Leven en werk van John Locke (1632-1704)

figuur vrijdag 09 mei 2003

John Locke

John Locke (1632-1704) is de filosoof van de vrijheidsrechten en van de rechtstaat. Voor hem berust de staat op een overeenkomst die tot doel heeft de oorspronkelijke rechten van de mensen op leven, vrijheid en eigendom te waarborgen. Overschrijdt de staat de grenzen van deze opdracht, dan verliest hij zijn gezag en zijn de burgers gerechtigd zich een regering aan te stellen die beter aan haar doel beantwoordt. Het overheidshandelen dient gelegitimeerd te zijn door algemeen geformuleerde wetten.

Het liberalisme kent als moreel uitgangspunt de idee dat elk individu een maximale vrijheid behoort te hebben om invulling te geven aan het eigen leven, zolang anderen daarbij niet worden geschaad in hun vrijheid. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, pleiten liberalen dus niet voor een ongelimiteerde vrijheid, maar juist voor duidelijke grenzen aan ieders vrijheid. Om de libertariŽr Nozick te citeren: iemand kan de vrijheid hebben om zijn eigen mes rond te laten slingeren waar hij wil, maar niet in de rug van iemand anders. De vrijheid van de een stopt bij de vrijheid van de ander.

Naast zelfbeschikking over het eigen lichaam, is ook de mogelijkheid om van de natuur gebruik te kunnen maken een wezenlijk onderdeel van de vrijheid van de mens. Omdat de menselijke gemeenschap slechts de beschikking heeft over een eindige planeet, mag een individu de natuur niet ongelimiteerd voor zichzelf op eisen.

Dit idee werd al geformuleerd lang voordat de natuur zo schaars was als we haar nu kennen. John Locke leidde dit af als logische consequentie van zijn liberale principes. Volgens Locke heeft elk individu recht om op een maximale vrijheid invulling te geven aan het eigen leven. Hierbij mag dit individu een gedeelte van de natuur opeisen, mits hij genoeg en van dezelfde kwaliteit overlaat voor anderen. Niemand kan meer aanspraak maken op de natuur dan een ander, want de mogelijkheden die de natuur biedt, zijn niemands persoonlijke verdienste. Wanneer er bijvoorbeeld een beperkte hoeveelheid land beschikbaar is voor twee personen, en een van beide personen eigent zich meer dan de helft toe, dan is dit volgens Locke onrechtvaardig. De tweede persoon wordt hiermee te veel beperkt in het geven van een eigen invulling aan zijn leven.

Locke gaat niet uit van de visie dat privť-bezit alleen voort kan komen uit algemene instemming. Privť-bezit ontstaat uit noodzaak: als men voedsel niet zou bezitten, maar het wel zou nuttigen en dus aan de rest van de mensheid onttrekken, dan zou dat in tegenspraak zijn met elkaar. Dus, wat men nuttigt, dient men te bezitten. Hieruit redeneert John Locke terug naar het begin van bezit, en concludeert dat men iets bezit kan noemen vanaf het moment dat men hier moeite voor doet. Zonder dat er arbeid in is geÔnvesteerd hebben goederen nauwelijks waarde; de waarde van een goed wordt bepaald door de arbeid die erin geÔnvesteerd wordt. Daarnaast kan niemand het lichaam van een mens bezitten, behalve de betreffende persoon zelf. Locke vindt dat wanneer men iets bezit, men ook de vrijheid heeft dit bezit af te staan aan anderen. Hiermee verklaart hij de handel van goederen. Hij verdedigt het rechtvaardigingsprincipe dat niemand meer zou mogen bezitten dan hij kan bewerken en gebruiken.

Locke zag in elk mens als een van nature vrij geboren individu, met een vanzelfsprekende neiging het eigenbelang na te streven. Zonder overkoepelende statelijke macht zou de samenleving vervallen in een verbeten gevecht om het eigen belang. Door middel van het maatschappelijk verdrag/contract worden de burgers tegen zichzelf en tegen elkaar beschermd. Wie deel wil uitmaken van de staat verplicht zichzelf de regels van de staat te respecteren. Tegenover dit verlies van de vrijheid uit de natuurlijke toestand staat het recht van bescherming door de overheid. Er is dus sprake van een gefingeerde overeenkomst waaruit voor de staat en de burgers wederzijdse rechten en verplichtingen voortvloeien.

Kennistheorie

Als kennistheoreticus geldt hij als de grondlegger van het Engelse empirisme en als politiek filosoof heeft hij belangrijk bijgedragen tot het ontstaan van het liberalisme. Lockes hoofdwerk in de kennistheorie is Essay concerning human understanding (1690). Andere publicaties zijn: Some thoughts concerning education (1693), waarin Locke denkbeelden over de opvoeding lanceerde, en een aantal geschriften met godsdienstige inhoud, o.a. The reasonableness of christianity (1695). In het Essay concerning human understanding gaf Locke aan hoe hij inzicht probeerde te krijgen in het bereik en de grenzen van het menselijk begripsvermogen. Locke wilde weten welke prestaties van de menselijke geest verwacht mochten worden en welke niet. Waar komen de ideeŽn in ons verstand vandaan? Een gedeeltelijk antwoord was o.a. door Descartes gegeven in de theorie van de aangeboren ideeŽn: er zijn beginselen waar iedereen het over eens is en men verklaarde dat door aan te nemen dat ieder mens deze ideeŽn bij zijn geboorte meekrijgt. Locke moest niets van zulke opvattingen hebben; de theorie leek hem onhoudbaar. Volgens Locke moeten we aannemen dat ons verstand bij de geboorte nog helemaal leeg is. Hoe komt het `vol'? Waar halen we het materiaal vandaan dat door het verstand tot kennis kan worden verwerkt? Het antwoord was kort: uit de ervaring. Enerzijds is er zintuiglijke ervaring van de dingen om ons heen, anderzijds introspectieve ervaring van de processen in onze geest. Al onze ideeŽn zijn aan deze twee vormen van ervaring ontleend. Allereerst zijn er de eenvoudige ideeŽn, die door het verstand passief worden opgenomen. Het verstand combineert eenvoudige ideeŽn tot complexe ideeŽn. De complexe idee van een sneeuwbal is een combinatie van de eenvoudige ideeŽn wit, rond en koud. Met ideeŽn in de geest corresponderen kwaliteiten in de dingen. Een sneeuwbal heeft het vermogen de eenvoudige ideeŽn wit en rond te doen ontstaan. Dat vermogen noemde Locke `kwaliteit'. Primaire kwaliteiten, die betrekking hebben op vorm, omvang, beweging, enz., zijn het resultaat van de overeenkomstige eigenschappen; een sneeuwbal roept het idee rond op omdat hij zelf rond is. Secundaire kwaliteiten, die betrekking hebben op kleur, geluid, enz., zijn het resultaat van de vormen en bewegingen van de delen waaruit een ding is opgebouwd. Een sneeuwbal is in staat het idee wit te doen ontstaan (secundaire kwaliteit), maar op zich is niet hij zelf wit maar de sneeuw waaruit hij bestaat. De kleuren die wij waarnemen bestaan uitsluitend voor ons, de waarnemers. Onder `kennis' verstond Locke inzicht in de relaties tussen ideeŽn. Daarin onderscheidde hij drie soorten. IntuÔtieve kennis omvat inzichten die zo volkomen zeker zijn dat er niet eens een bewijs voor nodig (`wit is niet zwart'). Demonstratieve kennis omvat inzichten die met zekerheid bewezen kunnen worden (`de hoeken van een driehoek zijn samen gelijk aan twee rechte hoeken'). Sensitieve kennis omvat inzichten die het niet verder brengen dan een zekere mate van waarschijnlijkheid (`goud is altijd geel'). Onder demonstratieve kennis valt o.a. de hele wiskunde; de empirische wetenschappen vallen onder de sensitieve kennis, waarmee Locke wilde aangeven dat empirische kennis dus nooit helemaal zeker is. Wiskundige ideeŽn echter worden door het verstand in alle vrijheid gecreŽerd; daarop berust de zekerheid van wiskundige stellingen. Kant heeft evenwel een mooie synthese uit het Franse (Descartes) en Engelse (Locke, hume) gemaakt: noch zuiver empirie, noch zuiver rationalisme.

Politieke ideeŽn

Het uitgesproken doel van het politieke werk was de rechtvaardiging van de `Glorious Revolution' van 1688, die Willem III van Oranje op de Engelse troon bracht. Twee jaar later (1690) verscheen het belangrijke politieke werk van Locke Two treatises on government. Het was Locke erom te doen de verschijnselen die samenhangen met politieke organisatie en politieke macht begrijpelijk te maken door ze te herleiden tot hun oorsprong. Daartoe ging hij uit van een natuurlijke toestand waarin nog geen enkele politieke organisatie bestaat. In de natuurlijke toestand, zei Locke, zijn alle mensen vrij en gelijk en aan geen gezag onderworpen. Er is een `natuurrecht' van kracht dat in de menselijke rede vastligt. De rede leert dat het verkeerd is leven, vrijheid of bezit van anderen aan te tasten. Ieder mens heeft een aantal natuurlijke, aangeboren rechten en het natuurrecht laat toe dat schendingen van die rechten worden tegengegaan en bestraft. Dat er geen toestand van volmaaktheid wordt afgeschilderd, bleek al uit het feit dat hij sprak van een recht om overtreders af te straffen. Het natuurrecht is van kracht, aldus Locke, maar dat betekent niet dat iedereen zich er ook aan houdt. Om tot een meer afdoende bescherming van ieders rechten te komen, is organisatie nodig. Dat is een kwestie van geven en nemen: de bestaanszekerheid wordt vergroot, maar in ruil daarvoor zal een deel van de onbeperkte vrijheid die men in de natuurlijke toestand geniet, moeten worden opgegeven. En dat kan alleen met instemming van alle betrokkenen. Locke spreekt dan van een verdrag, een sociaal contract, waarbij men vrijwillig overeenkomt zich in een georganiseerde gemeenschap te verenigen en zich te zullen neerleggen bij besluiten van de meerderheid. Een tweede verdrag regelt de instelling van een centraal gezag, dat zal gaan zorgen voor het maken en uitvoeren van de noodzakelijke wetten. Dit centrale gezag is zelf partner in de overeenkomst en neemt daardoor ook bepaalde verplichtingen op zich, zoals de verplichting om de natuurlijke rechten van de burgers te respecteren. Wanneer die verplichtingen niet worden nagekomen, dan vindt contractbreuk plaats, in dat geval heeft de gemeenschap het volste recht om tegen de bestaande overheid in opstand te komen. Om zulke situaties te voorkomen, is het raadzaam de wetgevende en de uitvoerende macht strikt van elkaar te scheiden: iemand die betrokken is bij het maken van wetten behoort niet betrokken te zijn bij de uitvoering van die zelfde wetten. De kans op machtsmisbruik wordt hierdoor sterk verkleind.

Invloed

Bovenstaande beschrijving van de scheiding van de machten is later door Montesquieu nader uitgewerkt. Zijn ideeŽn en die van Locke hebben o.a. de staatsvorm van de Verenigde Staten diepgaand beÔnvloed. Locke had een grote invloed op Hume en Kant. De ideeŽn van John Locke beÔnvloeden vele hedendaagse liberale denkers en politici. Zijn invloed als 'founding father' is nog steeds groot.


De paragrafen 2 tot en met 4 komen uit het artikel 'Liberale grondrechten en milieu; Het recht op milieugebruiksruimte als grondslag van een basisinkomen', geschreven door Marc D. Davidson en verschenen in: Milieu 1995/5.

Links
http://www.johnlocke.org http://www.orst.edu/instruct/phl302/philosophers/locke.html http://www.vivant.org/Vivant/site/nl/links/Vivant/nl/varia/Liberale_grondrechten_en_milieu.htm
Share |

18/09/14: Dirk Verhofstadt over Beccaria (boekvoorstelling); met professoren Vermeersch en De Ruyver.

03/10/14: Volgende nieuwsbrief 2014-2015

08/10/14: De derde John Rawls-lezing in het Liberaal Archief te Gent door de Nederlandse rechtsgeleerde en filosoof Paul Cliteur.

21/10/14: gespreksavond met Johan Leman en Etienne Vermeersch (info volgt)

26/11/14: over het klimaat met Lard Vanobbergen (info volgt)

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be