Mijnheer de rector, Collega's ere-doctorandi, Dames en Heren, Het is een grote eer een eredoctoraat van mijn universiteit te magen ontvangen. En het verheugt mij bovendien dat ik hier het woord mag voeren. Ik verliet de rechtsfaculteit in 1975. Dat is exact vijfendertig jaar geleden. Het was een woelige, maar ook een boeiende tijd. In vele opzichten hoopgevend, zoals tijdens de wonderjaren 1989-1991, toen de muur viel en de Sovjet-Unie in elkaar klapte, gebeurtenissen die mijn politieke generatie ook nu nog altijd helder voor de geest staan. Maar het waren ook bange tijden. Vooral de jaren volgend op de grootste terreuraanslag ooit, op de Twin Towers in New-York op II september 2001. Sinds kort gewagen velen ook van een catastrofale periode. We worden geconfronteerd met een opwarming van onze planeet die – zeggen deskundigen – onvermijdelijk zal leiden tot (overstromingen, natuurrampen...). En sedert 2008 worden we wereldwijd getroffen door een financiële en economische crisis, de zwaarste sinds de jaren dertig van de vorige eeuw. Gaat de wereld de goede kant op of staat ze aan de rand van de afgrond? Is er hoop op beterschap of betalen we nu de prijs voor een geloof in een ongebreidelde vooruitgang? Wat kunnen we daarover vertellen? Wat kunnen doen om het ergste te vermijden? En waar mogen we redelijkerwijze op hopen? Het klinkt als de drie vragen van Kant: ‘Wat kunnen we weten’? ‘Wat moeten we doen’? ‘En wat mogen we hopen’? ‘Wat kunnen we weten’? Of beter misschien, ‘wat kunnen we kennen’? Het is niet toevallig de eerste vraag van Kant. Want kennis is fundamenteel. Ze is de kern van de menselijke beschaving. Ze is de motor achter iedere stap voorwaarts. Kennis is ook universeel. Tussen ‘universiteit’ en ‘universeel’ bestaat niet alleen een etymologische verband. ‘Echte’ kennis is ‘universele’ kennis. En dat is allerminste een verdienste van het westen alleen. Integendeel. Tot die kennis hebben vele volkeren, culturen en beschavingen bijgedragen. Niet in het minst de Chinese. Het volstaat er aan te herinneren dat (verwijzen naar uitvindingen als buskruit, boekdrukkunst, kompas...). Kortom, kennis is het werk van de homo sapiens, en niet van Britten, Fransen, Italianen of Amerikanen. Ze is het werk van alle denkers aan alle universiteiten op deze planeet, die samen wereldwijd het netwerk weven voor een nog onvermoede toename van de wetenschappelijke rijkdom. En tegelijkertijd blijft ze ook de belangrijkste drager van een wereld die zich steeds meer en meer verenigd. Kennis betekent ook vooruitgang. Wie zich afsluit van kennis, kiest voor stilstand, kiest voor achteruitgang. Daarom is toegang tot kennis, kortom toegang tot informatie ook een mensenvriend. Een regime dat zijn burgers die toegang ontzegt, bijvoorbeeld door de persvrijheid aan banden te leggen, ontzegt hen de essentiële hefboom tot vooruitgang. En dat is een onrecht dat we in naam van de menselijke beschaving nooit mogen aanvaarden. Maar even belangrijk dan het feit dat kennis vooruitgang bewerkstelligt, is de vaststelling dat kennis ‘groeit’. Voor wetenschappers is dat nogal een evidentie. Anders zouden de universiteiten geen reden van bestaan hebben. En zouden er evenmin eredoctoraten worden uitgereikt. Maar de draagwijdte van die vaststelling reikt verder. In zijn boek The Growth of Knowledge betoogde Karl Popper dat als we aanvaarden dat de kennis groeit, we tevens moeten aanvaarden dat we nooit de volledige waarheid zullen kennen. Het erkennen van de relativiteit, of beter gezegd de tijdelijkheid van de waarheid, is niet alleen wetenschappelijk maar ook maatschappelijk en politiek van groot belang. Het betekent dat zij die beweren de ideale maatschappelijke oplossing of de ideale samenleving te hebben gevonden, per definitie fout zitten. Meer nog, dat het gevaarlijke gekken zijn. De ideale wereld bestaat niet. En elke poging om die te introduceren, is uitgelopen op een tragedie. Het heeft van de twintigste eeuw de meest waanzinnige eeuw uit de menselijke geschiedenis gemaakt. En het heeft de mens fouten doen begaan, die we best nooit meer herhalen. Dat brengt me meteen tot de tweede vraag van Kant. ‘Wat moeten we doen’? Betekent het ontkennen van de Waarheid met een grote W, of van de ideale wereld dat er geen idealen meer zijn? Dat we onvermijdelijk moeten verzanden in lethargie en inertie? Dat het beter is zich op te sluiten in een ivoren toren, eerder dan de wijde wereld in te trekken? Integendeel. Het ontkennen van het ‘ultieme’ maakt plaats voor het ‘mogelijke’. Wie afstapt van de ‘ideale’ wereld, creëert ruimte voor een ‘betere’ wereld. Beetje bij beetje. In zo'n ‘betere’ wereld is er dan misschien minder plaats voor ‘martelaren’, maar des te meer voor heiden. Mensen die hun kennis, hun talenten en hun tijd aanwenden om onrecht te bevechten. Mensen die zich engageren om ziektes te bestrijden, om oorlog te vermijden. Mensen die zich inzetten voor meer openheid, meer verdraagzaamheid, meer vrijheid. Hedendaagse helden. Hoewel, het is voor ieder van ons niet altijd zo eenvoudig de vraag te beantwoorden ‘wat te doen’. Soms moet men wakker worden geschud. Of met de neus op onrecht worden gedrukt, onrecht dat dermate groot is, dat engagement geen keuze meer is, maar haast een plicht wordt. Ikzelf ervoer dat in de jaren negentig toen ik geconfronteerd werd met het onmenselijke drama dat zich in Rwanda voltrok. Hoe mensen elke dag uit gingen werken om eenmaal terug thuis met de machete in de hand buren, kennissen en vrienden emotieloos als beesten af te slachten. Negenhonderdduizend doden in twee maanden. Moeders, vaders, kinderen. Enkel en alleen omdat ze er een beetje anders uitzagen of verdacht werden mee te heulen met zij die er anders uitzagen. Wat ik in Rwanda zag, ging alle begrip te boven. En je vraagt je samen met Primo Levi niet alleen af: ‘Is dit een mens?’, maar vooral hoe zulks in godsnaam vijftig jaar na Auswitch nog steeds mogelijk is. Want ook vandaag gaat het doden op verschillende continenten onverminderd door. Misschien niet onder dezelfde vorm of met dezelfde intensiteit, maar wel steeds opnieuw met dezelfde uitkomst. Elk jaar sterven miljoenen kinderen van de honger, van slecht water of aan geneesbare ziektes. Waarbij de oorzaak meestal niet bij mislukte oogsten of niet te cultiveren land ligt, maar bij oorlog, bij dictatuur, bij die ene stam, etnie of religieuze groep die die andere stam, etnie of groep niets gunt en naar het leven staat. Want daar komt het bijna altijd op neer. Wat ik in Rwanda heb geleerd, is dat denken in termen van groepen uiteindelijk tot niets leidt. Of het nu gaat om religie, etnische afkomst of identiteit, er loert altijd gevaar om de hoek. Vroeg of laat, vervalt zulk denken altijd in uitsluiting, in het bannen van de ander, in het weren van de vreemde, van hij of zij die niet tot de groep behoort, kortom in een simplistisch vijandbeeld. En vroeg of laat leidt dat onvermijdelijk tot afkeer, tot haat en geweld in de samenleving. Maar bovenal doet het de mens onrecht aan. Amartya Sen betoogt in Identity and Violence dat een mens reduceren tot identiteit niet alleen onjuist is, maar hem vooral zijn vrijheid en zijn waardigheid ontneemt. Mensen hebben niet maar meerdere identiteiten. Hem of haar die rijkdom ontzeggen, is hem of haar de keuze ontnemen wat hij of zij het belangrijkste vindt in zijn of haar leven. Mensen in een hokje of een vakje stoppen, in de houdgreep van welbepaalde identiteit, een religieus geloof of een sociale groep, is mensen het recht ontnemen zelfhun leven in te richten. Hoe belangrijk de groep ook is, uiteindelijk heeft elk een recht op zijn eigen leven. Elke mens moet de kans krijgen zelf zijn toekomst uit te stippelen. Elke mens heeft het recht zelf te bepalen wat hij of zij met zijn leven aanwil. Dat is het doel. Dat is het streven. De kern van een ‘betere’ samenleving waartoe elk van ons kan bijdragen. Vanuit de geneeskunde bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat de juiste geneesmiddelen bij de juiste mensen terecht komen. Vanuit de wetenschap. Vanuit de politiek. Maar ook vanuit de kunst, het onderwijs, enzovoort. Elke bijdrage aan een betere samenleving is een noodzakelijke bijdrage. En elk engagement voor een betere wereld is essentieel en onontbeerlijk. ‘Wat mogen we uiteindelijk hopen’? Kants derde vraag. Gaan we de goede richting uit? Of flaneren we op de rand van de afgrond? Gaat de wereld vooruit? Of bollen we achteruit? Is er met andere woorden reden voor een optimistische of eerder een pessimistische kijk op de toekomst? Maar hebben we wel die keuze? In beginsel hebben we die vanzelfsprekend. Maar hebben we die ook in het werkelijke leven? Is het leven denkbaar zonder (...)? Is met andere woorden optimisme niet een morele verplichting? In ieder geval is zonder een optimistische ingesteldheid, zonder een fundamenteel geloof in de verbeterbaarheid van de wereld, engagement ondenkbaar. Dat uiteraard geen blind optimisme te zijn, maar de rustige zekerheid dat de wereld langzaam maar zeker, met vallen en opstaan, met pieken en dalen vooruit gaat. Freedom House berekende dat het aantal politieke democratieën in de wereld honderd jaar geleden nog op de vingers van hand kon geteld worden. Vandaag zijn het er minstens 120, op een totaal van 192 lidstaten van de Verenigde Naties. Zij vertegenwoordigen twee derde van de wereldbevolking. Inmiddels hebben onze moderne waarden – vrijheid, gelijkheid en universele broederschap – hebben de voorbije honderd jaar op onvoorstelbare wijze aan kracht gewonnen. En de Europese eenmaking daar op een indrukwekkende wijze toe bijgedragen. Niet alleen in Europa zelf, waar het van arme dictaturen welvarende democratieën heeft gemaakt. Maar ook daar buiten. We mogen niet onderschatten hoe onze Europese Unie als voorbeeld die voor alle continenten. Hoe wij erin geslaagd zijn onze slagvelden te verplaatsen naar de onderhandelingstafel. Als er hoop is dat we moeten koesteren, dan is het dat dit over de hele wereld navolging zou krijgen. Dames en heren, We leven in een complexe wereld. Toch horen we steeds meer simplistische antwoorden. Slogans zonder nuances. Het heeft ieder van ons wel eens verleid. Maar het is een politiek zwaktebod. Met diepe polarisaties als gevolg. Laat ons daarmee stoppen. Mensen hebben genoeg van polarisaties. Van het beschuldigen van andere groepen. Vlamingen tegen Franstaligen. Franstaligen tegen Vlamingen. Autochtonen tegen allochtonen. Allochtonen tegen autochtonen. Oude Europese lidstaten tegen nieuwkomers in Europa. Europeanen tegen Amerikanen, en vice versa. En wij allen tegen de moslims. Polarisaties zijn gemakkelijk maar gevaarlijk. Ze verstarren de geest, ze verblinden de rede. Ze maken van onze open samenleving een gesloten samenleving. Een samenleving gericht op het verleden. Een samenleving die niet bij ons past. Wij moeten een samenleving koesteren van openheid, engagement, een gerichtheid op de toekomst. Omdat, en dat is mijn diepste overtuiging en de motor van mijn engagement, niet onze afkomst belangrijk is, maar onze toekomst. Niet waar we vandaan kamen, maar waar we naartoe gaan. Het is geen grote stap om te nemen. Het vergt enkel een beetje moed.
Guy Verhofstadt Linksmailto:guy.verhofstadt@openvld.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|