Op de schaarse portretfoto’s en het olieverfschilderij dat in de National Portrait Gallery hangt oogt John Stuart Mill als een stijve, wat zure en in ieder geval gortdroge schoolmeester. Zelfs als je weet dat hij een belangrijk en inspirerend denker was, herken je duidelijk wat Charles Dickens bedoelde toen hij een van zijn, duidelijk op Mill geënte, romanpersonages karakteriseerde als ‘deze stoommachine van het denken’. Onvermoeibaar, rationeel, doelgericht, beheerst én eenzijdig. Goed, hij is de auteur van On liberty, waarvan zelfs de gemiddelde VVD’er weet te melden dat het een pleidooi voor individuele vrijheid is, maar echt vrij lijkt deze man niet, ingesnoerd als hij is door zijn hoge kraag, geklede jas en de conventies van het Victoriaanse Engeland. Wat een verschil met bijvoorbeeld de acht jaar jongere Michail Bakoenin! Met zijn wapperende das, lange haren en onverzorgde baard, die volgens een tijdgenoot ‘vaak de spijskaart van de vorige week toonde’, was de Russische anarchist werkelijk een icoon van de absolute vrijheid, van het doorklieven van alle ketenen en sociale banden waarin de mens gekluisterd is. Maar zoals zo vaak is het hier de schijn die bedriegt. De apocalyptische mysticus Bakoenin, die door ‘een oceaan van bloed en vuur’ wilde waden en de ‘opstand van het leven tegen de wetenschap’ predikte, had weliswaar de hele tijd de mond vol van ‘vrijheid’ en ‘de mensheid’, maar oefende met zijn gewelddadige voluntarisme grote invloed uit op politieke gangsters als Lenin en Ernesto ‘Che’ Guevara. De droogstoppelige, op het eerste gezicht zo aangepaste Mill daarentegen is werkelijk een van de belangrijkste denkers die zich hebben beziggehouden met de vrijheid van de mens. Toch is dat beeld van Mill als door en door rationele, bijna mechanische denker niet zo vreemd, aangezien hij letterlijk het product was van de filosofische stroming die als geen ander wordt geassocieerd met kille berekening en dorre logica – het utilitarisme. James Mill, de vader van John Stuart, was de belangrijkste discipel van Jeremy Bentham, de grondlegger van het utilitarisme. Volgens Bentham leefde de mens ‘onder de heerschappij van twee soevereine meesters’, te weten pleasure en pain. Het streven van de individuele mens was gericht op het maximaliseren van pleasure (plezier, genot, geluk) en het minimaliseren van pijn. De maatschappij diende erop gericht te zijn dat zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk genot en plezier zouden ervaren. Bentham beoordeelde alles aan de hand van de vraag in hoeverre iets bijdroeg aan dit streven, of iets in dit verband ‘nut’ had. ‘Goed’ was wat ‘nuttig’ was voor zoveel mogelijk mensen. En om te bepalen of iets nuttig was, kon slechts de wetenschap als leidsnoer dienen. Traditionele en religieuze vooroordelen dienden dan ook onverwijld over boord te worden gezet. James Mill geloofde heilig in deze beginselen en nadat op 20 mei 1806 zijn oudste zoon John was geboren, wilde hij deze in strikt utilitaristische zin grootbrengen. Een kennis, die ook net vader was geworden, stelde hij voor om met betrekking tot de opvoeding van hun stamhouders een ‘eerlijke race’ aan te gaan en te kijken ‘wie van ons over twintig jaar de meest ontwikkelde en deugdzame jongeman kon tonen’. Om deze wedstrijd te winnen onderwierp Mill senior zijn zoon aan een regime dat tot het vaste gruwelrepertoire behoort van degenen die ervan overtuigd zijn dat kinderen de wereld om hen heen zelf dienen te ontdekken en slechts spelenderwijs kunnen leren. Een school of universiteit zou John nooit van binnen zien, want zijn volledige opleiding ontving hij in de studeerkamer van zijn vader. Toen hij drie jaar was begon James Mill hem Grieks te leren, en op zevenjarige leeftijd las John Plato en de grote tragedies in de oorspronkelijke taal, terwijl hij in het Engels de veeldelige historische werken van Hume en Gibbon las. Een jaar later werd Latijn aan het curriculum toegevoegd, en verdiepte het wonderkind zich in Cicero en Tacitus. Daarna stortte hij zich op de euclidische meetkunde en op zijn elfde bestudeerde hij de Principia mathematica van Newton. Ondertussen was hij vanaf zijn achtste bovendien belast met het onderwijs aan zijn jongere broers en zusters. Toen hij twaalf was hielp hij zijn vader bij de research en het redigeren van diens tiendelige History of British India. Hierna maakte hij zich de economische denkbeelden van David Ricardo eigen, zodat hij zijn vader kon helpen bij het schrijven van diens Elements of Political Economy, dat uiteindelijk in 1826 zou verschijnen. Om deze scheepsladingen kennis in het hoofd van zijn zoon te stouwen, lette James Mill er nauwgezet op dat John zijn tijd niet verdeed met speelgoed, vriendjes of andere onnutte zaken. Ook kunst en muziek werden door Mill senior en Bentham gezien als overbodige franje, en volgens de laatste was poëzie niet van grotere waarde ‘dan een spelletje ezeltje prik’. Hierdoor zou John Stuart Mill, zowel sociaal als fysiek, altijd enigszins onhandig blijven. Overigens is zijn biograaf Richard Reeves van mening dat we bij onze beoordeling van deze in geestelijk opzicht meer dan Spartaanse opvoeding niet mogen vergeten dat de Victoriaanse Britten sowieso niet echt uitblonken in een warme benadering van hun kinderen, en dat op de toenmalige public schools lijfstraffen aan de orde van de dag waren. James Mill wilde zijn zoon, die op zijn zeventiende evenals hijzelf voor de East India Company ging werken, klaarstomen om de leider te worden van de politieke partij die de utilitaristische idealen van Bentham moest verzekeren, en die uiteindelijk onder de naam Filosofische Radicalen in 1837 zou worden opgericht. Al ruim voor die tijd, vanaf ongeveer zijn zestiende, mengde John zich in allerlei filosofische en politieke debatten en ontwikkelde hij zich tot een vlijmscherpe en gevreesde medewerker van de in 1824 door zijn vader opgerichte Westminster Review. Fel trok hij van leer tegen het conservatisme van de Britse samenleving, de dominante positie van de artistocratie – zowel de Tories als de Whigs waren partijen die geleid werden door aristocraten – en van de Anglicaanse kerk, en propageerde hij vrijheid van meningsuiting en een democratischer politiek bestel. Volgens tegenstanders was dit filosofische en politieke wonderkind inderdaad weinig meer dan een door papalief en Bentham bestuurde machine, die droog en gevoelloos alles kapot rationaliseerde. Hoewel Mill inderdaad werkte als een goed opgestookte stoommachine, was dit verwijt niet helemaal terecht. Dat hij wel degelijk gevoel in zijn donder had bleek in 1823, toen hij op weg naar zijn werk onder een boom een merkwaardig bundeltje zag liggen. Het bleek een onmiddellijk na de geboorte vermoorde baby te zijn – iets dat in het door paupers overstroomde Londen van die dagen geen zeldzaamheid was. Samen met een vriend vervaardigde Mill een pamflet waarin hij het gebruik van voorbehoedsmiddelen beschreef en aanbeval, en dat zij in arbeidersbuurten verspreidden. De jeugdige activisten werden al snel gearresteerd en wegens het aanzetten tot ‘obsceen gedrag’ tot enkele dagen gevangenisstraf veroordeeld. De streng utilitaristische opvoeding en zijn inwijding in de politiek en publicistiek leverden John twee dingen op. Om te beginnen lag hij, zoals hij in zijn Autobiografie zou schrijven, op zijn veertiende ‘een kwart eeuw voor’ op zijn leeftijdsgenoten. Het andere gevolg was dat hij op zijn twintigste in een diepe geestelijke crisis stortte. Op zeker moment stelde hij zichzelf de fatale vraag: ‘Zal ik gelukkig zijn in een wereld waarin al mijn politieke idealen zijn gerealiseerd.’ En het antwoord was duidelijk: ‘Nee!’ Een van zijn bezwaren tegen de utilitaristische filosofie was dat zij de vrije wil ontkende en in hoge mate deterministisch was, terwijl evenmin duidelijk was welke relatie er bestond tussen het persoonlijke belang van het individu en dat van de gemeenschap als geheel. Maar het allerergste was dat de notie van ‘geluk’ en ‘het goede’ die zijn vader en Bentham hadden wel heel erg armetierig en kleurloos was. Deze simplistische, in feite hedonistische kijk op de mens vond Mill bijzonder onaantrekkelijk. In het aardse paradijs van Bentham waren volop fabrieken, gaarkeukens en waslokalen, maar aan kunst en cultuur zou het vrijwel volledig ontbreken. Hoewel het niet tot een volledige breuk kwam – in 1827 fatsoeneerde hij de even chaotische als volumineuze juridische aantekeningen van Bentham tot diens vijfdelige standaardwerk The Rationale of Judicial Evidence – ging hij wel steeds meer zijn eigen weg en liet hij zich tot afgrijzen van zijn vader in toenemende mate beďnvloeden door Romantische dichters als Wordsworth en Coleridge en conservatieve denkers als Thomas Carlyle. In hun werk herkende hij de hang naar esthetiek, natuurbeleving en liefde – zaken die het leven diepte en kleur gaven en waarvoor in het utilitarisme geen plaats was. Toch bekeerde hij zich niet volledig tot de Romantiek en deelde hij geenszins de doorgaans uiterst conservatieve politieke opvattingen van de door hem bewonderde auteurs. Hij probeerde de Verlichtingsidealen van zijn vader te verzoenen met de verbeeldingskracht en het historisch besef van de Romantiek. In zijn ogen waren Bentham en Coleridge ‘completing counterparts’. Door de met beide kampen de confrontatie aan te gaan, door zelfstandig te bepalen wat de goede en negatieve aspecten van deze wereldbeelden waren, probeerde hij te ontsnappen aan wat Carlyle noemde ‘the completeness of limited men’. Nadat hij rond 1830 zijn diepe depressie te boven was gekomen zou hij zich nooit meer verbinden aan één filosofische stroming. Hij ontdekte dat hij, ondanks zijn overspannen en eenzijdige opleiding, zijn vermogen tot zelfstandig denken niet was kwijtgeraakt, maar dat hij al zijn meningen opnieuw moest bezien. Dit besef dat hij voortdurend aan zichzelf moest werken, dat hij niets voetstoots moest aannemen maar zich zo breed mogelijk moest oriënteren, was sterk verwant aan wat Duitse Romantici in die jaren propageerden als Bildung. Mill was sterk beďnvloed door Goethes concept van de ‘Vielseitigkeit’ en weigerde zich vast te ketenen in één denksysteem. Dit streven naar voortdurende ontwikkeling, naar geestelijke groei en autonomie zou sindsdien de kern van Mills filosofie en zijn begrip van ‘vrijheid’ vormen. Van de Romantische dichters en denkers had hij geleerd dat er naast ‘uitwendige’ vrijheid ook zoiets bestond als ‘innerlijke’ vrijheid. Dat de geestelijk herboren Mill nu volledig openstond voor weinig utilitaire zaken als emoties en affecties, bleek uit het feit dat hij in 1830 hartstochtelijk verliefd werd op de even mooie als intelligente Harriet Taylor, waarbij hij zich niet liet hinderen door het feit dat zij getrouwd was met een even brave als saaie man. Tot aan de dood van Harriets echtgenoot hadden zij een innige, intellectueel stimulerende maar waarschijnlijk platonische verhouding, waarmee zij de betere kringen van Londen niettemin voldoende stof tot roddelen gaven. Twee jaar later, in 1851, trouwden ze. Heel lang heeft hun huwelijksgeluk niet geduurd, want reeds na zeven jaar, kort nadat Mill met pensioen was gegaan omdat de taken van de India Office door de regering waren overgenomen en hij een ministerspost geweigerd had, overleed Harriet in Avignon. Mill kocht een huis vlakbij het kerkhof en gedurende de rest van zijn leven bracht hij altijd een deel van het jaar door in Zuid-Frankrijk. Toen een jaar later, in 1859, On Liberty verscheen, droeg hij het op aan de nagedachtenis van ‘de vriendin en vrouw wier verheven gevoel voor waarheid en recht mijn sterkste aanmoediging, en wier instemming mijn voornaamste beloning was’. Bovendien gaf hij aan dat het voor een belangrijk deel ook haar ideeën waren die in het boek werden uiteengezet. Tegenwoordig berust de roem van Mill op het vrij dunne boekje dat honderdvijftig jaar geleden verscheen, en dat volgens de meeste mensen die ernaar verwijzen een lofzang is op de glorieuze beginselen van het individualisme en de vrijemarkteconomie, en dat dus kan fungeren als het brevier van het liberalisme. En inderdaad stelt Mill dat het individu in zijn persoonlijke levenssfeer absoluut vrij moet zijn, dat de overheid zich daar niet in mag mengen. Maar tegelijkertijd geeft hij aan dat dit niet geldt voor de sociale levenssfeer, voor de gemeenschap waarvan het individu deel uitmaakt. Voor Mill gaat het niet uitsluitend om dat wat Isaiah Berlin ‘negatieve vrijheid’ heeft genoemd, maar ook om de positieve invulling die iemand aan zijn leven geeft. De burger dient te streven naar goed, zinvol leven, waarin hij zich zoveel mogelijk probeert te ontplooien. Vandaar dat Mills voornaamste doelwit niet de door veel liberalen zo verafschuwde ‘staatsdwang’ was, maar dat hij de individuele vrijheid vooral bedreigd zag door ‘het despotisme van de gewoonte’ en ‘de tirannie van de publieke opinie’ – kortom door het soort conformisme dat we tegenwoordig aanduiden als populisme. Mill mocht dan heel beroemd zijn geworden met dikke werken als A System of Logic (1843) en The Principles of Political Economy (1848), die enorme bestsellers waren, On Liberty daarentegen werd in 1859 nogal koel ontvangen. Voor de conservatieven was Mill uiteraard een gevaarlijke radicaal die alles belaagde wat in hun ogen heilig was, terwijl hij voor veel liberalen weer te conservatief was. Vooral zijn herhaalde waarschuwen tegen de conformistische tendensen in de democratie – Mill had een bewonderde recensie geschreven van Tocquevilles De la démocratie en Amérique – schoot velen in het verkeerde keelgat. De liberale historicus en politicus Thomas Babington Macaulay schreef dat dit net zoiets was als ‘brand!’ roepen tijdens de zondvloed. Hoewel Mill vol vuur de liberale cultuur verdedigde – met haar voortdurende technologische vooruitgang, vrijemarkteconomie, een beperkte overheid en een op tolerantie en individuele vrijheden gebaseerde rechtsstaat – was hij in politiek opzicht meer een republikein dan een liberaal. Hij legde vooral de nadruk op goed bestuur en het algemeen belang, en dus op het primaat van de politiek, terwijl het liberalisme er van uit gaat dat het eigenbelang en het algemeen belang uiteindelijk vanzelf samenvallen. Geconfronteerd met het mateloze egoďsme van fabrikanten en handelaren en de schaamteloze uitbuiting van de arbeidersklasse die zo kenmerkend waren voor het in ijltempo industrialiserende Groot-Brittannië van de negentiende eeuw, was Mill er bepaald niet van overtuigd dat het door de liberalen gepredikte laissez-faire kapitalisme er vanzelf voor zou zorgen dat alles goed kwam. Zo liet hij zich niet alleen inspireren door sommige conservatieve en liberale denkers, maar ook door Franse socialisten als Saint-Simon en Louis Blanc. Overigens was hij als het om politiek ging überhaupt meer Frans dan Brits georiënteerd, en ontleende hij bijvoorbeeld in zijn strijd tegen de machtsmonopolie van de aristocratie veel aan denkers als Lamartine en Tocqueville. Omdat Mill zich niet liet vastpinnen op één doctrine beschouwden veel contemporaine critici hem als een onsamenhangend denker. Ook de Amerikaanse historica Gertrude Hiffelfarm schilderde hem in een boek uit 1974 af als een min of meer schizofrene theoreticus, die doelloos heen en weer zwalkte tussen het ware liberalisme en een verwerpelijk socialisme. Hoewel de laatste decennia verschillende auteurs hebben betoogd dat Mill eigenlijk een heel systematisch denker was, wijst Cor Hermans er in zijn recente monografie over de Franse invloed op Mill terecht op dat ‘een overmaat aan consistentie de echte Mill om zeep brengt’. Omdat Mill zichzelf opzettelijk steeds weer uit balans bracht, steeds nieuwe gezichtspunten beproefde en vanzelfsprekendheden ter discussie stelde, is hij volgens Hermans juist zo’n opwindende denker. Mill was ervan overtuigd dat er voor alle problemen waarmee de mensheid werd geconfronteerd nooit één oplossing zou zijn, die overal ter wereld kon worden toegepast. Zijn biograaf Reeves wijst erop dat de kracht van Mills denken voor een deel werd veroorzaakt door zijn vermogen om tegelijkertijd oog te hebben voor verschillende tijdschalen. Terwijl hij bezig was om op korte termijn hervormingen door te voeren – uitbreiding van het kiesrecht, grotere vrijheid van meningsuiting, sociale voorzieningen, een effectievere overheid, het wegnemen van handelsbelemmeringen – was hij zich tegelijkertijd bewust van de gevolgen die de door hem bepleitte veranderingen op langere termijn konden hebben: collectieve middelmatigheid, de tirannie van de publieke opinie, een almaar uitdijende staat en heilloze concurrentie. Hoewel in de meeste landen de industrialisatie nog op gang moest komen was Mill zich al bewust van de negatieve gevolgen die dit voor de natuur zou hebben legde hij de nadruk op de kwaliteit van het bestaan. Met On Liberty – maar ook met Considerations on Representative Government (1861) en The Subjection of Women (1869) – heeft Mill zich gemanifesteerd als een politiek denker die het nog altijd waard is om gelezen te worden. En als men hem inderdaad gaat lezen, en hem niet langer ziet als de inmiddels wat verstofte pilaarheilige van het liberalisme wiens denken inmiddels door vrijwel iedereen geaccepteerd wordt, dan zal men ontdekken dat hij een denker is die de lezer aanzet om ook zelf na te denken, om zelfstandig en uit verschillende invalshoeken naar een bepaald probleem te kijken. Vaak wordt Mill gezien als ‘de filosoof van de vrijheid’, maar Cor Hermans heeft gelijk wanneer hij stelt dat men hem beter de filosoof van de bevrijding kan noemen: ‘“Vrijheid’ is een toestand, een ideaal of een recht; “bevrijding” is een proces en een opgave.’ En volgens Mill was de klus nooit klaar, zouden er altijd nieuwe problemen opdoemen, die om nieuwe oplossingen vroegen. Hoewel hij geloofde in de vooruitgang, geloofde hij niet dat de geschiedenis ooit ten einde zou komen in een of andere socialistische heilstaat of in het neoliberale perpetuum mobile dat ons tot de herfst van 2008 als een vette worst werd voorgehouden.
John Stuart Mill Linksmailto:andreas@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|