Mark Elchardus en Erik Schokkaert over geluk

figuur vrijdag 19 oktober 2007

Mark Elchardus en Erik Schokkaert

De laatste jaren worden we om de oren geslagen met studies over geluk. De mens heeft uiteraard al veel nagedacht en onderzocht over het onderwerp dat iedereen vanzelfsprekend interesseert. Maar de geciteerde onderzoeken gaan verder dan de gebruikelijke huis-, tuin- en keukenmiddeltjes die we in populaire magazines al jaar en dag tegenkomen. Het gaat hier over objectieve, wetenschappelijk uitgevoerde onderzoeken.

Liberales nodigde op maandag 8 oktober 2007 twee professoren uit. Professor Mark Elchardus is socioloog en werkzaam aan de Vrije Universiteit van Brussel. Hij heeft onlangs een onderzoek naar geluk bij 4.500 Belgen afgerond waarvan de resultaten zijn beschreven in het boek Het grootste geluk. Professor Erik Schokkaert is econoom en verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven. Zijn interessegebieden zijn onder meer distributieve rechtvaardigheid en economie en ethiek. Tijdens de gespreksavond hebben de professoren de mogelijkheid van wetenschappelijk onderzoek naar geluk, en de waarde van dit onderzoek, toegelicht. Met andere woorden, hoe moet de overheid de resultaten uit geluksonderzoek gebruiken. Een verslag van de gespreksavond.

Professor Elchardus begon met een kort historisch overzicht van de zoektocht naar geluk. De oude Griekse filosofen vroegen zich al af hoe men gelukkig kon worden, maar het heeft tot de zeventiende eeuw geduurd vooraleer men hierover op een systematische manier begon na te denken. Twee belangrijke redenen kunnen deze verandering verklaren. Enerzijds was er de secularisering, waardoor de belofte van het hiernamaals minder vanzelfsprekend werd en bijgevolg de nood naar meer geluk in het aardse leven belangrijker. Anderzijds kreeg men meer greep op het leven waardoor geluk minder afhankelijk werd van toeval. De connotatie die geluk in vele talen heeft (en ook bij ons), namelijk dat het afhankelijk is van toeval, was misschien vóór de 17de eeuw correct, maar daarna gold dit minder.

Bij de systematisering van het denken over geluk waren er grofweg twee trends. In het Engeland van de 18de eeuw werd door Bentham en Priestly geopperd dat men moest streven naar het grootst mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen. Ieders geluk krijgt net evenveel gewicht, ongeacht de levensstijl of het karakter van de persoon. Al de wetgeving moet zich hierop richten; er is geen andere grond mogelijk, aldus deze 18de eeuwse utilitaristen. Markies de Chastellux vond de utilitaristen veel te dogmatisch. Hij verweet hen dat ze dachten de waarheid in pacht te hebben en te weten wat de mens wilt. Markies de Chastellux' oplossing was simpel: om te weten hoe je gelukkig wordt, moet je kijken naar zij die gelukkig zijn. Zijn probleem was echter een gebrek aan gegevens, waardoor hij aannam dat economische groei in een land overeenkomt met de groei van het geluk in dat land.

Vandaag kunnen we de Chastellux' zienswijze echter wel toepassen en dan blijkt uit onderzoek dat hij niet zo ver naast de waarheid zat. Er is inderdaad een sterke correlatie tussen het gemiddelde inkomen per inwoner en het gemiddelde geluk van mensen in een bepaald land, maar wel slechts tot een bepaalde grens van 20.000 dollar. Boven die grens verzwakt het verband zeer sterk. Dat zien we ook in de ontwikkelde landen: sinds de jaren 50 zijn de mensen veel rijker geworden, maar hun geluk is nauwelijks of niet toegenomen.

Ook kunnen wij nu zien welke mensen gelukkig zijn en aan welke kenmerken deze mensen voldoen. Zo heeft professor Elchardus een onderzoek verricht bij 4.500 Belgen. Met 32 vragen peilde hij naar hun geluk. Met de zeer ongelukkigen en de zeer gelukkigen voerde hij gesprekken om hun positie beter te kunnen verklaren. Uit dit onderzoek blijkt dat de Belgen een gemiddelde geluksscore hebben van 61 op 100, waarbij de Vlamingen iets gelukkiger zijn dan de Walen. Wat opmerkelijk is, is dat relaties, geslacht, regio en opleiding weinig of niet belangrijk zijn om geluk te verklaren; leeftijd daarentegen wel. Er is sprake van een zogenaamde midlife dip, waarbij mensen tussen hun 30 en 50 het minst gelukkig zijn, niet toevallig in de drukte van het leven. Andere belangrijke factoren zijn een actieve vrijetijdsbesteding (positief), steun tijdens een ziekteperiode (positief) en eenzaamheid (sterk negatief). Ook werkloos zijn weegt zwaar negatief door op het geluksgevoel, en zeker niet enkel door het lagere financiële inkomsten.

Professor Schokkaert heeft enkele bedenkingen bij de mogelijkheid om geluk te meten. Veel van dergelijke onderzoeken vragen vaak letterlijk naar de algemene tevredenheid (Alles welbeschouwd, hoe gelukkig/tevreden zou je jezelf noemen?) Het antwoord dat men daarop geeft stemt volgens de professor niet overeen met een psychologische realiteit, omdat ons geheugen hoegenaamd geen feilloos instrument is. Een betere methode is de dagboekmethode, waarbij de onderzochte personen een dagboek bijhouden en nagaan hoe goed ze zich voelen bij welke activiteiten en bij welke mensen. Uit dit soort onderzoeken blijkt dat mensen zich het best voelen tijdens seks en het slechtst wanneer ze pendelen naar het werk. Als je het bekijkt vanuit het perspectief van het gezelschap, dan voelen mensen zich het gelukkigst als ze bij vrienden zijn en het slechtst in aanwezigheid van hun baas. Het probleem van de dagboekmethode is dat ze niet kan gebruikt worden om een normatief oordeel te vellen, aangezien elke mens verschillend is. Daarvoor moet je dus weer teruggrijpen naar de vorige methode met de algemene vraagstelling.

Het gebruik van vragenlijsten om het geluk te meten, is echter zeer subjectief. Eigenlijk meet men het subjectieve welbevinden van de persoon in kwestie. In dergelijk onderzoek wordt onvoldoende rekening gehouden met objectieve standaarden, met het klassieke voorbeeld van de slavernij: stel dat men het geluk van slaven onderzoekt en constateert dat deze mensen redelijk gelukkig zijn, is slavernij dan slecht? Ja, volgens de professor, en hij meent dat elk weldenkend mens het met hem eens is. Mensen hebben een groot aanpassingsvermogen, wat op zich goed is, maar dat kan dus betekenen dat ze zich te gemakkelijk verzoenen met hun situatie. Ook kan het zijn dat ze zich gelukkig prijzen omdat ze niet beter weten. Als voorbeeld kan hier de emancipatie van de vrouw gebruikt worden. Het kan best zijn dat vrouwen vroeger gelukkig waren, maar weinig of geen vrouwen willen nu terug naar de vroegere situatie. Bijgevolg is er nood aan meer objectiviteit in deze onderzoeken. Amartya Sen illustreert dit met de volgende vraag: wie moet er geholpen worden, de arme, die redelijk gelukkig is (hoewel het nog veel beter kan) of de rijke, die doodongelukkig is, omdat men zijn poëzie maar niks vindt? De vraag die we ons dus moeten stellen is: wat is een goed leven? Daar kan geluksonderzoek zeker bij helpen, maar het is niet het enige wat telt.

Daarom is het volgens professor Schokkaert nodig dat meer objectieve omstandigheden moeten beschouwd worden, in plaats van subjectieve gevoelens. Daarmee bedoelt hij zaken waarmee iemand de middelen en de kansen krijgt om een gelukkig leven uit te bouwen, zoals huisvesting en onderwijs. Toch is de tegenstelling tussen subjectieve en objectieve doelstellingen niet zo groot. Veel doelstellingen die uit het subjectieve geluksonderzoek komen, zijn immers dezelfde als de objectieve doelstellingen. We kunnen dan die zaken uit het subjectieve geluksonderzoek behouden die onze objectieve kritische toets doorstaan. De vraag is dus: voor welke zaken houden we de mensen verantwoordelijk en voor welke zaken niet?

Professor Elchardus is het er niet mee eens dat er minder subjectiviteit zou moeten zijn. De twintigste eeuw is de eeuw van de erkenning van de subjectiviteit. Zo bijvoorbeeld waren gearrangeerde huwelijken, met een flagrante ontkenning van het subject, vroeger ook bij ons de normaalste zaak van de wereld, terwijl we dit nu absoluut niet meer aanvaarden. Hij pleit dan ook voor meer subjectiviteit in plaats van meer objectiviteit. Ook het feit dat het peilen naar subjectief welbehagen zou kunnen leiden naar een situatie waarin bepaalde groepen zich gelukkig prijzen, ook al zitten ze in een benarde situatie (verwijzend naar het voorbeeld van de slavernij) vindt professor Elchardus weinig waarschijnlijk, gezien de hedendaagse communicatiemiddelen.

Professor Schokkaert stelt dat de eeuw van de subjectiviteit misschien wel wat doorgeslagen is en dat er toch wat meer objectiviteit moet zijn. Deze objectiviteit, waarbij het in se gaat over waarvoor iemand verantwoordelijk is ten aanzien van zijn geluk en waarvoor niet, kan dan op het democratische forum bepaald worden. Op dit forum wordt de uitkomst natuurlijk ook door subjecten bepaald, maar dan wel in een open discussie waarbij de (subjectieve) argumenten tegen elkaar worden afgetoetst.


Verslag door Andreas Tirez



De volgende activiteit van Liberales gaat door in De Boekenbeurs in Antwerpen op zondag 11 november om 16u30 in de zaal Architectura. Sprekers zijn Ralf Bodlier en Mirjam Vossen over hun boek 'Hulp'. Moderator is Jos Geysels, voorzitter van 11.11.11.

Mark Elchardus en Erik Schokkaert

Links
andreas@tirez.be
Share |

4 Liberales-sessies over Economie

Om het economisch nieuws beter te begrijpen, organiseert Liberales in januari en februari vier sessies over Economie (te Brussel). De sessies behandelen pensioenen, strategisch gedrag, financieringswet en de financiële crisis. Toegang is 3 euro per sessie. Plaatsen zijn beperkt. Inschrijven via deze link. Meer info onder Activiteiten.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be