Leven en werk van Isaiah Berlin (1909-1997)

figuur vrijdag 16 januari 2009

Isaiah Berlin

Berlin werd honderd jaar geleden geboren in Letland, maar emigreerde reeds op jonge leeftijd, in 1919, met zijn ouders naar Engeland. Hij studeerde onder andere in Oxford en werd er hoogleraar in de sociale en politieke theorie. Hij was ook zeer actief in de culturele sector. Zo was hij voorzitter van de Britisch Academy en bestuurslid van het Royal Opera House, Covent Garden. Zijn denken is primair gevormd door drie tradities: zijn Russische jeugd, een Britse opleiding en Joodse familiebanden. Hij stierf in 1997.

Sir Isaiah Berlin is vooral bekend als beoefenaar van de ideeëngeschiedenis en van de politieke theorie, maar hij is aan het begin van zijn loopbaan ook actief geweest op het gebied van de kennis- en wetenschapsleer, de literatuur en zelfs de musicologie. Berlin was dus een ouderwetse, breed ontwikkelde academicus die je vandaag niet zo snel meer tegenkomt aan de universiteit. Zijn bekendste werk is Two concepts of liberty. Met deze rede aanvaardde Berlin in 1958 zijn leerstoel in de politieke theorie.

In het centrum van Berlins ideeën liggen zijn opvattingen over ethisch pluralisme. Berlin wijst de overtuiging af dat er op elke vraag, ook op elke normatieve vraag, slechts één juist antwoord bestaat en dat alle juiste antwoorden op harmonieuze wijze in één rationeel stelsel kunnen worden geordend, een stelsel dat bovendien kenbaar zou zijn. Dat er finale antwoorden zijn en dat deze antwoorden uiteindelijk allemaal samenvallen, is een volgens Berlin wijdverbreide overtuiging, een overtuiging die misschien niet vaak door mensen wordt uitgesproken, maar wel vaak een belangrijke impliciete drijfveer achter hun denken en handelen blijkt. Tegenover deze monistische overtuiging stelt Berlin dat er een grote pluraliteit aan nastrevenswaardige waarden bestaat, dat deze waarden geregeld met elkaar in conflict komen en dat zij derhalve voortdurend tegen elkaar moeten worden afgewogen. In tegenstelling tot de postmodernisten verzet Berlin zich grondig tegen relativisme en subjectivisme, er bestaat in zijn optiek een universeel gedeelde, minimale moraal en het is volgens hem altijd mogelijk rationeel over waarden te argumenteren. Het spreekt voor zich dat dit ethisch pluralisme verregaande gevolgen heeft op het politiek terrein, met name als het gaat om de invulling van een concept als vrijheid.

Het belangrijkste wat hij van zijn Russische jeugd heeft overgehouden, is het besef van de kracht van ideeën. Ideeën zijn de belangrijkste krachten van de geschiedenis. Wil men derhalve de drijfveren achter de individuen, groepen en beschavingen begrijpen, dan zal men volgens Berlin de ideeën moeten analyseren die ten grondslag liggen aan het denken en handelen van mensen. De tweede traditie is het Britse empiricisme. Het gaat vooral om het diep gewortelde vertrouwen in empirische methodes, om de overtuiging dat de enige bron van kennis over de wereld voortkomt uit ervaring en waarneming. De derde traditie is de Joodse. Berlin is van Joodse afkomst. Berlin denkt dat hij van de Joodse traditie het besef heeft overgehouden dat mensen een diepe behoefte ervaren te behoren tot een duurzame gemeenschap met een eigen culturele identiteit. Daarnaast heeft hij hiervan het besef overgehouden dat mensen verregaand door hun culturele omgeving zijn beïnvloed en dat zij ook uitsluitend in de context van deze omgeving kunnen worden begrepen. Mensen kunnen niet los gezien worden van hun sociale interacties en relaties, deze kunnen niet puur instrumenteel worden opgevat, zij zijn vormend voor hun individualiteit, zij bepalen hun identiteit. Een mens zonder relaties is iemand zonder identiteit. Dit voedt het debat tussen liberalen en communitaristen.

De afkeer die liberalen hebben van noties als culturele traditie, conventie en gemeenschap, heeft Berlin altijd voor onjuist gehouden. Het zijn, schrijft Berlin, juist zijn 'Joodse wortels' geweest die hem hebben behoed voor het abstracte en atomische individualisme van de doorsnee liberaal. Berlin stelt dat de waardigheid van de mens niet alleen afhankelijk is van het bezit van rechten en vrijheden, maar ook van de erkenning van zijn culturele identiteit. Het streven naar erkenning uit zich in het verlangen van de leden van een culturele traditie om hun identiteit herkenbaar weerspiegeld te zien in de instituties van hun samenleving. Naar de mening van Berlin vormt een eigen natiestaat derhalve voor degenen die onderdeel zijn van een authentieke culturele traditie een natuurlijke wens.

Het spreekt voor zich dat Berlin met zijn communitaristische visie een spanning aanbrengt binnen het liberalisme, een spanning die het debat bepaalt tussen liberalen en communitaristen. Bij klassieke liberalen staan het abstracte individu en zijn rechten centraal. Onvervreemdbare rechten beschermen het individu tegen zijn omgeving: tegen de staat, tegen de meerderheid en tegen de massa. De vraag is of deze individuele rechten en belangen niet in de verdringing komen wanneer men, zoals Berlin en de communitaristen doen, waarde hecht aan noties als gemeenschap, culturele traditie, nationale identiteit en natiestaat. Welke rechten gaan voor? Die van de gemeenschap of die van het individu? Kan een gemeenschap trouwens wel rechten hebben en waar bestaan die dan uit? Waar zijn eigenlijk de rechten van het individu op gebaseerd? Waarden en rechten moeten volgens Berlin voortdurend tegen elkaar worden afgewogen, maar dat wil niet zeggen dat alle waarden even betekenisvol zijn en dat hun afweging willekeurig kan geschieden.

De rode draad door het werk van Berlin vormt een kruistocht tegen het monistische wereldbeeld. Dit houdt in dat er op elke vraag slechts één juist antwoord bestaat en dat alle juiste antwoorden op harmonieuze wijze in één rationeel stelsel kunnen worden geordend. Tegenover de monistische overtuiging stelt Berlin dat er vele waarden zijn die onvermijdelijk tegen elkaar moeten worden afgewogen. Dat wij niet alles in het leven kunnen realiseren, vormt voor Berlin een tragische, maar door een ieder dagelijks ervaren waarheid. Te veel individuele vrijheid leidt bvb. tot maatschappelijke ongelijkheid; het afdwingen van gelijkheid leidt doorgaans weer tot onvrijheid; edelmoedigheid kan op gespannen voet staan met rechtvaardigheid; gelijkheid en rechtvaardigheid met doelmatigheid, etc. De hoop dat er een theorie of een maatschappelijke ordening bestaat waarin al deze waarden tegelijkertijd en op harmonieuze wijze verwezenlijkt kunnen worden, is naar Berlins overtuiging een misverstand. Een samenleving zonder politiek is ook ondenkbaar. Altijd zal de noodzaak bestaan om tegenstrijdige waarden en belangen tegen elkaar af te wegen.

Berlin heeft uitgesproken ideeën over de vrijheid. Berlin onderscheidt twee interpretaties van het vrijheidsbegrip, een negatieve en een positieve. Negatieve vrijheid is het domein waarbinnen iemand ongestoord door anderen datgene kan doen wat in zijn vermogen ligt. Hoe groter dit domein hoe groter zijn negatieve vrijheid. Het gaat er om dat men met rust wordt gelaten. Deze opvatting van vrijheid werd pas in de 18e eeuw expliciet geformuleerd en is vooral bedoeld als een verdediging tegen de staat. Negatieve vrijheid vormt de kern van het klassieke liberalisme. Zij kan in conflict komen met de positieve opvatting van vrijheid. Binnen deze positieve opvatting gaat het om de mate waarin iemand meester is over zijn eigen leven. De politieke vertaling hiervan wordt gevormd door de democratie: de mogelijkheid voor individuen om samen met degenen waarmee zij een gemeenschap vormen, richting te geven aan hun samenleving. Berlin maakt duidelijk dat deze klassieke republikeinse opvatting van politieke vrijheid geen enkele garantie biedt dat het privé-domein van het individu veilig is voor staatsinterventie.

Men zou kunnen stellen dat positieve vrijheid betrekking heeft op de door Berlin en communitaristen benadrukte waarde van gemeenschap, culturele identiteit en culturele zelfbeschikking, terwijl negatieve vrijheid betrekking heeft op de waarde van individuele vrijheidsrechten. Legt men teveel de nadruk op gemeenschap en op culturele zelfbeschikking dan kan de negatieve vrijheid van het individu onaanvaardbaar in de verdrukking komen. Heeft men geen oog voor de culturele identiteit en voor het gegeven dat mensen in hoge mate sociale wezens zijn, dan doet men onrecht aan het individu. Men ontneemt hen, volgens Berlin, de mogelijkheid om samen met anderen richting en betekenis te verlenen aan het samenleven. Er zullen hier dus afwegingen moeten worden gemaakt.

Berlin heeft met zijn vrijheidsconcept nog een zeer belangrijke invloed op het spanningsveld tussen liberalen en communitaristen.


Berlin, I., 'Two concepts of liberty', in Four essays on liberty, Oxford, Oxford U.P., 1969



Berlin, I., 'Does political theory still exist?', in: Concepts & categories, Oxford, Oxford U.P., 1978

Isaiah Berlin

Links
http://www.kirjasto.sci.fi/berlin.htm
Share |

4de Karl Popperlezing met Hans Achterhuis

Deze lezing vindt plaats op dinsdag 5 oktober om 20u in het Liberaal Archief, Kramersplein 23 te Gent. Na de lezing is er een receptie. Toegang is gratis, maar gelieve wel in te schrijven op verhofstadt.dirk@telenet.be.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be