Liberales had op 17 januari 2007 de Leuvense economie professor Paul De Grauwe uitgenodigd voor een gespreksavond naar aanleiding van zijn nieuw boek Waar gaat het naartoe met onze economie?. Paul De Grauwe legt op een eenvoudige manier uit wat de invloed is van de globalisering op onze economie en, breder, op de maatschappij. Het boek zal zeker bijdragen tot het wegwerken van het gebrek aan basiskennis over de economie in het algemeen en over de globalisering in het bijzonder. Liberales beveelt het boek dan ook aan. Andreas Tirez maakte een verslag van de gespreksavond. De professor begon de avond met een korte bespreking van twee hoofdstukken uit het boek. De uiteenzetting handelde over de toekomst van de industrie in België. De tewerkstelling in de Belgische industrie gaat sinds de jaren '70 gestaag achteruit, maar de industriële productie zélf is constant gebleven en sinds begin jaren '90 zelfs licht toegenomen. Dit is te vergelijken met wat er met de landbouwindustrie gebeurd is. Ook hier is de tewerkstelling dramatisch afgenomen, terwijl de productie toegenomen is. De productiviteitsstijging in de landbouw heeft dit scenario mogelijk gemaakt en dat is net hetzelfde voor de industrie. De productiviteitstijging in de industrie bedroeg in de jaren '90 gemiddeld 2,6% per jaar. Deze productiviteitsstijging zorgt ervoor dat je evenveel kan produceren met minder arbeidsinput en dus daalt de tewerkstelling. Dit is een trend die zich nog zal verder zetten. Maar geen nood, het tewerkstellingsverlies in de industrie zal volgens Paul De Grauwe opgevangen worden door meer jobs in de dienstensector. En dat is eigenlijk al gebeurd in het verleden: in de laatste 30 jaar is het verlies van industriële jobs (-600.000) volledig gecompenseerd door nieuwe jobs in de dienstensector (+600.000, exclusief de overheid). Ook delen van de dienstensector zullen onder druk komen te staan: de klassieke visie dat enkel de verhandelbare goederensector onderhevig is aan internationale concurrentie is niet meer up to date. De nieuwe informatietechnologie heeft het immers mogelijk gemaakt om nieuwe banden te leggen tussen landen waar dat vroeger niet mogelijk was. Dat betekent echter niet dat de volledige dienstensector onderhevig is aan internationale concurrentie. De wereld is niet volledig plat, zoals Thomas Friedman het stelt in zijn boek . 67% van de dienstensector is volgens een Amerikaanse studie niet-verhandelbaar. Het gaat dan vooral over sectoren waar het persoonlijk contact van doorslaggevend belang is. Ook de overheidssector blijft buiten schot. Toch is één derde van de dienstensector wél onderhevig aan internationale concurrentie. Rekening houdend met het feit dat de dienstensector voor 75% van alle jobs zorgt, gaat het om een kwart van alle jobs. Dat is niet min. Paradoxaal genoeg zijn vele echt laaggeschoolde jobs beter beschermd dan de zogenaamde midden jobs. De poetsvrouw, de kapper, de nachtwaker, de kelner of vuilnisophaler concurreren niet met arbeiders in lageloonlanden. Paul De Grauwe besluit met een aantal beleidsimplicaties. De overheid kan de tewerkstellingscreatie niet sturen, maar kan wel een omgeving creëren waarin dit gemakkelijk kan. Dit moet gebeuren door de kwaliteit van menselijk kapitaal te verbeteren en door creativiteit te stimuleren. Als we daarin slagen ziet de toekomst er volgens de professor rooskleurig uit. Immers, globalisering creëert dan minstens evenveel jobs als ze er vernietigt. Na de uiteenzetting was er ruimte voor vragen uit het publiek. Een greep uit de vele vragen. In een interview zegt u dat de economie ten dienste moet staan van het geluk van de mens en dat de overheid daar dan ook rekening mee moet houden. Maar is het wel aan de overheid om te zeggen hoe mensen gelukkig moeten worden? Paul De Grauwe: Het is niet mijn bedoeling om te pleiten voor een overheid die zegt wat mensen moeten doen om gelukkig te worden. We zouden dan immers snel verglijden naar een totalitaire maatschappij. Waar het mij om gaat is het groeifetisjisme waar veel Europese beleidsmakers aan lijden. Daarbij worden de VS als grote voorbeeld aangehaald en wil men dezelfde groei halen. Ten eerste gaat men voorbij aan het feit dat de economische groei in de VS vooral gedragen wordt door het feit dat werknemers er meer uren werken per week en door hun demografische toename: er wordt dus gewoon meer gewerkt, waardoor het BNP uiteraard groeit. Ten tweede is er geen correlatie tussen inkomen en geluk, vanaf dat men een bepaald inkomen bereikt heeft. En dat minimuminkomen ligt vrij laag: Colombia heeft een inkomen per persoon dat vijf keer lager ligt dan België, maar hun geluk is van hetzelfde niveau als in België. De overheid moet dus een kader creëren waarin het mogelijk is om gelukkig te worden en dat is iets anders dan zeggen wat de mensen moeten doen om gelukkig te worden. U bent tegen de subsidiëring van jobs in de industriesector, zoals nu zal gebeuren bij Volkswagen. Maar is dat geen goede manier om de tewerkstellingsafbraak in de industrie meer geleidelijk te laten verlopen zodat men meer tijd heeft om zich aan te passen? Paul De Grauwe: Het is inderdaad zo dat de tewerkstellingsafbraak in de industrie in schokken verloopt. Op een bepaald moment stelt men vast dat er een overschot is aan arbeidskrachten en dan moet het bedrijf herstructureren. Het zou dus beter zijn als dit proces wat geleidelijker kan verlopen. Alleen, dat kost geld en de basisreflex van een econoom is om zich af te vragen of dat geld niet beter kan gebruikt worden, om bijvoorbeeld meer omscholing te voorzien. In uw boek schrijft u dat de lonen nog 10 tot 20 jaar onder druk zullen blijven staan. Kapitaal, daarentegen, zal beter vergoed worden. Twintig jaar is lang en zal dit niet leiden tot een duale maatschappij? Paul De Grauwe: Het feit dat de laatste 20 jaar het aantal loonarbeiders ongeveer verdubbeld is betekent dat de verhouding kapitaal/arbeid dramatisch veranderd is. Kapitaal wordt namelijk niet zo snel opgebouwd en dat proces zal inderdaad nog 10 tot 20 jaar blijven duren. Doordat kapitaal relatief schaars is, zal dat dan ook beter vergoed worden. En twintig jaar is eigenlijk helemaal niet lang. Ten tijde van de crisis in de jaren '70 zagen wij de toekomst ook allemaal zeer somber in, maar die tijden liggen nu lang achter ons. Maar het klopt dat we naar een meer ongelijke maatschappij gaan en dat kan een gevolg hebben voor de politieke stabiliteit zoals we die tot nu gekend hebben. In uw boek pleit u voor een ander beleid ten aanzien van de universiteiten. Wat is er dan zo slecht aan het huidige beleid? Paul De Grauwe: Men wil in Europa topuniversiteiten die ook toegankelijk moeten zijn voor alle studenten. Die twee gaan niet samen. Waarom is het Amerikaanse Harvard een topuniversiteit? Ten dele is dat te verklaren door de academisch personeel, maar meer nog is dat door het hoge niveau van de studenten. Harvard laat enkel de allerbeste toe en is dus een universiteit voor de elite. Aan de andere kant heb je Amerikaanse universiteiten waarvan de kwaliteit laag is. In bijvoorbeeld Vlaanderen is dat volledig anders: de kwaliteit van de verschillende universiteiten ligt erg dicht bij elkaar en zal ongeveer hetzelfde zijn dan de gemiddelde kwaliteit van de Amerikaanse universiteit. Onze universiteiten zijn dus veel beter dan de slechte Amerikaanse, maar veel minder goed dan de beste Amerikaanse. Men ziet ook dat de topuniversiteiten privé-instanties zijn. Het klopt dat de sociale mobiliteit in Amerika lager ligt dan gedacht wordt van ‘the land of the opportunities’. Een recente studie wijst uit dat de sociale mobiliteit in Zweden hoger ligt dan in Amerika. Maar de vraag is of dat veroorzaakt wordt door het Amerikaanse universitaire systeem. De ongelijkheid wordt waarschijnlijk al veel vroeger ingesteld: de lagere en middelbare school wordt gefinancierd door de lokale wijk waarin de school ligt. In een achtergestelde wijk krijg je hierdoor scholen die ondergefinancierd zijn met als gevolg slecht betaalde en gedemotiveerde leerkrachten die geconfronteerd worden met een sociaal achtergesteld leerlingenpubliek. Over de milieuproblematiek bent u pessimistischer: de vrije markt biedt hier geen antwoord. Moet men niet tot een betere internationale samenwerking komen? En is de EU geen model voor deze samenwerking? Paul De Grauwe: Het is zo dat de markt de milieuproblemen niet oplost. De markt zorgt niet voor een adequate prijs die alle kosten die gemaakt worden, zoals vervuiling, meerekent. Daarvoor is dus een sterke overheid nodig die een kader creëert waarin dat wel gebeurt. Dat is ook wat de voorbije decennia in Europa gebeurd is: milieuproblemen die zich binnen de nationale grenzen voordeden zijn aangepakt en verbeterd. Ook de EU pakt dit aan. Het systeem van verhandelbare emissierechten is daar een goed voorbeeld van. Maar milieuproblemen van internationale aard, zoals vervuiling ten gevolge van vliegtuigen, zijn veel moeilijker aan te pakken. Een sterkere internationale samenwerking is daarvoor nodig. Het is duidelijk dat veel liberale denkers een evolutie meegemaakt hebben: waar vroeger liberalen pleitten voor een minimal state, erkennen de meeste liberalen nu dat de overheid zich niet zoveel mogelijk moet terugtrekken uit de samenleving, maar integendeel sterk aanwezig moet zijn om de markt te regelen, aangezien de markt niet altijd perfect werkt. Waar de liberalen het echter wél bij het rechte eind hadden was hun pleidooi dat de overheid geen producent moet zijn. De private sector moet de producent zijn en de overheid de controleur.
Paul De Grauwe Linksmailto:egbert@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|