De speelfilm Taurus (2001) de Russische regisseur Aleksandr Sokoerov gaat over de laatste maanden van Lenin. Het is geen ‘gewone’ film, die een zo realistisch mogelijk beeld pretendeert te geven. Met behulp van merkwaardige kleuren en vervreemdende geluiden weet Sokoerov echter een aangrijpend portret te schetsen van een aftakelende man, die zojuist een tweede hersenbloeding heeft gekregen en wiens brein wordt weggevreten door de syfilis. Onwillekeurig krijg je medelijden met dit menselijk wrak, dat door zijn verzorgers wordt gekoeioneerd en met wie wordt gesold. Ook de incoherente gesprekken die hij voert met zijn vrouw, Nadezjda Kroepskaja, zijn schrijnend. Maar dat komt niet alleen doordat Lenin moeite heeft zijn gedachten onder woorden te brengen. Ook de onderwerpen die hij ter sprake brengt maken dat de toeschouwer zich geleidelijk ongemakkelijk gaat voelen. Zo wil deze doodzieke man alles weten over de praktijk van lijfstraffen in tsaristisch Rusland. Nog pijnlijker is de conversatie met zijn Stalin, die op zekere dag op bezoek komt. Tijdens het verwarde gesprek vraagt Lenin zijn opvolger wat hij zou doen als hij in een auto over een landweg rijdt en er een boomstam over de weg ligt. Er zijn drie opties. Je kunt natuurlijk wachten tot de boom vanzelf is weggerot, maar dat duurt wel erg lang. De meest voor de hand liggende keuze is dat je de boom aan de kant schuift, maar zowel Lenin als Stalin ziet daar niets in. Beiden kiezen voor de derde mogelijkheid: het helemaal aan spaanders hakken van de boom. Hun keuze wordt niet gemotiveerd, maar het is de kijker duidelijk waarom ze de tweede optie niets vinden. Iemand kan de boomstam immers weer opnieuw op de weg leggen. Daarom kun je dit beter voorkomen en alle potentiële tegenstand aan spaanders hakken, alle mogelijke oppositie zo volledig mogelijk vernietigen. De Lenin die Sokoerov ons toont wijkt nogal af van het beeld dat veel mensen hebben van de stichter van de Sovjet-Unie. Om te beginnen zien we hier niet de scherpzinnige theoreticus, de felle polemist en de gedreven organisator, maar een hulpeloze en geestelijk van de weg geraakte man die af en toe een helder moment heeft. Bovendien contrasteren de vlijmscherpe kanten die Sokoerov van Lenins persoonlijkheid laat zien heel sterk met dat van de nobele socialist, de man die gedreven door humanitaire idealen een samenleving nastreefde waarin welvaart en politieke invloed op rechtvaardige wijze waren verdeeld. Bovendien lijkt hij het roerend eens te zijn met Stalin, terwijl die toch geldt als de man die Lenins erfenis heeft misbruikt en die verantwoordelijk wordt gehouden voor de onvoorstelbare misdaden die in de Sovjet-Unie zijn begaan. Hoewel Sokoerov een speelfilm heeft gemaakt, is zijn beeld van Lenin heel wat realistischer dan het hierboven geschetste publieke imago. Natuurlijk is Lenin niet zijn hele leven seniel geweest, maar dat wil niet zeggen dat hij vóór zijn geestelijke aftakeling nobeler en menslievender was. Stalin en hij mochten dan in veel opzichten van elkaar verschillen, hun visie op de mens en op de noodzakelijke loop van de geschiedenis was even gruwelijk en rampzalig. Stalin kon voor zijn totalitaire politiestaat voortbouwen op de fundamenten die door Lenin waren gelegd. Ook de tegenstelling tussen de belangrijke filosoof Lenin en de botte popularisator Stalin is bij nader in zien heel wat minder groot dan vaak is beweerd. Uit zijn vele tientallen tellende Verzameld Werk komt Lenin allesbehalve naar voren als een oorspronkelijk en subtiel denker. Vladimir Iljits Oeljanov, die rond zijn dertigste de schuilnaam Lenin aannam, werd in 1870 geboren in het aan de Wolga gelegen provinciestad Simbirsk. Zijn vader was inspecteur bij het onderwijs, een voorname betrekking die hem zelfs recht gaf op de aanspreektitel ‘excellentie’. Hij was een gelovig man met in politiek opzicht liberale denkbeelden, die grote bewondering had voor de hervormingsgezinde tsaar Alexandr II. Vader Oeljanov vormde het bewijs dat het tsaristische Rusland, in weerwil wat de communisten later zouden beweren, wel degelijk sociale mobiliteit kende. Zijn grootvader was immers nog lijfeigene geweest. In de communistische propaganda werd Lenins overgrootvader altijd naar voren geschoven om te laten zien dat de grote leider van eenvoudige komaf was. Daarom moest zijn familie van moeders kant zo veel mogelijk worden weggemoffeld. Zijn grootvader Alexandr Blank was een gedoopte jood, die als arts en landeigenaar bijzonder welvarend was geworden en met een Duitse vrouw was getrouwd. Sommige biografen hebben zijn meedogenloze houding ten opzichte van de Russische bevolking verklaard uit het feit dat hij zelf nauwelijks een Rus was – onder zijn voorouders bevonden zich niet alleen joden en Duitsers, maar ook nog Zweden en Kalmoeken. Anderen schrijven zijn hardheid toe aan het feit dat zijn familie van moederskant in de adelstand was verheven. Lenin verbleef inderdaad graag op het landgoed van de familie Blank en tijdens de vreselijke hongersnood van 1891 klaagde hij als jong jurist de naburige boeren aan wegens het toebrengen van schade aan het familielandgoed. Van empathie en mededogen met de lijdende medemens zou Lenin ook de rest van zijn leven geen last hebben. Inmiddels had hij zich wel tot het socialisme bekeerd, maar van hoogdravende idealen en ‘zoete sentimentaliteit’ wilde hij niets weten. In het marxisme vond hij juist een theorie waarmee hij zijn harteloze houding kon onderbouwen. De hongersnoden die in de jaren negentig de Wolga-provincies teisterden waren juist een zegen. Ze vernietigden immers de agrarische economie, waardoor de boerenbevolking naar de stad werd gejaagd en daar het proletariaat versterkte. Op deze wijze diende de honger de vooruitgang. Lenins radicale standpunt paste volledig in de sterk gepolariseerde politieke verhoudingen in het Rusland van die dagen. Nadat tsaar Alexandr II in 1881 door extremistische populisten was vermoord, voerde zijn opvolger Alexandr III een bijzonder repressieve politiek, die nog meer extremisme uitlokte. Een van de revolutionair gezinde jongeren die voor het terrorisme kozen, was Lenins oudere broer Alexandr. Hij was betrokken bij een klungelige samenzwering om de tsaar te vermoorden en werd in 1887 opgehangen. Ongetwijfeld heeft deze gebeurtenis diepe indruk op Lenin gemaakt, al heeft hij zich daar nooit over uitgelaten. Op zijn studieresultaten had het echter geen invloed en hoewel hij als broer van een terrorist af en toe problemen had, slaagde hij erin zich te vestigen als advocaat. Ondertussen was hij echter ook politiek actief geworden. Aanvankelijk dweepte hij met dezelfde populistische ideeën als waarvoor zijn broer was gestorven, en waarin de traditionele Russische boerensamenleving werd geďdealiseerd, maar al spoedig koos hij voor het in deze jaren in Rusland snel terrein winnende marxisme. Toch zou de Russische revolutionaire traditie – waarin kleine groepjes revolutionairen door middel van samenzweringen en aanslagen trachtten een massale volksbeweging te ontketenen – grote invloed uitoefenen op de heel specifieke interpretatie die Lenin van het marxisme gaf. Volgens het marxisme leidden de economische ontwikkelingen onvermijdelijk tot onoplosbare sociale spanningen, zodat het kapitalistische bestel vanzelf ineen zou storten. Zoals Darwin had aangetoond aan welke wetten de levende natuur onderhevig was, zou had Marx dat voor de maatschappij gedaan. De ontwikkeling van feodalisme naar kapitalisme naar socialisme was in de ogen van marxisten ‘naturnotwendig’, en de invloed die individuen daar op konden uitoefenen was praktisch nihil. Voor een Russische revolutionair leek het marxisme een weinig aantrekkelijke theorie, aangezien Rusland in economisch en sociaal opzicht een enorm ‘achterlijk’ land was. Wanneer de revolutie zou uitbreken in het land waar het kapitalisme het meest ontwikkeld was, dan zou dat in Groot-Brittannië moeten zijn. Dat Lenin toch voor het marxisme koos had twee consequenties. In de eerste plaats zou hij elke ontwikkeling in de richting van het kapitalisme in Rusland van harte toejuichen, zoals bleek uit zijn opmerkingen over de hongersnoden in de jaren 1890. Ten tweede zou hij de marxistische theorie altijd op zeer lenige wijze toepassen, en daar uiteindelijk een geheel eigen draai aan geven. Terwijl andere marxistische theoretici, zoals Karl Kautsky of Georgi Plechanov, hun best deden zo precies mogelijk te achterhalen wat Marx had bedoeld, en hoe deze de ontwikkelingen die zich na zijn dood 1883 voordeden zou hebben geďnterpreteerd, ging Lenin op heel vrijmoedige wijze om met de theorie. Volgens Leszek Kolokowski, auteur van de onvolprezen Geschiedenis van het marxisme, was voor Lenin de theorie altijd ondergeschikt aan het doel: het bewerkstelligen van een revolutie. In de jaren zestig en zeventig werd Lenin door veel revolutionair gezinde jongeren bejubeld als de grote denker die ook nog eens een geniaal organisator en politicus was geweest, als vleesgeworden synthese van ‘Theorie und Praxis’. In werkelijk waren zijn filosofische geschriften hopeloos amateuristisch en platvloers. Argumenten verving hij hetzij door citaten, hetzij door woedende scheldpartijen aan het adres van zijn tegenstanders. Mensen die het waagden met hem van mening te verschillen werden uitgemaakt voor ‘schijtluizen’, ‘klootzakken’, ‘hoeren’, ‘kutten’, ‘Russische blindgangers’ of ‘stomme ouwe wijven’. Al ver voor hij aan de macht zou komen, zag hij elke vorm van tegenspraak als een vijandige daad en was hij erop uit zijn vijanden te verpletteren en te vermorzelen. Veel auteurs hebben zich afgevraagd waar die onbeschrijfelijke woede van Lenin vandaan kwam, maar het is niet waarschijnlijk dat er op die vraag ooit een overtuigend antwoord komt. Wie een blik werpt op wat er bekend is van Lenins persoonlijkheid, wordt daar niet echt vrolijk van. Als scholier zou hij al blijk hebben gegeven van wreed en gemeen gedrag, terwijl hij later nooit blijk heeft gegeven van persoonlijke moed. Zijn egocentrisme en gebrek aan inlevingsvermogen waren er mede de oorzaak van dat hij totaal niet wist wat er in andere mensen omging. Volgens Maksim Gorki leek hij een typische edelman: ‘Het leven in al haar complexiteit is Lenin onbekend. Hij kent de gewone mensen niet. Hij heeft nooit tussen hen geleefd.’ Daarnaast was hij ook iemand met een heel beperkte intellectuele en culturele belangstelling. Literatuur interesseerde hem slechts voor zover deze politiek van belang kon zijn, bijvoorbeeld omdat zij mensen bewust maakte van sociale misčre of aanzette tot opstandigheid. Hij probeerde het luisteren naar muziek te vermijden: ‘Ik ga er aardige, domme dingen van zeggen en mensen van over hun bol aaien […] Terwijl ze je nu op hun kop moet slaan, zonder genade.’ Het zal niet verbazen dat zijn liefdesleven al even troosteloos was. Lenins leven stond in teken van de revolutie, en met die revolutie wilde het aanvankelijk niet zo vlotten. In 1895 werd hij gearresteerd en vervolgens verbannen naar Siberië, waar hij volop tijd had om te studeren, te jagen en te skiën, en een maandelijkse toelage van tien roebel ontving. In 1900 werd hij vrijgelaten, waarna hij naar het buitenland vertrok. Hij was lid geworden van de Russische sociaal-democratische partij en schreef de geruchtmakende brochure Wat te doen?, waarin hij pleitte voor een centralistisch geleide, uiterst gedisciplineerde en grotendeels clandestiene partij, die de strijdende voorhoede van het proletariaat moest zijn. Als gevolg van zijn opvattingen over de partijorganisatie scheurde de partij in twee fracties, de ‘bolsjewiki’ en de ‘mensjewiki’. Hoewel de eerste term ‘meerderheid’ betekende, omdat op het congres van 1903 een meerderheid voor Lenins voorstellen pleitte, en de ‘mensjewiki’ toen een minderheid vormden, waren de krachtsverhoudingen in werkelijkheid omgekeerd. Lenin was de leider van een fanatieke maar kleine club, die in de socialistische beweging slechts een marginale rol speelde. De mislukte revolutie van 1905 bracht daar geen verandering in, en niets wees erop dat Lenin en zijn kameraden ooit veel invloed zouden krijgen. Toen Lenin in januari 1917 in Zürich een lezing hield over de revolutie van 1905, die slechts de opmaat tot de werkelijke socialistische machtsovername was geweest, zei hij: ‘Wij ouderen zullen misschien nooit de beslissende slagen van die naderende revolutie meemaken.’ Enkelen weken later brak in Rusland de revolutie uit en werd de tsaar ten val gebracht. In de chaos die volgde wist Lenin – die in april met medewerking van het Duitse opperbevel naar Rusland terugkeerde – de invloed van zijn bolsjewistische partij uit te breiden. Evenals Adolf Hitler zestien jaar later, kwam Lenin echter niet zozeer aan de macht als gevolg van zijn eigen kracht, maar meer als gevolg van de zwakte van alle anderen. ‘De bolsjewieken hebben het schip van staat niet veroverd, zij kwamen aan boord van een verlaten schip,’ merkte een historicus ooit terecht op. Onmiddellijk nadat Lenin en de zijnen op 7 november 1917 aan de macht waren gekomen, voerden zij een meedogenloos regime in. De bolsjewiki verklaarden niet alleen de oorlog aan al hun politieke tegenstanders, maar ook aan de ‘vijandelijke klassen’. In december 1917 riep hij in het artikel ‘Hoe de wedijver te organiseren?’ op Rusland te ontdoen van ‘al het ongedierte, al die schurkachtige vlooien, en al die rijke bedluizen en hun soortgenoten’. Hierbij moesten kameraden handelen naar bevind van zaken, en in de ene plaats was het wellicht afdoende om rijke burgers en lieden van adel dwangarbeid te laten verrichten, maar elders kon het noodzakelijk zijn flinke aantallen te vermoorden. Doordat Lenin hierbij appelleerde aan de opgekropte frustraties en woede van arme boeren en arbeiders, wier situatie door de oorlog en de revolutie nog verder verslechterd was, kon de terreur een enorme vlucht nemen. ‘Plunder de plunderaars’ luidde het devies. Tegelijkertijd werd de ‘Buitengewone Commissie voor de Strijd tegen Contrarevolutie en Sabotage’, de zogeheten Tsjeka opgericht, die de terreur niet alleen stroomlijnde maar tevens intensiveerde. Hoewel Lenin zich officieel niet met de terreur bemoeide – hij ondertekende zelf geen doodvonnissen – juichte hij de moordpartijen van harte toe. Toen Gorki hem eens vroeg hoe hij nu eigenlijk kon bepalen hoeveel geweld er tegen, al dan niet vermeende, tegenstanders moest worden gebruikt, antwoordde Lenin dat je altijd beter te veel dan te weinig geweld kon gebruiken. Vjatsjeslav Molotov, die onder zowel Lenin als Stalin deel uitmaakte van de communistische leiding en beide tirannen overleefde, zou later opmerken dat Lenin veel ‘strenger’ en ‘hardvochtiger’ was dan zijn opvolger. Maksim Gorki heeft erop gewezen dat mensenlevens in de ogen van Lenin niets voorstelden, en dat hij de bevolking behandelde als ‘ijzererts’. Door het in het vuur te laten smelten, kon je het in de gewenste vorm gieten. Hierin was er dus geen enkel verschil tussen Lenin en Stalin. Doordat zij de boomstammen die zij op hun weg tegenkwamen helemaal tot spaanders hakten, door alle sociale en juridische structuren te vernietigen, waren zij in staat om van de houtsnippers pulp te maken, waaruit zij de nieuwe, socialistische mens hoopten te kneden. Door zijn relatief vroege dood, in januari 1924, kon Lenin dat karwei niet zelf meer afmaken maar nam Stalin deze taak energiek ter hand. Hoewel ook Mao Zedong en Pol Pot zich later trouwe leerlingen van Lenin zouden betonen, strekte Lenins invloed zich niet alleen uit tot communistische revolutionairen. Met zijn maniakale drang om alle potentiële tegenstanders te vernietigen, zijn streven om door middel van massale terreur de mensheid een vaag omlijnd ‘paradijs’ in te jagen en zijn volstrekte ontkenning van de waarde van het individu, was hij tevens de leermeester van Adolf Hitler en Osama bin Laden.
Lenin Linksmailto:egbert@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|