Hugo Dyserinck houdt een pleidooi voor een postnationaal Europa

figuur vrijdag 15 oktober 2010

Hugo Dyserinck

Het waardevolle artikel waarmee Guy Verhofstadt onder de titel Europa zal postnationaal zijn of zal niet zijn diegenen van antwoord dient die gemeend hebben kritiek te moeten uitoefenen op het opiniestuk dat hij in februari 2010 in Le Monde publiceerde, verdient bijzondere aandacht. Het getuigt van een goede kennis van bepaalde intellectuele stromingen die zich tijdens de laatste drie eeuwen in verband met de begrippen ‘volk’, ‘Volksheid’, ‘natie’ enz. in het Europese geestesleven hebben ontwikkeld en – wat met name vooral belangrijk is – het getuigt van de wil bij een van onze toppolitici om in de praktische politiek met het bestaan en de verdere uitwerking van de intellectuele stromingen rekening te houden. Waar is de tijd dat het ideologische niveau van een Paul-Henri Spaak geïllustreerd werd door het zinnetje: ‘Je suivrai mon parti jusque dans la folie’ en de grote Hendrik De Man als te theoretisch (en te Duits?) werd beschouwd. Het gaat dus om filosofische en literaire stromingen die ontstaan zijn in de 18e eeuw en die de politieke vereniging van ons continent tot op de dag van vandaag belemmeren. En hier wordt in het bijzonder de aandacht gevestigd op de rol die Johann Gottfried Herder (1744-1803) bij het ontstaan van het nationale denken in het Duitse en Europese geestesleven heeft gespeeld.

De vermelding van Auschwitz als laatste consequentie van een nationaal bewustzijn dat met Herders naam verbonden blijft, zal sommige lezers verbaasd of zelfs gechoqueerd hebben; maar toch is het een feit dat Herder, die tegen het einde van de 18e eeuw de beroemd geworden bundel Von deutscher Art und Kunst publiceerde, op Duitstalig vlak het startsein heeft gegeven voor het begin van een beweging, die eerst tegen de dominerende invloed van de Franse Verlichting was gericht en dan via de Romantiek en haar latere vormen van irrationalisme datgene teweeg heeft gebracht wat Georg Lukács in een gelijknamig werk Die Zerstörung der Vernunft heeft genoemd (Ondertitel: Der Weg des Irrationalismus von Schelling zu Hitler). Met moorddadig antisemitisme en Auschwitz als eindstation? Inderdaad, maar eerst moest het ‘nationale’ denken van de Duitse Romantiek nog worden ‘vervolledigd’ door de rassistische theorieën van Houston Stewart Chamberlains Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts (1899) en een daarbij passende interpretatie van Gobineau’s Essai sur l’inégalité des races humaines (1853-55).

Herder was het inderdaad die vanuit Straatsburg het nooit gedefinieerde en niet te definiëren (want in feite stupide) begrip ‘Duitse aard’ lanceerde en daarmee een weg opende naar een nationaal denken, dat alleen nog moest worden verruimd door de theorieën over het ‘eigen ras’ en de superioriteit tegenover ‘anderen’ om tot de ‘Rassenkunde’ en ‘Humangenetik’ van het ‘Kaiser-Wilhelm-Institut für Anthropologie’ en de ‘Weltanschauung’ van het Nationaalsocialisme te komen, die aan de basis lagen van wat dan daadwerkelijk in de Shoah en Auschwitz gebeurde. Daarbij komt nog dat Herder met zijn ‘Deutsche Art und Kunst’ slechts een onderdeel vormde van een internationale Preromantiek waaraan nagenoeg alle Europese landen van de 18e eeuw deel hadden en die in al de betrokken taalgebieden open stond voor een ontwikkeling in de richting van nationaal denken en een beklemtoning van het ‘eigene’ dat uitdrukkelijk tegen de hoofdgedachten van de Franse Verlichting en het daaraan gekoppelde kosmopolitisme was gericht.

Ook een combinatie met esthetische theorieën was daarbij aanwezig. In Engeland (om eens dit ene, in deze discussie graag als ‘Germaans’ bestempelde land te citeren ) bracht dit verschijnsel ettelijke zeer bekend gebleven dichters voort,.met werken, die zowel inhoudelijk als formeel tegen de via Frankrijk naar Engeland gekomen esthetische regels en voorschriften uit de klassieke Oudheid gericht waren.. Daaronder James Thomson, die behalve een reeks van beroemd geworden werken (o.a. The Seasons, 1730) ook het nog steeds uitermate populaire en nationale ‘Rule Britannia, Britannia rule the waves’ schreef. In volle nazistische periode werd de tendens om Herder helemaal in de zin van een voorbereiding in de richting van een radikale Duits-nationale denkwijze en politiek te interpreteren, nog door ettelijke Duitse germanisten goedgekeurd en zelfs toegejuichd, waaronder bijvoorbeeld Benno von Wiese (later beroemd geworden Germanist aan de universiteit te Bonn en auteur van talrijke publicaties over een Herder in deze geest; cf. zijn bijdrage Herder in de verzamelbundel Das Deutsche in der deutschen Philosophie uit het jaar1941).

Nu wordt Herder bij Verhofstadt weliswaar niet direct als een hoofdverantwoordelijke voor het Duitse ‘Rassendenken’ voorgesteld, maar de bedoeling van de tegenstelling tot Kant is duidelijk en ook gerechtvaardigd, daar Herder – na enkele jaren bij deze grootste Duitstalige filosoof van zijn tijd college te hebben gelopen – zijn gehele intellectuele productie tegen hem richtte en hem ervan beschuldigde in zijn rationalisme de diepgang te missen, die hijzelf van echte filosofie verwachtte en die hij koppelde aan de mogelijkheid om belangrijke elementen uit de ‘seelische’ en ‘gefühlsmäßige’ krachten van de menselijke psyche te putten. Een kritiek die inderdaad regelrecht tegen Kants rationalisme gericht was en bij de protestantse theoloog Herder (die in kerkelijke dienst te Weimar een hooggeplaatste geestelijke rang bekleedde) ook gevoed werd door het feit dat de Godsgedachte en de religiositeit bij Kant slechts een kleinere rol speelden. En daar Kant op zijn beurt ook de publicaties van zijn oorspronkelijke leerling in ettelijke geschriften aan een scherpe kritiek onderwierp, is het geenszins misplaatst de namen Kant en Herder als symbolen te gebruiken voor de tegenstelling tussen enerzijds een te verwachten postnationaal en anderzijds het nationale denken, waarmee wij in het tegenwoordige Europa nog steeds worden geconfronteerd. Desniettemin mogen we – in verband met Kant – vragen of de filosoof van Königsberg en auteur van de Kritik der reinen Vernunft en de twee andere grote Kritiken wel de geschikte referentie vormt voor een relativering van precies de gedachte der nationale identiteit.

In het Engels werd het begrip ‘National Character’ – en hierop komt de discussie over nationale identiteit tenslotte steeds weer neer – in 1939 door Hamilton Fyfe (een volgeling van Bertrand Russell) onder de titel The Illusion of national Character bestempeld als ‘as much a fiction as the supposed flatness of the earth, the supposed travelling of the sun around the earth’. Karl Popper bestempelde in dezelfde geest de nationale gedachte als dusdanig (‘Nationalitätenprinzip’) veertig jaar later in een voordracht te Wenen ronduit als ‘irrsinnige Idee’. Nu is het, zoals gezegd, wel de vraag of wij ter staving van gedachten zoals die van Fyfe, Russell en Popper en in ons eigen streven naar postnationaal denken er goed aan doen uitgerekend Kant als kroongetuige te citeren, daar hij – precies in de tijd dat Herder zijn lessen volgde – aan een omvangrijke verhandeling terzake begonnen was, die hij tot kort voor zijn dood corrigeerde en, naar het schijnt, met name in zijn colleges, steeds weer bijwerkte, om ze uiteindelijk nog in 1800 (hij stierf in 1804) zelf nog in een definitieve versie uit te geven. Ik bedoel zijn Anthropologie in pragmatischer Hinsicht waarvan Popper later in zijn Offene Gesellschaft zou zeggen dat Kant ze eigenlijk ‘nicht ganz ernsthaft’ bedoeld had. Evenwel, of nu ernstig bedoeld of niet, het ging er bij Kant hoegenaamd niet om een bijdrage tot het ‘Überwinden’ van het nationale denken te presenteren, maar veeleer karaktertrekken te zoeken die bepaalde geviseerde volkeren zogezegd kenmerkten. De ‘Holländer’ verschijnt er als ‘phlegmatisierter Deutscher’. En aan de zelfstandige identiteit van bijvoorbeeld de ‚französische Nation’ en het ‘Englische Volk’, twijfelde Kant blijkbaar evenmin; hij bestempelde Fransen en Engelsen zelfs als ‘die zwei zivilisiertesten Völker auf Erden’.

Een tweede aspect van de betekenis van Verhofstadts argumentatie is zijn opvatting dat ons Verenigd Europa niet zal kunnen tot stand komen zonder de ontwikkeling van een postnationaal denken. ‘Postnationaal worden of helemaal niet tot stand komen!’. Dat is zijn stelling. En ze impliceert niet alleen dat onze auteur en Europese toppoliticus het nationale denken als de voornaamste hinderpaal voor het realiseren van het toekomstige Europa beschouwt. Ze gaat verder en leidt ons niet alleen naar de vraag wat de eigenlijke redenen voor dit nationale denken dan wel geweest zijn, maar ook naar de manier waarop het noodzakelijke postnationale denken tot stand kan worden gebracht of het best kan worden bevorderd. In het literatuur- en cultuurwetenschappelijk comparatisme en met name bij het onderzoek naar de voorstellingen die de Europese collectiva (volkeren, naties of hoe dan ook genoemd) er van elkaar of ook van zich zelf op nahouden, (d.w.z. in de ‘comparatistische Imagologie’) gaan wij ervan uit en ervaren wij nog steeds dat de zogenaamde nationale identiteiten in feite niets anders zijn dan tijdelijke realisaties van voorstellingen die in de loop van de geschiedenis door de betrokken groepen op grond van intellectuele processen werden ontwikkeld en dat de zogenaamde nationale identiteiten in feite niets anders zijn dan de producten van intellectuele concepten die onder andere historische omstandigheden even zo goed tot geheel andere concrete politieke resultaten hadden kunnen leiden.

De Duitse schrijver Heinrich Mann, auteur van Der Untertan (1914) en broer van de oorspronkelijk zeer nationalistische Thomas Mann, met wie hij jarenlang in onmin leefde, bracht de overweging waarover het hier gaat ooit eens in een gedachte naar voren die weliswaar zéér sterk aan de wereld van de literatuur is gebonden, maar allicht precies daardoor, meer dan uit welke andere sfeer dan ook, de kern van ons probleem tangeert. In verband met de Duitse eenheidsgedachte, die in die periode (1927) een voorbeeld par excellence voor het nationale denken was, lezen wij: ‘Wie glaubt man wohl, dass die Welt aussehen würde ohne die Wirkung der Literatur? Vor allem gäbe es keine Nationen. Sie sind das Werk der Idee und nur der Idee. Jede Nation ist, so wie sie dasteht, von ihren Dichtern geschaffen worden.’ Het is een feit dat dergelijke uitlatingen diegenen die van de ‘identiteit’ van hun volk overtuigd en ook bereid zijn er offers voor te brengen, tegen de borst stoten. Maar ze brengen ons toch een stap verder op de weg naar een antwoord op de vraag naar oorsprong en achtergronden van het denken in ‘nationale’ categorieën en de ontwikkeling van de nationale gevoelens, die sommigen niet willen opofferen op het altaar van een postnationaal Europa.

Dus moet de vraag naar de eigenlijke oorzaken van de wens naar een eigen ‘nationale’ sfeer, naar eigen ‘Nationaliteit’ en eigen ‘Identiteit’ worden gesteld. Karl Popper spreekt van een terugkeer naar het ‘Hordendenken’ uit de oertijden, waar het individu zijn wens naar beschermd-zijn tegen vijanden slechts kon vervullen door een vlucht in het onderdak van een groep, een collectiviteit, een horde. Voor de Europeaan van de eenëntwintigste eeuw kan de vraag worden gesteld in welke mate er van deze behoeften uit de oertijden in zijn psyche nog resten overgebleven zijn en in welke mate deze kunnen worden bevredigd of gesublimeerd. Concreet gezien betekent dit voor onze problematiek niets anders dan de vraag naar de mogelijkheid om de behoefte aan ‘Geborgenheid’, die door het ‚vaderland’ werd – en in zekere mate nog steeds wordt – vervuld, in een postnationale toekomst te bevredigen door een gevoel van ‘Geborgenheid’ in een Europa dat geen nationale elementen meer cultiveert en zeker geen ‘Nation Europa’ wordt. En het lijdt geen twijfel dat dit realiseerbaar is, tenminste als voor de Europeanen van morgen een bewustzijn van samenhorigheid en eenheid binnen het kader van onze multilinguale Europese geschiedenis kan worden ontwikkeld. De vader van de Paneuropa-beweging, Graaf Coudenhove-Kalergi, heeft op diverse plaatsen in zijn werk zijn geloof aan deze mogelijkheid bevestigd en aan de hand van voorbeelden uit zijn eigen leven toegelicht. Het is op het terrein van het Europese literatuur en geestesleven dat de factoren ontstaan zijn die tot de dag van vandaag een vereniging van ons continent belemmeren en het is dan ook binnen het kader van ditzelfde geestesleven dat we kunnen zoeken naar de elementen die de politieke gevolgen van dit denken weer zullen te boven komen.

Zo is het ook mogelijk om in de wereld van onze specifiek multilinguale Europese literatuur en intellectualiteit sporen van een nieuw en postnationaal ‚specifiek Europees’ denken te vinden. Een Europese literatuur- en ideeëngeschiedenis die bereid is volgens de methodes van de History of Ideas te werken is daar voldoende toe in staat. En ook de filosofie kan voldoende bijdragen leveren tot de ontwikkeling van een nieuw bewustzijn dat een fundament van het door ons gewenste postnationale continent kan vormen. De werken van een Gaston Bachelard bewijzen het voldoende. En dit moet ook de eigenlijke zin en doelstelling zijn van hetgeen in de vorm van een vak ‘Europese studies’ reeds nu aan diverse Europese universiteiten aangeboden wordt.


De auteur is oud-Hoogleraar aan de Universiteiten van Aken en Luxemburg. Hij wordt beschouwd als een van de de grondleggers van de comparatistische imagologie, een specifieke tak van vergelijkend literatuuronderzoek.


Hugo Dyserinck

Hugo Dyserinck

Links
Mailto:dyserinck.lanaken@skynet.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be