Leven en werk van Mohamed Kacimi-El Hassani (°1955)

figuur vrijdag 06 maart 2009

Mohamed Kacimi-El Hassani

Mohamed Kacimi-El Hassani werd in 1955 geboren in El Hamel. El Hamel is voor moslims in Algerije een heilige stad. De schrijver stamt uit een notoire geleerde moslimfamilie van theologen, werkzaam binnen een belangrijke soefi broederschap. Eén van de scholen - een zaouïa = school, hoek waar de vergaderplaats van soefi’s is gelegen - van die broederschap werd in El Hamel opgericht. In zijn geboorteland, Algerije, volgt de schrijver een koranopleiding, maar hij is er ook ingeschreven aan een Franse school. Hij zal zich gaandeweg bekwamen in zijn erudiete kennis van de Franse literatuur. De taal van Descartes en Voltaire wordt de taal van zijn ontvoogding en bevrijding. Het Arabisch blijft van dan af de taal van het gebed, van de regel, van het geloof. Als gevolg van de politieke ontwikkelingen in zijn land, moet de familie El Hamel verlaten. Na omzwervingen installeren de gezinsleden zich in Algiers. Mohamed Kacimi is er ingeschreven als student Franse literatuur aan de universiteit van Algiers.

In 1982 zet hij de grote stap. Hij verlaat zijn geboorteland en vestigt zich te Parijs. Vijf jaar later publiceert hij zijn eerste roman, in het Frans, de taal van zijn schrijverschap: Le Mouchoir (Harmattan). In 1990 publiceert hij samen met de verder weinig bekende Chantal Dargon een boek Arabe, vous avez dit Arabe, waarin de schrijver aan de hand van citaten hoofdzakelijk uit de Franse literatuur een beeld geven van de wijze waarop over de Arabische wereld en mens werd gedacht. De inleiding van Mohamed Kacimi geeft een beknopte samenvatting. Nogal karakteristiek voor de tijd, heeft hij het over de waarde van de Arabische wereld voor Het Westen, waarbij hij een ietwat stereotiep beeld ophangt van L’Occident (men kan van occidentalisme spreken, om Edward Saïd te imiteren met zijn begrip oriëntalisme). Later zal hij een heel ander standpunt innemen. Hij is in de geleerde familietraditie goed vertrouwd met godsdienstige teksten. In de eerste plaats De Koran, maar in de tweede plaats met de Hebreeuwse Bijbel die met het Nieuwe Testament de basis heeft gevormd voor de ‘tekst’ van het heilige boek van de Islam. Zijn fascinatie voor godsdienstige teksten en de daarin opgenomen imaginaires heeft de schrijver uiteindelijk gebracht tot een scherpe confrontatie met de monotheïstische godsdiensten.

In zijn autobiografisch boek, L’Orient après l’amour, doet Kacimi verslag van zijn breuk met de wereld van zijn jeugd en adolescentie. Het merkwaardige aan dit geslaagde boek is dat de auteur een met humor en sarcasme bekleed Inzwischen, een ‘tussenin’, schetst. Het is een gevolg van zijn ervaringen en zijn gevoeligheden na het verlaten van Algerije. Uit zijn relaas spreekt een humanisme dat herinnert aan dat van Albert Camus, zij het dat het met iets minder literair bravoure, maar met veel meer ironie wordt opgevoerd. Een humanisme dat wel eens wordt aangeduid als une pensée de midi. Een begrip met meerdere betekenissen natuurlijk: ‘midi’ als het zuiden, vanzelfsprekend een gemythologiseerd zuiden, niet zelden la méditerranée; maar ‘midi’ ook als halfweg de dag, het middaguur, het uur midden dag en nacht.

Men leest in dit moedige boek, waarin de schrijver zich tegenover een fanatieke moslimwereld in hoge mate bloot geeft, het volgende: ‘De westerse wereld is voor de Arabier en de moslim wat de jood is voor de Pool. Schuldig aan de regen. Schuldig aan de branden, de hongersnood en het liefdesverdriet. Als godsdienst van de gekwetsten en de behoeftigen ontvangt de islam slechts slachtoffers en zij die daarin niet willen wonen dragen noodzakelijk schuld.’ En iets verder lezen we: ‘Laten we eens kijken naar de karikaturen. Boven de legitieme gevoelens die gelovigen kunnen ervaren bij datgene wat ze beschouwen als een godslastering en een aanslag op hun geloof en overtuigingen, is het nodig aan te duiden dat die campagne van verontwaardiging wezenlijk werd georkestreerd door de meest fundamentalistische en totalitaire regimes, door het wahhabiete koninkrijk van Saoedi-Arabië, het tribale Libië, om tenslotte in de Palestijnse gebieden uit te komen bij Fatah en Hamas.’

Hoe komt het toch, zo vraagt deze Algerijns-Parijse humanist zich af, dat de massa’s - hij bedoelt zonder omwegen de massa’s in de Arabische landen, in Afghanistan, Pakistan, Saoedi-Arabië, Algerije, Maleisië, enz. - zo opvallend ongevoelig blijven voor de schendingen van hun rechten en hun maatschappelijk leven, die hen worden opgelegd door hun regeringen, terwijl zij zo gewelddadig ontvlammen wanneer het gaat om zaken van het hierna- en het bovenmaals. Als het over de profeet, zijn epilepsie en zijn meisjes gaat, dan lopen zij storm en voelen zij zich in het diepste van hun kruis getast. Maar dat ze geen of weinig politieke vrijheden genieten en onder een godsdienstig juk worden gehouden, dit kan hen klaarblijkelijk niet schelen. Tegen de overtuiging van Edward Saïd, als ik het goed heb, zegt Kacimi in 2008: ‘vandaag zijn de moslims zelf verantwoordelijk voor het beeld dat Europa van ze heeft.’ L’Autre ne peut me restituer que l’image que je veux bien lui donner de moi... (201)

Ik kan vanuit een politiek en sociaal liberale oriëntatie, als kind van onze Verlichting, van onze Spinoza - ooit zelf in Amsterdam moedig slachtoffer van godsdienstige waan -, van onze Toland en van onze Locke, van onze Kant en van onze Martin Buber, weinig meer dan grote bewondering koesteren voor de vermetele en vanuit zijn positie beschouwd niet eens ongevaarlijke moed van Kacimi. Vooral als ik bij de schrijver lees dat wij ons misschien niet eens niet vergissen - zeker nu wij worden geconfronteerd met een scheve berichtgeving over het Midden-Oosten, over Israël en Palestina, met een verdachte klaagzang ter vergoelijking van Hamas, niet zelden gevoed door een virulent en revanchistisch antisemitisme: ‘Wanneer men een feodale wereld vertegenwoordigt van erfopvolgingsrepublieken en van tribale monarchieën, zonder vrijheden, zonder democratie, zonder een hedendaags cultureel leven, zonder fundamentele rechten, zonder een andere toekomst dan die van de eschatologie (de grote eindverwachting, het Laatste Oordeel), dan moet men niet verwachten te worden overladen met lof door uw gesprekspartners. Die arabo-moslim wereld is een grote Goelag, zonder Zinoviev, zonder Soljenitsyn, waar God, die groot is, de plaats heeft ingenomen van de Kleine Vader der volkeren.’

De pen van Kacimi is in bijtend zuur gedompeld. Die pen schrijft waar westerlingen wanneer ze het durven uitspreken of er een film over maken voor aan de schandpaal van het politiek correcte denken worden genageld. Ik weet niet met absolute zekerheid of Mohamed Kacimi gelijk heeft in absolute zin. Maar ik weet dat de Algerijns-Franse humanist gruwt van alle integrismen, waar ook ter wereld. Hij zegt: ‘de integrismen die dan aanvangen als de mens zijn gevoel voor humor en relativeringszin heeft verloren’. Daarom kan ik zijn getuigenis niet veronachtzamen. Ik moet ze ernstig nemen omwille van wat wij onszelf al jaren voorzeggen in onze roes van weldenkendheid.

Hij zegt het in 2008 zonder omwegen, zijn eerdere opinies uit 1990 verlatend of relativerend, en wij doen er niet slecht aan er eens goed naar te luisteren: “dat men nu weer niet komt aandraven, tot aan de walging bij elke nieuw opstoot van geweld, met hoe schoon de gouden eeuw van Bagdad was, hoe rijk het erotisme van Duizend-en-één nacht, hoe geurig de parfums uit het Midden-Oosten, hoe heerlijk de poëzie van de soeks en de hammams (badhuizen), hoe voorbeeldig de verdraagzaamheid van El Andaluz.” Men kan een cultuur, zo gaat Kacimi verder, niet beoordelen aan de hand van één Andalucia, zoals het ooit eens heeft bestaan. Men moet een cultuur beoordelen aan de hand van dit Andalusië dat ze zou kunnen voortbrengen. Wat in dit opzicht voor de westerse cultuur geldt, gaat op gelijke wijze op voor elke andere cultuur: wat komt er uit voort, wat wordt er uit geboren?

De kracht van de Islam vandaag is volgens Mohamed Kacimi-El Hassani, dat hij mensen leert niet te gaan wanhopen over het leven. En wel omdat het leven gewoonweg kan worden genegeerd. Omdat het leven voor die Islam, als het er op aan komt, van geen tel is. ‘De hele wereld is een lachwekkende ouverture op wat eeuwig gaat komen. Om deze reden gooien miljoenen moslims zich in die lachwekkende eeuwigheid en laten ze een werkelijke wereld achter zich, alsof het om een vuil kledingstuk gaat.’

Kacimi noemt het kortweg een schizofrene houding. Alle ongelukken hier en nu: zij zijn de schuld van de anderen. Maar er komt nog meer uit de scherpe pen van de Parijzenaar: ‘laten wij niet wijken voor de godsdienstige dictatuur die meisjes oplegt de hoofddoek te dragen.’ Niet wijken voor die godsdienstige dictatuur, dat is volgens Kacimi een dienst bewijzen aan de islam. De islam eindelijk leren dat ‘het geen unieke godsdienst is, maar slechts één tussen vele en dat Frankrijk en Europa geen landen zijn die moeten worden veroverd. Dat het landen zijn die men kan delen met de anderen.’

Wat hij zegt over Frankrijk en Europa, gaat dat ook niet op voor Israël - en haar bestaansrecht al van sedert het einde van de 19de eeuw - en voor Palestina aan de grens met dit Israël? Wie zegt nu al decennia lang, eigenlijk nog langer als men bedenkt dat er werd samengewerkt met de Führer tijdens de 2de W.O., dat Israël niet bestaat en kan bestaan, om heel paradoxaal te besluiten dat het moet worden vernietigd? Laat ik de schrijver nog eens citeren en sommigen van ons een hart onder de riem steken, omdat hij het zegt en omdat hij het schrijft: ‘De hoofddoek accepteren (hij bedoelt zowel in openbare gelegenheden, maar ook als verplicht opgelegd in privé aangelegenheden), dat betekent een hele generatie van jonge vrouwen met handen en voeten gebonden overleveren aan de broers en vaders, die niet beter vragen dan dat zij dit infame kledingstuk aan hen kunnen opleggen.’

Zij - die venten, broers en vaders - zullen het hem niet in dank afnemen. Zeker niet als ze hebben gelezen in zijn autobiografisch boek van 2008 dat Parijs voor de schrijver de gedroomde plaats was. Hij kon er zijn Arabisch achter zich te laten, zijn genealogie, zijn familie, en zijn God en zijn Profeet. In Parijs ontdekte hij het theater met de grote familie van Le Théatre du Soleil onder leiding van Ariane Mnouchkine. Het was Mnouchkine die hem opdroeg een tekst te schrijven ter ere van de libertijnen en vrijdenkers van de Levant. Het betreft Le Vin, Le Vent et la Vie, tekst die werd gebracht op het Festival van Avignon, 1995 of 97. Het gaat om Kacimi’s versie van het werk van de Arabische libertijn Abu Nuwas (757 – Bagdad 815), die door Tahar Ben Jelloun in Le Monde een denker van de transgressie werd genoemd. In 2001/2 heeft Mnouchkine Kacimi’s theaterstuk 1962 geprogrammeerd. Het stuk heeft een autobiografische inslag en betreft de utopie van een ander en beter Algerije, utopie waar Kacimi en velen met hem als van uit een boze droom zijn ontwaakt.

Het theater was van 1995 af voor Kacimi het literair-artistieke medium voor zijn humoresken in humanistische traditie. Bij die traditie denk ik dan aan Erasmus en aan Giordano Bruno. Een zachtmoedige, maar altijd kordate belijdenis, ontdaan van de dwaze zekerheden van welke godsdienstigheid dan ook, die de ironische sloop beoogt van wat de mensen door opinie en traditie van elkaar vervreemdt. In 2000 publiceert hij bij Gallimard zijn récit-théatre La confession d’Abraham, dat vandaag het voorwerp is van een gedramatiseerde lezing door Hilde Uitterlinden en Charles Cornette. Ik maakte de vertaling van de tekst, maar ik moet u bekennen dat ik uiteindelijk niet erg tevreden ben met de titel, waar we aanvankelijk over hebben gepraat. Beter ware het geweest te kiezen voor De brieven aan Abraham, een beetje prozaïsch maar in overeenstemming met de inhoud van het stuk.

Vooraleer verder in te gaan op die inhoud, moet ik nog vermelden dat Kacimi het qua theater niet heeft gelaten bij dit vroege werk. In 2006 publiceerde hij het toneelstuk Terre Sainte (Het Heilige Land) bij ‘Collection des quatre-vents contemporain’ en in samenwerking met een organisatie waar hij zijn assistentie aan verleent: ‘L’Avant-Scène théatre’. Controversieel toneelwerk over een bezette stad ergens in het Midden-Oosten vlak bij de zee. Het is niet moeilijk er Beiroet in te zien. Beiroet, stad die Kacimi in zijn hart draagt. 5 personages delen een imaginaire infernale oorlogsruimte, waarin geweld en terreur tot een radicale ontmenselijking leiden. Hoewel de historische en geopolitieke concrete verwijzingen ontbreken is duidelijk dat Kacimi zijn ontzetting uit over de oorlog in Libanon, het optreden van het Israëlische leger, het moslimfanatisme, het zelfvernietigende terrorisme, de vergeldingen. Kortom: de destructieve spiraal van geweld en tegengeweld die alle partijen in het vlees snijdt. Het toneelstuk eindigt met een grote explosie nadat één van de personages een zak heeft open gemaakt waarin wat kleine herinneringen aan moeder, haar foto’s en haar spulletjes.

Toen het toneelstuk, juni 2008 in het Israëlische Khan Theater (Jeruzalem; directeur Gurevitch) werd opgevoerd, sprak de criticus Haim Watzam van een “gemist punt”. Daarover zullen niet allen het met de man eens zijn, ik zeker niet. Het hoofddoel van Kacimi is immers te tonen dat elke oorlog naar ontmenselijking en tot totale ontwaarding leidt. De schrijver herinnert zich zijn verleden en de oorlogen in Algerije. Hij wil dat mensen zich losmaken van alle integrismen en fanatismen. Die zijn altijd met belachelijke godsdienstige legenden verknoopt. De integrismen roepen een gefingeerd verleden op waardoor mensen hun concreet heden opofferen aan de abstracte toekomst uit kritiekloos doorvertelde mythen. Watzman wilde dit niet naar waarde schatten, zo zeer is hij zelf in de ban van het geleerde vertoog over de ‘rechtvaardige oorlogen’. De Just Wars waarover filosofen zoals Michael Walzer hun far away theorieën formuleren. Tussen Kacimi en Watzman liggen werelden van van elkaar gescheiden vertogen en bekommernissen.

Hetzelfde thema van de bezette en verwoeste stad is het onderwerp van het boek dat Kacimi samen met de Libanese actrice Darina Al-Joundi schreef: Le jour où Nina Simone a cessé de chanter. Bezette en verwoeste stad, jawel: de parel van het Midden-Oosten, cultuurcentrum bij uitstek met universiteiten, religieuze centra en welvarende handelshuizen, toevluchtsoord waar vrijgevochte lieden konden schuilen voor het moslim en christelijk geweld tussen druzen en maronieten. Beiroet, de witte stad aan de zee die tussen 1975 en 1990 het toneel was een verschrikkelijke burgeroorlog en die in 2006 opnieuw het slachtoffer werd van hevige bombardementen door de Israëlische luchtmacht, toen Hezbollah milities ermee begonnen waren het noorden van Israël aan te vallen.

Darina Al-Joundi was een klein meisje toen de stad van haar vader, een Syrische libertijn, en van haar moeder een Libanese moslima, werd verscheurd. Zij verliet Beiroet als jonge vrouw, gekwetst en gekneusd, na een leven van chaos en migratie, drank en heroïne, seksueel geweld, mislukte huwelijken met enkele mesjogge moslimmannen gekweld door onverbeterlijke misogynie, en na tenslotte door haar eigen moeder te zijn geplaatst in een psychiatrische instelling. Parijs werd ook voor haar de stad van de bevrijding. Het boek werd voor theater bewerkt en door Darina Al-Joundi zelf opgevoerd.

La confession d’Abraham zal om al die redenen wel een centrale plaats blijven innemen in het oeuvre van deze Parijse humanist van Algerijnse oorsprong (en niet zoals Watzman, in eigen vlees snijdend, zegt: “een Arabische schrijver)”. Want wat is onderwerp van dit récit-théatre? Zie ze daar verdomme zitten, die twee: Abraham en Sarah, vader en moeder van de mensheid. Abraham, de uitvinder van een uniek contract met de Allerhoogste die hem - zoals later door die andere profeet nagebootst - via een engeltje komt toespreken: Gabriël, de plezantste van de hele bende engeltjes, als we er Lucifer even buiten laten. Abraham, hij heeft ’t licht gezien en heeft blind een zending op zich genomen die hij misschien in een of andere zieke roes aan zichzelf heeft wijsgemaakt. Talrijk zou zijn nageslacht zijn. Talrijk als de sterren aan de hemel en de zandkorrels op de bodem der zeeën. De kinderen van Abraham en Sarah, aha, de roemrijke mensheid in haar totaliteit.

Maar ach, met dat nageslacht gaat het al in de tweede generatie fout. Zo leert de Bijbel het, het boek waar Kacimi de gedreven en goed onderlegde, de slopende lezer van is. Alle monotheïstische godsdiensten neemt hij op de korrel met hun impliciete en expliciete ongerijmdheden. Die Bijbel is Kacimi’s eerste bron voor het schrijven van de tekst. Het staat er allemaal, zo lijkt de schrijver ons voor te houden. Ik heb dit niet verzonnen, die dwaasheden, die brutaliteiten, die dienstbaarheid aan een zogezegd van boven af verkondigd verhaal. En heeft het niet meer kwaad dan goed gesticht? Met het allereerste nageslacht dus begint het kwaad. Eerst krijgt de vader van de mensheid een zoon bij zijn beeldschoon Egyptisch liefje Agar. Hij noemt hem Ismaël. En daarna, omdat gekke engelen zijn afgedaald uit Abrahams gefantaseerde wereld om hem te komen verzekeren dat het met zijn al even beeldschone Sarah, de hoer van de Farao, nog wel goed komt, krijgt hij een tweede zoon, Isaak. Is dat niet om te lachen? Twee flinke zonen bij twee beeldschone vrouwen. Alas, alas: het is het begin van alle ellende van de mensheid.

Mohamed Kacimi-El Hassani is de meester van de zachtmoedige ironiserende deconstructie van de fabels der mensheid en in La confession d’Abraham voert hij zijn toehoorder hiermee tot die ene compromisloze humanistische conclusie: had God het niet beter kunnen laten? Had Abraham er niet beter aan gedaan met zijn familie aan de oevers van de Eufraat te blijven, waar het goed toeven was (zeker toen er nog geen Yankees waren gearriveerd)? Wat is dat voor een belachelijke God die hij zich daar heeft uitgevonden en waar hij allerlei knotsgekke opdrachten van aanvaardt, een dolle God die hem opdraagt zijn jongste zoon Isaak naar het altaar op de berg te brengen? Om de jongen daar de hals over te snijden?

Moria, de berg waar tot het einde der tijden - als het van Kacimi, de Parijse humanist, afhangt - de verscheurende schreeuw zal blijven weerklinken van Sarah, de moeder, de vrouw, de vrouw-moeder en de moeder-vrouw. Want bij Kacimi is het verschrikkelijke offer wel degelijk voltrokken: ‘Richt je blikken op de sterren, gij, en telt die sterren, gij, en gij zult zien uw addergebroed van moordenaars, zo talrijk als er sterren aan de hemel staan en er zandkorrels liggen op de bodem van de zee, gij Abraham, vader der volkeren op aarde, vent en vader.’ Abraham dus, de eerste gozer die in zijn armen het lijk van zijn zoontje heeft gedragen nadat hij de jongen eigenhandig de keel had doorgesneden. Waarom?

Lees het in de Bijbel. Omdat hij stemmen hoorde uit de hemel en omdat hij zich een engeltje fantaseerde dat zich alleen met hem bezighoudt. Ene Gabriël, de plezantste van de bende, die later ook nog eens door een andere gekke vent zou worden gefantaseerd als hem alleen toesprekend en opdrachten gevend, van Mekka tot Medina en terug. Met dezelfde gevolgen. Dat wil zeggen: doorgesneden kelen, lijkjes bij de vleet. ‘Hoe zou jij, Abraham, nog ooit de vrouw in die armen kunnen sluiten die het lijk van haar zoon, vrucht van haar schoot, van de berg Moria hebben gedragen?’

Precies Kacimi, je hebt het bij het rechte eind jij. Jij met een ander geloof, man van een vrijzinnig humanisme dat onuitroeibaar blijft, stem van de vrijheid, vertolker van de hoop op mensenliefde. En jij, Kacimi, jij geeft de vrouw het laatste woord. Sarah, ton amour. L’increvable; l’unique amour.


Ronald Commers



Tekst naar aanleiding van de gedramatiseerde lezing door Hilde Uitterlinden en Charles Cornette, Wereldculturencentrum, Zuiderpershuis, Antwerpen, op woensdag 18 februari 2009.

Links
mailto:andreas@liberales.be
Share |

De welvaart en trots van naties

Liberales organiseert op dinsdag 28 mei (20u) een gespreksavond met Olivier Boehme over zijn laatste boek 'De welvaart en trots van naties', waarin de auteur een geschiedenis geeft van het economische nationalisme, zowat het tegendeel van de liberale economische school. Klik hier voor meer info en inschrijven.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be