|
Toen studenten aan Heidegger vroegen of hij zijn college over Aristoteles niet wilde beginnen met wat biografie, stemde hij toe en zei: ‘Aristoteles wurde geboren, arbeitete und starb’, en vervolgens ging hij over tot de uiteenzetting van zijn filosofie. Het is de vraag of dat een adequate inleiding is tot Aristoteles, maar het is zeker dat men een bespreking van Nietzsches filosofie niet op een dergelijke manier kan losmaken van zijn leven. Als we überhaupt kunnen spreken van Nietzsches ‘filosofie’, of van Nietzsche ‘als filosoof’... Wanneer is iemand een filosoof? Nietzsche heeft muziek geschreven, en dus was hij in zekere zin een componist; hij heeft gedichten geschreven, en dus was hij in zekere zin een dichter. Het doet er nu even niet toe of zijn composities en zijn gedichten geslaagd genoemd kunnen worden; er zijn ook slechte componisten en dichters. Maar hoe stellen we vast of hij een filosoof was? Hoe weten we of wat hij schreef ‘filosofie’ is? Nietzsche heeft over filosofie en over filosofen geschreven, maar dat impliceert nog niet dat hij het op een filosofische manier deed. Hij heeft zichzelf filosoof genoemd, maar ook dat zegt nog niet alles. Bovendien noemde hij zich ook psycholoog en fysioloog en filoloog en nog wel meer. Als hij zich filosoof noemt is dat niet omdat hij meent te passen in een of andere gevestigde opvatting van wat dat is, filosofie. Integendeel: hij bekritiseert bijna alles wat zich als filosofie presenteert, en probeert een nieuwe, eigen inhoud te geven aan dat begrip. In plaats van te vragen of Nietzsche een filosoof was, kunnen we daarom beter proberen na te gaan wat hij onder die titel verstond en meende te moeten doen. Welnu: centraal in Nietzsches begrip van filosofie is in ieder geval de band met het leven. In Die fröhliche Wissenschaft noemt hij het leven een middel tot kennis (§ 324). En in de nieuwe voorrede die hij in 1886 aan dat boek toevoegde noemt hij de filosofie niets minder dan een kunst van de transfiguratie, de kunst om het eigen leven in spirituele vorm om te zetten. (FW, Vorr. 3). Laten we daarom proberen om aan de hand van Nietzsches biografie iets te zeggen over zijn denken.1 Jeugd Friedrich Wilhelm Nietzsche werd geboren op 15 oktober van het jaar 1844, de verjaardag van koning Friedrich Wilhelm IV van Pruisen. Daarom kreeg hij van zijn vader dezelfde voornamen als de koning. Zijn vader zag dat als een dankbetuiging aan die koning aan wie hij als jonge dominee zijn standplaats in Röcken, een klein dorp in Thüringen, te danken had. Overigens was niet alleen Friedrichs vader dominee in de lutheraanse kerk, ook van moeders kant waren er vele dominees en andere kerkelijke functionarissen. Dat hij later zijn felste kritieken op het christendom zou richten, komt bij hem in ieder geval niet voort uit gebrek aan kennis ervan. Hij heeft in zijn jeugd ongetwijfeld, ook al door zijn leergierige en zeer ernstige aard, het christendom grondig leren kennen. Reeds in 1849 sterft Nietzsches vader en kort daarna ook zijn jongere broertje Joseph. Vanaf zijn vijfde levensjaar leeft Nietzsche 10 jaar lang in een Œgezin¹ dat bestaat uit behalve hem zelf, 5 vrouwen: zijn moeder, zijn zus Elisabeth, zijn oma van vaders kant en twee tantes, zusters van zijn vader. Het moet wel een bevrijding geweest zijn toen hij in 1859 toegelaten werd tot het elite gymnasium annex internaat in Schulpforta. Daar sluit hij zijn eerste hechte vriendschappen. Zowel het onderwijssysteem als zijn invulling van die vriendschap worden gekenmerkt door een trek die Nietzsche vanaf zijn vroegste werk ook filosofisch zal uitwerken: de wedijver. Het mooiste voorbeeld daarvan is wel het door Nietzsche, samen met twee vrienden opgerichte dispuut ‘Germania’: elk lid was verplicht om eens per drie maanden aan de anderen een werkstuk voor te leggen. Dat kon een gedicht zijn, een muzikale compositie, een architectonisch ontwerp of een essay. De anderen hadden de plicht het voorgelegde product zo scherp als mogelijk te bekritiseren. In vroege teksten zal Nietzsche beschrijven hoe deze wedkamp, de agon , het hele Griekse leven doortrok en verantwoordelijk was voor het grootste wat de Griekse cultuur heeft voortgebracht.2 Later zal hij de these ontwikkelen dat elke levende werkelijkheid slechts bestaat in een (wed)strijd van interpretaties: zoals een boek maar voortleeft door het conflict van interpretaties die ervan gegeven worden, zo geldt dat uiteindelijk voor elke werkelijkheid. Ze sterft af wanneer ze wordt vastgelegd in één, dogmatische en alles overheersende interpretatie. Vandaar dat Nietzsche de moraal bekritiseert die pretendeert de enige te zijn, de monotheistische godsdienst die geen andere goden toelaat, de wetenschap die één manier van kennis dogmatiseert. Werkelijkheid is strijd, of - zoals Nietzsche dat later zal uitdrukken: wil tot macht. Klassieke filologie als cultuurkritiek In 1864 sluit Nietzsche zijn gymnasium opleiding af met een in het latijn geschreven essay over Theognis van Megara (een dichter uit de 6e eeuw voor Chr.). Daarmee is zijn ‘wetenschappelijke’ carrière ingezet. Want hoewel hij nog een jaar theologie studeert in Bonn, is hij vooral gegrepen door de studie van de oude Griekse en Romeinse literatuur. Als de filoloog Ritschl van Bonn naar Leipzig gaat, volgt Nietzsche hem en wordt hij - volgens Ritschl zelf - diens meest briljante leerling. Tijdens zijn studie publiceert hij verschillende artikelen in het vooraanstaande tijdschrift Rheinisches Museum. Mede op grond hiervan wordt hij al in 1869, nog voor zijn 25ste verjaardag, en zonder dat hij zijn studie formeel met een dissertatie heeft afgesloten, benoemd tot hoogleraar klassieke filologie aan de universiteit van Basel. De antieke cultuur, vooral de Griekse (en dan nog met name die vroeg-Griekse, van vóór de klassieke periode) zal steeds een maatstaf blijven voor Nietzsches gedachten over de eigen cultuur. Enerzijds past Nietzsche daarmee in een heersend patroon van het negentiende eeuwse Duitsland: de intellectuele elite was graecofiel en kende zijn klassieken. Maar anderzijds voegt Nietzsche zich niet zonder meer naar dit patroon. Niet alleen zal hij de nieuwe (exacte) wetenschappen die opkomen, en die een nieuwe cultuur, een nieuwe elite en een andere samenleving zullen helpen voortbrengen, te hulp roepen voor zijn eigen cultuurkritische onderneming; maar ook, en al voordat hij die nieuwe wegen uitprobeert, is zijn omgang met de klassieken anders dan gangbaar was en dan verwacht werd. Dat bleek al meteen in zijn inaugurele oratie. Die handelt weliswaar over een ‘klassieke’ filologische kwestie: het zogenaamde homerische vraagstuk, maar loopt uit op een pleidooi voor een filosofische en cultuurkritische omgang met de antieke cultuur. Wat Nietzsche bedoelt blijkt nog sterker uit zijn eerste boekpublicatie: Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik. Zijn these over het ontstaan van de Griekse tragedie, hoogtepunt van Griekse cultuur, loopt uit op een kritiek van de eigen cultuur die van het tragische conflict vervreemd is, en op een verwachtingsvolle verwijzing naar het totaalkunstwerk van Wagner, waarin wellicht een hergeboorte van de antieke tragedie kan worden vermoed. Dat een dergelijke toepassing van de filologie ongehoord was, blijkt wel uit de reacties: een vernietigende bespreking door de opkomende filologische autoriteit Von Wilamowitz-Moellendorff (1848-1931) en het verdwijnen van de studenten uit zijn colleges. Terwijl de gangbare filologie nog sterk door het - door J.J. Winckelmann (1717-1768) gevormde - beeld van de serene, beheerste en evenwichtige, Œapollinische¹ Griekse kunst en cultuur werd beheerst, legt Nietzsche juist de nadruk op het element van de wedijver en de verscheurende strijd tussen Apollo en Dionysos in de Griekse cultuur. En terwijl die gangbare filologie de Griekse oudheid als een bevestigend model zag voor de eigen cultuur, zet Nietzsche juist het contrast tussen beide aan. Soms wordt dat contrast uitgedrukt in de oppositie van Griekendom versus christendom. Die staan volgens Nietzsche tegenover elkaar. En door het contrast zichtbaar te maken, kunnen we niet alleen onze eigen - door en door verchristelijkte - cultuur beter leren kennen, maar ook haar leren bekritiseren. Door middel van die kritiek moet de cultuur uit haar levenloze zelfgenoegzame vanzelfsprekendheid worden opgeschrikt en weer ‘ter discussie gesteld’, dat wil zeggen in de - leven brengende - strijd gebracht worden. Twee figuren die voor Nietzsche een belangrijke voorbeeld-rol spelen in zijn polemiek met de eigentijdse cultuur zijn de filosoof Arthur Schopenhauer en de componist Richard Wagner. Aan beiden wijdt hij een van zijn cultuurkritische essays die hij in deze jaren publiceert. (Zijn vier Unzeitgemäße Betrachtungen verschijnen in 1873: ‘David Strauss, der Bekenner und Schriftsteller’ en ‘Vom Nutzen und Nachtheil der Historie für das Leben’, 1874: ‘Schopenahuer als Erzieher’ en 1876 ‘Richard Wagner in Bayreuth’). Maar hoezeer hij beiden ook bewondert, ook met hen ontwikkelt hij steeds meer een polemische verhouding. De door Nietzsche gezochte vernieuwing van de cultuur verdraagt geen dogmatische modellen. Het vrije denken De reacties op zijn filologisch werk maken het Nietzsche overigens niet gemakkelijk zijn cultuurkritische ambitie waar te maken. Dat versterkt zijn verlangen om zijn hoogleraarstaak op te geven. Het werk viel hem overigens ook door toenemende gezondheidsklachten steeds zwaarder. Heftige migraineaanvallen maakten hem vaak het lezen en schrijven volstrekt onmogelijk. Na reeds verschillende malen zijn werk te hebben moeten onderbreken, legt hij zijn functie in 1879 definitief neer. Toen hij tien jaar daarvoor naar Basel kwam, had hij zijn Duitse nationaliteit al opgegeven, zonder een nieuwe nationaliteit aan te nemen. Vanaf nu zal hij ook werkelijk als statenloze, als ‘nieuwe’ of ‘toekomstige Europeaan’ zoals hij het wel uitdrukt, rondtrekken zonder vaste woon- of verblijfplaats. Hij zoekt steeds de streken op waar het klimaat het meest gunstig lijkt voor zijn zwakke gestel, en woont op kleine pensionkamertjes afwisselend in Zwitserland (Sils Maria) en Italië (Venetië, Genua, Rome, Napels en Nice, dat toen Nizza heette en ook tot Italië behoorde). Hij heeft geen eigen bibliotheek tot zijn beschikking, laat zich weliswaar regelmatig boeken toesturen, maar leeft niet tussen boekenkasten. Hij bezoekt vrienden en kennissen, maar leeft doorgaans alleen en is nooit langere tijd temidden van anderen. Het zijn misschien geen aantrekkelijke condities, maar wel de voorwaarden waaronder het vrije denken kan ontstaan. Nietzsches dagen bestaan voor een groot deel uit wandelingen, tijdens welke hij kleine notities maakt. Die aantekeningen werkt hij later uit tot korte teksten: aforismen in meer of minder strikte zin van het woord, teksten die veel te raden laten, die vaak meerzinnig zijn, die eerder de lezer tot zelf denken aanzetten dan dat ze een theorie van de auteur presenteren. Regelmatig verzamelt Nietzsche deze aantekeningen in boeken die hij wel aanduidt als ‘wandelboeken’: het zijn boeken die men evenmin aan één stuk kan doorlezen, als ze aan één stuk geschreven zijn. Zo ontstaan Menschliches, Allzumenschliches (MA, 1878), Vermischte Meinungen und Sprüche (VM, 1879) en Der Wanderer und sein Schatten (WS, 1880, later met VM samen gebundeld tot Menschliches, Allzumenschliches II, 1886); vervolgens Morgenröthe. Gedanken über die moralischen Vorutheile (1881) en Die fröhliche Wissenschaft (1882). Al deze boeken verzamelen gedachten over een grote verscheidenheid aan onderwerpen, steeds geformuleerd in korte teksten, variërend van enkele regels tot enkele pagina¹s. Men vindt er gedachten over de wetenschap, over bepaalde wetenschappen, over de filosofie of over sommige filosofen, over wetenschappelijke principes en filosofische stellingen, en over het menselijk bewustzijn en de taal waarin dat zich uitdrukt; maar ook over liefde en vriendschap, over mannen en vrouwen en kinderen, over de mode, over eenzaamheid, en over het sociale leven; er zijn teksten over politiek, over staatslieden, over politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in Europa, over de democratische instellingen en over het arbeidersvraagstuk; over God en godsdienst, over de verschillende wereldgodsdiensten, over predikanten en theologen, over heiligen en pausen, over ongelovigen en atheïsten, over de moraal, over ascetische praktijken, over de deugd in het algemeen en sommige deugden in het bijzonder, over opoffering en medelijden, over liefde en haat; over kunst en kunstenaars en kunstwerken; en over nog veel en veel meer. En hoewel er wel een zekere orde zit in de verzameling van teksten per hoofdstuk, blijft de lezer gedwongen steeds grote stappen te nemen, of te springen van het ene onderwerp naar het andere. Nietzsches boeken gaan (althans vanaf deze tijd) niet over een of over enkele onderwerpen, maar ze gaan over ongeveer alles. En ze geven van al die onderwerpen geen volledige bespreking, maar slechts een scherpe observatie, of een verrassende kijk, puntig en vaak raadselachtig geformuleerd. Dat maakt het lezen ervan tot een bijzondere opgave. Men moet enerzijds voorkomen dat men doet alsof het geen boeken zijn, maar kaartenbakken waarin de gebruiker naar willekeur zelf kan ordenen en selecteren, maar anderzijds moet men recht doen aan het veelzinnige en veelsoortige karakter van de teksten. Nietzsche dwingt zijn lezer bijna tot opvolging van zijn eis: zijn boeken kunnen alleen maar langzaam gelezen worden, met ruimte voor eigen bijgedachten, met oog voor betekenisvolle associaties, met tijd voor herlezing en herdenking. De lezer wordt gestimuleerd om ‘het lezen als kunst te beoefenen’ en dat vereist onder meer, aldus Nietzsche, dat men iets leert ‘waarvoor men bijna tot koe moet worden en in ieder geval geen moderne mens moet zijn: herkauwen’ (GM, Vorrede 8). Arts van de cultuur Ondanks de veelheid van onderwerpen die Nietzsche aansnijdt, kan de thematiek op de volgende wijze worden samengevat. In toenemende mate stelt hij zich op als een arts van de cultuur. Als arts is hij primair diagnosticus, en vervolgens therapeut. En in de cultuur die hij met zijn medische blik onderzoekt kunnen met name drie domeinen worden onderscheiden: het kennen (wetenschap, filosofie), het handelen (moraal en politiek) en het geloven (de godsdienst). Men kan deze trits aanvullen met een vierde domein, dat van de kunst. Ook dat komt regelmatig ter sprake (met name de muziek en de woordkunst), maar meer en meer wordt de kunst niet zozeer een domein naast de andere, maar het perspectief van waaruit Nietzsche zijn prognose en zijn therapie ontwerpt. Tegenover het bekritiseerde dogmatisme van wetenschap en filosofie, plaatst hij een scheppend kennen dat beseft dat de eigen begrippen creaties zijn die een werkelijkheid tot stand brengen in plaats van te weerspiegelen. Tegenover een moraal van gehoorzaamheid, plaatst hij een moraal van het scheppende bevelen; een moraal die de mens niet dwingt zich aan te passen aan de eenvormige maat van de kudde, maar die hem de taak geeft zichzelf en zijn eigen maatstaf te ontwerpen in een experimentele ontwikkeling van de eigen mogelijkheden. Tegenover het mono(tono)theïsme van de ene God die zijn scheppingswerk heeft afgesloten, stelt hij een polytheïstische vergoddelijking van een wereld die zich voortdurend ontwikkelt en verandert. Overigens moet men bij Nietzsche geen eenduidige voorschriften verwachten voor het bereiken van dit ideaal van een grote gezondheid. Zelfs de beschrijving van het ideaal blijft eerder een schetsmatige verwijzing naar een wenkende verte, dan dat het een blauwdruk van de toekomst zou zijn. Zijn filosofie is hooguit een ‘voorspel van een filosofie van de toekomst’ en geen beschrijving of identificatie van die toekomst. Voor een belangrijk deel vindt de verwijzing naar die toekomst plaats door middel van een kritiek van de bestaande toestand. Kritiek en ideaal zijn niet van elkaar gescheiden maar verweven. De diagnose van de kwaal wordt gemaakt vanuit een verhoopte gezondheid, en de gezondheid bestaat minstens deels uit een overwinning van de kwaal. In het vroegere aforistische werk heeft het werk van de arts van de cultuur nog een zeker verlichtingskarakter. De eerste band van Menschliches, Allzumenschliches wordt opgedragen aan Voltaire, van wie Nietzsche het vaandel van de verlichting wil overnemen. Ten tijde van het laatste boek van deze periode, is alle naïviteit van dat verlichtingspathos verdwenen. Dan zien we in de plaats van de verwachting dat wetenschappelijke kennis de dwalingen zal uitroeien, hoe Nietzsche zijn eigen ontwerp van een ander soort wetenschap presenteert: een fröhliche Wissenschaft. Maar de twee momenten van diagnose en therapie, destructie en constructie blijven in onderlinge verwevenheid steeds zichtbaar. Van Profeet tot Anti-Christ Diezelfde twee momenten herkennen we ook in de laatste fase van Nietzsches oeuvre. Also sprach Zarathustra brengt vooral het prognostische ideaal tot uitdrukking - maar steeds verbonden met het kritische werk van de afbraak van het oude; in het werk daarna overheerst de kritische diagnostiek, maar steeds verwijzend naar een toekomstige gezondheid. Begin augustus van het jaar 1881 heeft Nietzsche een bijna mystieke ervaring, die hem naar eigen zeggen de gedachte van de eeuwige terugkeer ingeeft. Alles wat gebeurt, is reeds eindeloos vaak eerder gebeurd en zal nog eindeloos vaak herhaald worden. Er is alleen maar een voortdurend worden, maar dat is geen ontwikkeling naar een doel, doch een eindeloze herhaling van hetzelfde. Voor Nietzsche is dat niet een verschrikkelijke ervaring die alles zinloos maakt, maar juist uitdrukking van de hoogste affirmatie en zelfs verheerlijking van het leven: er is geen enkel doel of norm buiten deze werkelijkheid waaraan zij gemeten en waarbij vergeleken zij veroordeeld kan worden. De aarde staat niet meer in het perspectief van de hemel, maar staat zelf centraal. Het is deze ervaring die Nietzsche probeert te articuleren en in haar betekenis en consequenties uit te werken via de door hem ontworpen figuur van Zarathustra. Hij gebruikt naar eigen zeggen de naam van deze Perzische profeet, omdat die als eerste een streng dualistische godsdienst zou hebben ontworpen, die in deze nieuwe, Nietzsches, Zarathustra overwonnen wordt. In Also sprach Zarathustra zien we deze figuur rondtrekken en tot het volk, tot zijn leerlingen, tot zichzelf en tot enkele uitverkoren ‘hogere mensen’ spreken over de gedachte van de eeuwige terugkeer en wat die vooronderstelt en mogelijk maakt: de wil tot macht als de naam voor de werkelijkheid die geen zin of telos heeft; de dood van God als de samenvatting van de afbraak van alle overwonnen eeuwige waarden en waarheden; en de Übermensch als de figuur waarin verbeeld wordt in welke nieuwe staat de mens zal komen door deze radicale affirmatie. Later zal Nietzsche schrijven dat hij de vier boeken van de Zarathustra elk in niet meer dan 10 dagen heeft geschreven. We weten dat dat niet waar is, maar dat neemt niet weg dat het boek wel degelijk de geest van een extatische ervaring ademt. De grootheid die Nietzsche er zelf van meet af aan aan toeschreef, werd overigens in het begin nog geenszins door anderen herkend. De delen verschenen apart in kleine oplagen, het laatste slechts in 40 exemplaren, door de auteur zelf bekostigd. Na de Zarathustra blijft het voor Nietzsches doen buitengewoon lang stil. Bijna twee jaar lang publiceert hij niets. In die tijd herleest Nietzsche zijn vroegere werk en herinterpreteert vanuit zijn nieuwe inzicht. Als hij vervolgens vanaf 1886 het grootste deel van dat vroegere werk opnieuw uitgeeft, voorzien van nieuwe voorwoorden, en in enkele gevallen uitgebreid met nieuwe hoofdstukken of andere toevoegingen, is dat overigens niet alleen om ze in het licht van die nieuwe ervaring te plaatsen. Het heeft ook een zeer aardse reden: Nietzsche wil naar een andere uitgever overstappen omdat hij de oude van antisemitisme verdenkt. Maar deze wil daar alleen in toestemmen als de nieuwe uitgever de grote voorraad van zijn slecht verkopende boeken overneemt. Om ze een nieuwe kans op een publiek te geven, laat Nietzsche nieuwe kaften drukken, waarop de oude bindsels trots als ‘nieuwe editie’ worden aangeprezen. De twee jaar waarin hij niets publiceerde blijken achteraf een stilte voor de storm. In de laatste twee jaar voordat hij waanzinnig wordt, publiceert hij behalve de nieuwe edities van en toevoegingen aan zijn eerdere werken vier nieuwe boeken (Jenseits von Gut und Böse 1886, Zur Genealogie der Moral 1887, Der Fall Wagner en Götzendämmerung 1888) en maakt hij er nog vier andere voor publicatie gereed (Der Antichrist 1895, Ecce Homo 1908, Nietzsche contra Wagner 1889 en de Dionysos Dithyramben 1889). En behalve al deze boeken hebben we uit deze laatste jaren bovendien een kleine 2000 pagina¹s met nagelaten aantekeningen. Tweemaal gestorven en begraven Op 3 januari 1889 wordt Nietzsche in Turijn door omstanders naar zijn pension gebracht, nadat hij huilend een paard om de hals gevallen was, dat afgeranseld werd. Vanaf dat moment heeft hij nauwelijks nog een helder moment beleefd en was hij geestelijk dood. Zijn vriend en collega aan de Baselse universiteit, Franz Overbeck, heeft hem opgehaald en hem naar een kliniek in Basel gebracht. Vandaar werd hij overgebracht naar Jena, en na ruim een jaar naar Naumburg waar hij werd verzorgd door zijn moeder. Na haar dood nam zijn zus Elisabeth die taak over en werd hij door haar naar Weimar verhuisd. Daar stierf Nietzsche op 25 augustus van het jaar 1900. Hij werd begraven in Röcken. Elisabeth (weduwe geworden toen haar fel antisemitische man Bernhard Förster zelfmoord had gepleegd nadat hij zijn poging om een zuiver arisch Nueva Germania op te bouwen in Paraquay jammerlijk had zien mislukken) was inmiddels begonnen om de nalatenschap van haar broer te beheren. Gedreven door politiek verdachte sympathieën en door megalomane fantasieën, stichtte zij een Nietzsche-archief, stelde haar broer er nu en dan ten toon aan betalende toeschouwers en stelde uit diens nalatenschap zijn zogenaamde hoofdwerk samen. Niet gehinderd door kennis van zaken of een streng geweten compileerde zij het boek Der Wille zur Macht (1901, tweede uitgebreide editie 1906), dat ondanks alle willekeur en verminkingen, een enorme invloed heeft uitgeoefend op de Nietzsche-interpretatie. Het duurde tot 1960, voordat er eindelijk een kritische editie van het werk van Nietzsche begon te verschijnen, en Nietzsches denken weer opgegraven kon gaan worden van onder een dikke laag van decennia van vertekenende interpretaties.3
Friedrich Nietzsche Linkshttp://www.nietzsche.nl |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|