informatie kreeg over de al dan niet afstamming van Joodse voorouders. Het ging hier dus om een doelbewuste medewerking aan het identificeren en classificeren van mensen op basis van hun geloof of ras. Een dergelijke medewerking aan een misdadig regime was flagrant in strijd met de Catechismus van de katholieke Kerk. Zo stelt alinea 450 dat men niet mag meewerken met praktijken die, al worden zij door de burgerlijke wetgeving toegestaan, in tegenspraak zijn met de Wet van God. En alinea 2489 dat het welzijn en de veiligheid van de naaste, strikte geheimhouding gebiedt. Toch sprak in januari 1936 sprak het Klerusblatt, het officiële orgaan van de Beierse priesters, uitdrukkelijk zijn goedkeuring uit over de Neurenberger wetten. Het schreef dat de rassenwetten maatregelen waren om ‘het Duitse bloed te bewaren en te verjongen’ en om ‘de joden als houders van burgerlijke en politieke rechten te elimineren’. De Oostenrijkse bisschoppen vonden het in maart 1938 uitstekend dat hun land door de Anschluss overgeleverd werd aan Hitler en zijn nazitrawanten. Zowel de katholieke primaat Theodor Innitzer als andere Oostenrijkse bisschoppen begroetten Hitler, waarbij ze een ‘goede samenwerking’ met het nationaal-socialisme voorspelden. Ze riepen de katholieke gelovigen ook op om bij de volksraadpleging massaal ‘ja’ te stemmen. De Duitse en de Oostenrijkse bevolking, en dus ook de katholieke Kerk, was getuige van de antisemitische golf van geweld en terreur tijdens en na de beruchte, door Goebbels uitgelokte Kristallnacht van 9 op 10 november 1938. Daarbij werden 267 synagogen en joodse godshuizen in brand gestoken, duizenden winkels en bedrijven verwoest, huizen, scholen en begraafplaatsen beklad en vernield. Bijna honderd Joden werden vermoord. Enkele dagen later pakten de Gestapo en de SS meer dan 25.000 Joden op, die in de concentratiekampen van Dachau, Buchenwald en Sachsenhausen verdwenen. Dit is een foto van een groep Joden van 15 tot 80 jaar oud die op 10 november 1938 in een ‘schandmars’ door de Maxstrasse in Regenburg loopt met een groot bord waarop Auszug der Juden geschreven staat. Daarbij worden ze op weg naar het concentratiekamp van Dachau door Duitsers bespuwd en geslagen. Al voordat hij paus werd, namelijk op 15 november 1938, ontving de toenmalige staatssecretaris Pacelli bericht van de nuntius in Berlijn Orsenigo, over ‘de pogrom’ van 9 en 10 november 1938. De Joden werden steeds meer opgejaagd en gediscrimineerd. Hoe reageerden de bisschoppen daarop? Op 31 maart 1939 stuurde kardinaal Faulhaber een brief aan Pius XII waarin hij aangaf dat de Duitse bisschoppen de niet-arische katholieken zouden helpen, ‘hoewel hij geen kritiek had op de stappen die het regime ondernam met betrekking tot niet katholieke Joden’. Met uitzondering van de Duitse bisschop Preysing en enkele bisschoppen in andere landen die wel spraken over de Joden in het algemeen (dus al of niet bekeerd), beperkte de interesse van de meeste kerkleiders, zeker van het Duitse episcopaat, zich tot het lot van de bekeerde Joden of de ‘niet arische katholieken’. Voor de andere Joden had ze geen oren. Op 1 september 1939, om kwart voor vijf in de ochtend, vielen 1.800.000 Duitse soldaten Polen aan. De strijd duurde exact vier weken. Op 28 september 1939 gaf Modlin, de laatste grote Poolse stad, zich over. De Franse en Britse regeringen en de Poolse kardinaal Hlond vroegen dat de paus deze agressie zou veroordelen. Dat deed hij niet. De Duitse katholieke kerkleiders keurden deze eenzijdige en onaangekondigde oorlogsdaad zelfs goed, ondanks het feit dat tienduizenden katholieke Polen, onder wie honderden priesters, werden vermoord. In een gezamenlijke herdersbrief gericht tot de Duitse soldaten verklaarden de Duitse bisschoppen: ‘In dit beslissende uur moedigen wij onze katholieke soldaten aan tot gehoorzaamheid aan de Führer en manen hen aan om offervaardig met toewijding van hun hele persoonlijkheid hun plicht te vervullen. Het gelovige volk roepen we op tot innig gebed opdat Gods voorzienigheid de losgebarsten oorlog tot een voor het vaderland en het volk zegenrijk succes en vrede moge maken.’ De paus weigerde zich uit te spreken omdat hij zoals hijzelf zei, ‘neutraal’ wou blijven. Toch keurde hij op 26 december 1939 de inval van de Sovjets in Finland publiekelijk af. De paus vond ook dat de bisschoppen zelf moesten beslissen of ze al dan niet reageerden en dit ‘om erger te voorkomen’. Dat schreef hij in een brief aan de Berlijnse bisschop Prysing die als enige bisschop aandrong op een veroordeling van het nazisme. Het gevolg was dat de katholieke bisschoppen tegengestelde uitlatingen deden. Zo riep de Poolse primaat Hlond op om de inval te veroordelen, maar de Duitse bisschop Joseph Machens van Hildesheim riep zijn gelovigen op 5 september op met de volgende woorden: ‘Vervul uw plicht tegenover de Führer, het volk en het vaderland!’ Hetzelfde gebeurde na de inval van 10 mei 1940 in België, Luxemburg, Nederland en Frankrijk. De Belgische koning Leopold III vroeg aan de paus om de inval te veroordelen, en de paus antwoordde dat hij zou bidden voor België. De Franse regering vroeg op 10 en 14 mei om de inval te veroordelen, maar opnieuw zweeg de paus. Na de overwinning werden opnieuw de kerkklokken in gans Duitsland geluid. De steun van de Kerken nam nog toe na de inval van de Duitsers in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941. De afkeer van het bolsjewisme van de christelijke leiders zat immers zeer diep. Op hun bijeenkomst in Fulda van 24 tot 26 juni 1941 riepen de bisschoppen de gelovigen op om hun vaderlandse plicht te doen. Al snel vloeide heel wat informatie over de gruwelijkheden aan het Oostfront naar het Derde Rijk via brieven, getuigenissen van soldaten op verlof en gewonden, de treinaalmoezeniers, enkele rechtstreekse getuigen, de Duitstalige uitzendingen van de BBC en via de bisschoppen zoals we kunnen lezen in de ADSS. Soldaten en SS’ers stuurden ook opmerkelijke foto’s naar het thuisfront werden gestuurd, zoals beelden van de Joden in het getto van Warschau, beelden van Russische krijgsgevangenen die in openluchtkampen stierven aan honger en dorst, en zelfs foto’s van de massamoord door de Einsatzgruppen die achter het front honderdduizenden Joden en Russen afmaakten. De katholieke legerbisschop Rarkowski wist dat maar spoorde de soldaten nog meer aan in wat hij noemde ‘de Europese kruistocht tegen het bolsjewistische Untermenschentum’. Juist achter het front waren meer dan 1.000 aalmoezeniers aan het werk die zorgden voor het zielenheil van de soldaten, de mis opdroegen, de biecht afnamen en groepsabsolutie gaven. Op die manier namen ze de laatste morele weerstand weg bij de soldaten en SS’ers die massaal aan het moorden sloegen. De Duitse bisschoppen protesteerden publiekelijk met geen woord tegen de monsterlijke wandaden die aan het Oostfront werden bedreven en waarover ze zeker werden ingelicht door de militaire aalmoezeniers. Er bestond een opmerkelijke richtlijn van kardinaal Faulhaber van 25 november 1941. Herderlijke brieven mochten volgens die richtlijn geen punten bevatten die het aanzien van het volk of de regering konden beschadigen. Faulhaber voegde er tussen haakjes de volgende voorbeelden aan toe: ‘(Joodse kwestie, behandeling van Russische krijgsgevangenen, gruwelen door de SS in Rusland, enz.)’. Die dertien woorden die tussen haakjes in de brief vermeld staan (‘Judenfrage, Behandlung der russischen Kriegsgefangenen, Greuel der SS in Russland usw.’) zijn van bijzonder belang. Ze bewijzen dat kardinaal Faulhaber, en via dit schrijven alle Duitse bisschoppen, al in november 1941 op de hoogte waren van de wandaden aan het Oostfront en dat ze beslisten erover te zwijgen. Dit is in strijd met het vijfde gebod ‘gij zult niet doden’ en met alinea 2313 van de Catechismus die stelt dat ‘niet strijdende burgers, gewonde soldaten en krijgsgevangenen met respect en menselijkheid behandeld moeten worden. Dat de Duitse bisschoppen, het Vaticaan en de paus snel en volledig op de hoogte waren van het enorme drama blijkt uit tal van documenten van de ADSS. Hier volgt een kleine selectie. Op 28 juli 1942 schrijft de nuntius in Berlijn dat de situatie van de niet-ariërs in Duitsland nog erger wordt. Op 31 augustus 1942 meldt de primaat van Roethenië dat al meer dan 200.000 Joden in zijn land zijn vermoord. Op 1 oktober 1942 verwijst Monseigneur Montini, de rechterhand van de paus, naar een nota van Pierro Scavizzi dat de uitroeiing van de Joden quasi totaal is. Op 3 oktober 1942 heeft de Poolse ambassade in ballingschap het over 300.000 vermoorde Joden in zijn land. Op 12 december 1942 schrijft de aartsbisschop van Riga dat bijna alle Joden nu vermoord zijn. The New York Times heeft het begin 1943 al over een totaal van 3 miljoen Joden die vermoord werden. En op 5 mei 1943 vermeldt het staatssecretariaat van het Vaticaan zelf dat van de 4,5 miljoen Joden in Polen en nog slechts 100.000 in leven zijn. Er wordt melding gemaakt van het uitroeiingskamp van Treblinka en het gebruik van gas. Toch komt er geen enkele veroordeling door de paus. Pius XII was ook al heel vroeg op de hoogte van de Hongaarse Holocaust. In mei 1944 waren de spoorlijnen tot in het kamp Auschwitz-Birkenau doorgetrokken tot aan de gaskamers. Van 15 mei tot einde juni 1944 werden meer dan 437.000 Hongaarse Joden gedeporteerd en grotendeels vermoord. Nochtans had zijn eigen nuntius Rotta op 24 mei gesmeekt dat de paus zou tussenkomen. Ook de vertegenwoordiger van het Vaticaan in Washington vroeg een dergelijke tussenkomst omdat 1 miljoen mensen gevaar liepen. Uiteindelijk stuurde Pius XII op 25 juni een telegram naar het Hongaarse staatshoofd waarop de deportaties werden stopgezet. Voorstanders van de paus zeggen dat Pius XII niet vroeger kon reageren omdat Rome en het Vaticaan door de Duitse troepen bezet en omsingeld waren en dat het gevaar bestond dat men de paus zou doden en het Vaticaan vernietigen. Maar ook dat klopt niet, want op 4 juni 1944 was Rome al bevrijd door de Amerikanen. Dus rijst de vraag waarom Pius XII nog drie cruciale weken gewacht heeft alvorens zijn telegram te sturen in de wetenschap dat in die periode nog meer dan 200.000 Hongaarse Joden werden gedeporteerd en vergast. Hiermee overtrad de paus alinea 2269 van de Catechismus die stelt dat het de morele plicht is van elke christen om mensen die in levensgevaar zijn ter hulp te komen. Op basis van al deze en nog andere documenten kan ik alleen het volgende besluiten. De kerkelijke overheden (het Duitse episcopaat, Pacelli, later Pius XII) hebben voor en tijdens de oorlog geen waarschuwingssignalen gegeven dat door de nazi’s ‘iets fundamenteel immoreel aan de gang was’. Ze hebben hun vroegere oproepen van trouw aan het regime nooit herroepen. Ze veroordeelden het nazisme niet. Ze gaven zelfs positieve signalen ten voordele van het nazi-regime en hebben zo de bevolking mee in de armen van misdadigers gedreven. Pius XII gebruikte zijn macht en autoriteit niet. Hij protesteerde nooit tegen het nazisme. Hij heeft nooit Hitler veroordeeld. Hij excommuniceerde geen enkele nazileider. Hij zette Mein Kampf niet op de Index van de verboden boeken. Zelfs niet in 1948 toen hij wel de Méditations van Descartes, de Lettres Persanes van Montesquieu en Le Rouge et le Noir van Stendhal op de zwarte lijst zette. Hij heeft de Duitse gelovigen nooit opgeroepen om het vijfde gebod te volgen: ‘Gij zult niet doden’. Hij had als hoogste morele leider in de wereld nochtans enkele mogelijkheden: hij kon Hitler excommuniceren, hij had eenduidige richtlijnen moeten geven aan de bisschoppen en zonodig onwillige bisschoppen bestraffen. Hij had het vijfde gebod luid en klaar moeten doen weerklinken. Pius XII handelde in strijd met alinea 1868 van de Catechismus dat stelt dat iemand een zonde begaat als hij op de hoogte is van het feit dat er moorden op onschuldigen gebeuren, maar dat niet publiekelijk bekend maakt. Ik besluit. De vernietiging van de Joden was de prijs die de katholieke Kerk bereid was te betalen om haar positie te beschermen en te versterken. Natuurlijk waren het uiteindelijk de nazi’s die de daad bij het woord voegden en hun antisemitisme tot zijn uiterst gruwelijke logica doortrokken door de systematische moord op zes miljoen Joden. Maar dat was enkel mogelijk dankzij de medewerking van grote lagen van de katholieke en protestantse bevolking, zowel in Duitsland als in de door de nazi’s bezette gebieden. En de medewerking van die bevolking was op haar beurt alleen maar mogelijk doordat de paus en de meeste kerkelijke autoriteiten besloten te zwijgen over de grootste ramp in de Europese geschiedenis, en zich nooit publiek tegen Hitler en zijn nazi-regime keerden. De grootste morele fout die de paus en de katholieke Kerk begingen, was dat ze de Duitse bevolking zowel voor als tijdens de oorlogsjaren overtuigden van het rechtmatige gezag van Adolf Hitler en de nazi’s. Dat ze de Duitse bevolking ervan overtuigde dat het nazi-regime niet handelde tegen de christelijke beginselen op het vlak van de rassenpolitiek. Dat het de Duitse bevolking in de waan liet en zelfs misleidde dat het een rechtvaardige oorlog voerde tegen de andere Europese landen en hun bevolking, en tegen de Joden in het bijzonder. Dirk Verhofstadt
Dirk Verhofstadt Linksmailto:verhofstadt.dirk@pandora.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|