Leven en werk van Lucienne Herman-Michielsens (1926-1995)figuur vrijdag 11 april 2003Lucienne Herman-MichielsensLucienne Michielsens werd geboren te Gent op 13 maart 1926 en groeide op in een klassieke liberale familie. Na studies aan de stedelijke normaalschool schreef ze zich aan de Gentse universiteit en behaalde in 1950 het diploma van licentiaat in de criminologie en in 1951 haar doctorstitel in de rechten. Datzelfde jaar huwde ze met de arts Jacques Herman. Ze werd bestuurssecretaris bij de juridische dienst van het ministerie van Wederopbouw en in 1953 directeur in het ministerie van Openbare Werken. Ze beheerde het departement betwiste zaken en vertegenwoordigde de Staat in processen voor de Raad van State tot ze in 1977 senator werd. Tijdens haar studententijd was ze nauw betrokken geraakt bij het liberale verenigings-leven. Van 1948 tot 1950 was ze ondervoorzitster van het Liberaal Vlaams Studentenverbond, in 1948 vervoegde ze de redactie van het toonaange-vende studenten-tijdschrift Neohumanisme en werd ze lid van het Liberaal Vlaams Verbond. Ook met de vrijzinnige studentenvereniging 't Zal Wel Gaan had ze goede contacten. Tussen 1951 en 1965 kwam haar politiek engagement echter op een laag pitje te staan en concen-treerde ze zich op haar taak als ambtenaar. In 1965 echter werd ze gecontacteerd door Willy De Clercq, die op zoek was naar een nieuwe voorzitster voor de juridische commissie van de PVV-Vrouwen. De Clercq stimuleerde haar vooral om deze vereniging, die in het verleden een belangrijke emanciperende rol had gespeeld maar sinds enige jaren geëvolueerd was naar een bijna zuivere vrijetijdsvereniging, opnieuw politiek weerbaar te maken. Ze leidde de commissie tot 1970. In Gent sloot ze zich intussen aan bij de Liberale Kring van de Heuvelpoort, werd in 1968 bestuurslid van de PVV-Vrouwen van Groot-Gent en engageerde zich in de lokale liberale volksvereniging Help U Zelf. Intussen werd ze steeds actiever in de nationale politiek. In 1968 vertegenwoordigde ze de PVV-Vrouwen op de eerste Staten-Generaal van de Vrouwen, waar de twintigste verjaardag van het vrouwenstemrecht werd gevierd. In haar toespraak benadrukte ze vooral de rol van het onderwijs in de verdere emancipatie van de vrouw. In september 1969 organiseerde ze te Gent een groot debat over de rol van de vrouw in het politieke leven. Ze viseerde hierbij in eerste instantie de CVP en de Kerk, die volgens haar een rem waren op de emancipatie en ze pleitte er nadrukkelijk voor een open en pluralistische maatschappij. In 1970 werd ze verkozen tot voorzitster van de nationale federatie van de PVV-Vrouwen, een functie die ze behield tot 1980. In 1966 was ze intussen lid geworden van het partijbureau van de PVV en op het stichtings-congres van de Vlaamse PVV in 1972 te Blankenberge was ze voorzitster van de Commissie Statuut van de Vrouw en Abortus. Haar aanzien binnen de partij nam toe en van 1973 tot 1977 was ze samen het Herman De Croo ondervoorzitter van de partij. Haar politieke visie kreeg nu definitief vorm. Ze kwam op voor onder meer de vernieuwing van de partij (eerst onder Vanaudenhove met de Levende Democratie en vervolgens onder Grootjans, De Clercq en Vanderpoorten bij de oprichting van de Vlaamse PVV), het levensbeschouwelijk opengooien van de PVV, de open en verdraagzame maatschappij en de opvoeding van de jeugd. Intussen was ze ook betrokken in de algemene strijd voor de vrouwenemancipatie. In 1973 en 1974 bijvoorbeeld maakte ze deel uit van de Belgische delegatie in de Commissie voor het Statuut van de Vrouw binnen de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en in 1975 was ze co-voorzitster van het Belgisch organiserend comité voor het Internationaal Jaar van de Vrouw. Vanaf 1968 was ze kandidaat voor de parlementsverkiezingen maar raakte niet verkozen. In 1977 werd ze echter gecoöpteerd en bleef senator tot 24 november 1991. In 1983 volgde ze haar mentor Herman Vanderpoorten, op wiens kabinet ze gedurende de jaren '70 gedetacheerd was geweest, op als fractievoorzitter in de Senaat. Haar activiteiten in de senaat, naast de strijd voor de legalisering van abortus, bestreken vele terreinen: het wetsvoorstel op het gezamenlijk belasten van de samenwonenden, het voorstel tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie betreffende de werking van de ziekenfondsen, de wetgeving op de OCMW's, de reglementering van de klinische biologie, de harmonisering van de pensioenregelingen, de wetten op de bescherming van de persoon van de geesteszieke, de wetten op adoptie en afstamming, het erfrecht van de langstlevende echtgenoot en uiteraard de staatshervorming, waar ze vooral een bemiddelende rol op zich nam zonder te willen raken aan een aantal Vlaamse verworvenheden zoals de taalgrens of de rand rond Brussel. Een heel belangrijk aandachtspunt voor Herman-Michielsens was ook de grondwettelijke erkenning van de vrijzinnigheid, een kwestie die door het verzet van de CVP nog zou aanslepen tot 1993. Voor een hele korte periode kreeg ze regeringsverant-woordelijkheid. Van 18 mei 1980 tot 7 oktober 1980 was ze staatssecretaris van de Vlaamse Gemeenschap en bevoegd voor onder meer de werking van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, de integratie en het onthaal van migranten, het gehandicaptenbeleid, de jeugdbescherming en de sociale hulp aan (ex-) gedetineerden. In die te korte periode slaagde ze er toch in om een beleidsnota op te stellen over het migrantenbeleid en een over het gehandicaptenbeleid. Ook vond een beperkte herstructurering van de jeugdbescher-mingscomité's plaats. De abortusproblematiek was uiteraard het meest opvallende thema waarrond ze zich engageerde. Haar eerste kennismaking met de gevolgen van ongewenste zwangerschap vond plaats tijdens haar studies in de criminologie te Gent, waar ze geconfronteerd werd met de gevolgen van de illegale abortussen. Doorheen de jaren groeide dan ook haar overtuiging dat een aantal wetswijzigingen noodzakelijk waren. Op het PVV-congres van 1972 stelde de commissie Statuut van de Vrouw en Abortus onder haar voorzitterschap een intussen klassieke lijst op van situaties waarin de liberalisering van abortus noodzakelijk zou zijn en hoe de procedure zou moeten verlopen. Het abortusprobleem kwam op de politieke agenda terecht. In 1973 werd een eerste succes geboekt wanneer de verkoop van anticonceptiva onder bepaalde voorwaarden werd toegestaan en in 1978 diende ze als senator een eerste voorstel tot herziening van de abortuswet in, gevolgd door een tweede in 1981. Beide werden verworpen. In 1985 begon ze gesprekken met Roger Lallemand die de leidende figuur op dit terrein was voor de socialisten. Ze werkten een voorstel uit, dat op 6 maart 1986 in de senaat werd ingediend. Op 6 november 1989 keurde de Senaat de wet goed, de Kamer volgde op 29 maart 1990. Dit was voor haar de bekroning van een lange strijd. Tegen het einde van de jaren tachtig bereikte Lucienne het hoogtepunt van haar publieke bekendheid. Ze ontving meerdere prijzen en werd door feministisch en vrijzinnig Vlaanderen gevierd. In 1989 werd ze op voorstel van de franstalige sectie van de Nationale Vrouwenraad verkozen tot Vrouw van het Jaar, nog datzelfde jaar kozen ook de lezers van de tijdschriften Knack, Humo en Panorama/De Post haar tot Man (of Vrouw) van het Jaar. In 1991 ontving ze de vijfde driejaarlijkse Geuzenprijs van 't Zal Wel Gaan en de tweejaarlijkse Prijs Vrijzinnig Humanisme van het Humanistisch Verbond. Om gezondheidsredenen trok ze zich in 1991 terug uit de politiek. Ze overleed te Gent op 22 januari 1995. Liberaal Archief
Lucienne Herman-Michielsens Linkshttp://www.liberaalarchief.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|