In Lochristi bij Gent is afgelopen zaterdag afscheid genomen van minister van staat en burggraaf Willy De Clercq, die eind oktober overleed op 84-jarige leeftijd. Guy Verhofstadt beschouwt De Clercq als zijn politieke vader. Dit is de tekst die oud-premier Verhofstadt op de uitvaartplechtigheid uitsprak. Dames en Heren, Beste Marian, Yannick en Alexis, Beste kleinkinderen, Beste Matthias, En vooral beste, lieve Fernande, Enkele jaren geleden stierf mijn vader en stond ik hier op deze zelfde plaats om afscheid van hem te nemen. Dat was zonder enige twijfel een van de meest droevige dagen in mijn leven. Vandaag sta ik hier opnieuw, ditmaal om afscheid te nemen van een andere vader. Yannick, Marian en Alexis zullen me wel veroorloven dat ik dat beeld gebruik. Uiteraard wist ik, zoals velen onder jullie, dat het de voorbije maanden en jaren absoluut niet goed ging met Willy. Sinds hij op een avond een zware val maakte, gleed zijn geest als het ware in een dikke mist. Toen ik hem in Solidariteit bezocht samen met Matthias en mijn broer, zag ik van nabij hoe moeilijk hij het had om mij nog te herkennen. Gelukkig deed hij dat nog. En zeker toen Matthias zich tot hem richtte, zag ik aan de gloed in zijn ogen dat hij wist dat zijn kleinzoon voor hem stond. We beseften toen heel goed dat het in de komende maanden alleen maar bergaf zou gaan. Dat het onvermijdelijke dichterbij kwam. Maar toch was het een echte mokerslag toen het nieuws van zijn overlijden mij bereikte. Toen ik het bericht van Yannick ontving, "mijn papa is overleden" was het alsof een deel van mijn lichaam afhaakte, het gevoel voortaan iets essentieels te ontberen, een gevoel dat vandaag nog steeds overheerst. 12 of 13 jaar moet ik geweest zijn, toen Willy De Clercq mijn groot idool werd. Ik las toen mijn eerste krant, keek naar elke nieuwsuitzending op de BRT, dweepte met John Fitzgerarld en Bobby Kennedy, met Martin Luther King ook. En hier in eigen land, in Gent, was er slechts één man, één politicus die mijn ideaal belichaamde: Willy De Clercq. Nooit vergeet ik zijn eerste groet, breed wuivend langs de kant van de weg naar onze met stickers en posters versierde Opel. In een van die onmetelijke autokaravanen die op het einde van de jaren zestig bij verkiezingen zo in zwang waren. Kilometerslange, zigzaggende omzwervingen makend kriskras door de noordelijke polders van ons arrondissement. Nooit vergeet ik ook zijn eerste handdruk, stevig, gemeend, me recht in de ogen starend toen ik voor de allereerste maal in dat grote huis met de brede horizontale ramen aan de Congreslaan werd binnen gelaten. Breed lachte hij me toe, mij monsterend met fijne toegeknepen ogen, wegend welk vlees hij juist in de kuip had. Nooit ook vergeet ik de eerste handtekening die ik van hem ontving. Dat was in de jeugdclub aan de President Rooseveltlaan. Er bestaat een foto van die zelfs de krant haalde. Nooit vergeet ik ook ons eerste gesprek, mijn allereerste discussie met hem tijdens een diner bij ons thuis aan een feestelijke tafel. Hij luisterde geamuseerd naar al dat jong geweld, van mijn broer en van mezelf. Wij die amper 15, 16 jaar waren en die hem probeerden diets temaken wat het ware liberalisme was. Nooit vergeet ik de eerste grote toespraak van hem die ik in levende lijve meemaakte. Dat was op het congres van de twintigduizend in de Heizel. Ik was er in de bus samen met mijn vader en de vlag van de afdeling, naartoe gegaan. Willy sprak als voorlaatste, net voor Omer Vanaudenhove. Van allen die op deze dag het podium beklommen,was hij de beste, de meest gedrevene, de meest begeesterende. Ik aanhoorde hem met opengesperde mond en ingehouden adem. Nooit vergeet ik ook mijn eerste werkstek toen ik zijn secretaris werd: een smal kantoortje in de Rogiertoren, pal naast zijn bureau, recht tegenover dat van onze betreurde Mevrouw De Strijcker, toen nog zijn en later mijn toegewijde secretaresse. Eigenlijk was het Fernande die daarvoor verantwoordelijk was. Willy werd opnieuw partijvoorzitter en had een politiek secretaris nodig. En toen Willy opperde dat ik misschien toch nog wat te groen achter mijn oren was om hem naar Brussel te vergezellen, decreteerde Fernande (zijn vrouw, red) dat ze me op ‘t kantoor in Gent toch niets meer kon bijbrengen. Wat niet waar was. Maar ik ben er haar tot op de dag van vandaag nog altijd dankbaar voor. Ze gaf mijn leven een beslissende wending. Ik mocht Willy, mijn idool, naar de hoofdstad volgen en er bestond geen twijfel over: ik zou in de politiek belanden, mijn jongensdroom. Nooit of te nimmer vergeet ik ook mijn eerste campagne aan zijn zijde, als zijn eerste suppleant. Uren-, dagen-, wekenlang de straat afschuimen. Aan huizen bellen. Een praatje maken. Net voor de deur dicht ging nog snel een postkaart met zijn foto aanreiken. En als het haast pikdonker werd, zei Willy altijd, "Guy kom op, we doen er nog een allerloatste stroate bij". Werkelijk onvermoeibaar was hij. Nooit ook vergeet ik zijn eerste grote tegenslag, iets waar geen enkele politicus aan ontsnapt. De klap bij de verkiezingen van 1977. Het was in de Brittania op het St.Baafsplein. Hij leed bij het zien van de resultaten. Hij ervoer ze als onrechtvaardig. En het deed des te meer pijn omdat hij het niet had zien aankomen. Maar lang duurde zijn ontgoocheling niet. Nauwelijks enkele dagen later ontwaakte in hem een schier oneindige kracht. Een eindeloze energie die hij overplantte op al wie van dicht of van ver met hem optrok of met hem in contact kwam. We zouden eens tonen wie het bij het rechte eind had. We zouden de kiezers laten inzien dat ze fout geoordeeld hadden. We zouden bewijzen dat onze remedies de enige juiste waren, wat het land dringend nodig had en zo hard ontbeerde. En om dat te bereiken hield hij ons voor – ik zie mij nog staan voor zijn groot bureau op de eerste verdieping van de Cyriel Buyssestraat -, “om dat te bereiken moeten niet alleen de generaal, maar moeten ook de troepen en vooral de officieren en onderofficieren, jullie dus, er in geloven”. Niet versagen. Niet opgeven. Er blijven in geloven. Dat was het motto. Dat was Willy De Clercq ten voeten uit. Als ik nu, 34 jaar later, terugkijk, dan weet ik dat er toen in hem een hels, opstandig vuur ontbrandde, een vuur geboren uit het onbegrip dat de kiezers hem hadden betoond. Het temperde pas – zonder echt ooit helemaal te verdwijnen - bij de historische kiesoverwinningen van 1978 en vooral van 1981. Electorale hoogdagen die de partij op een peil brachten, nooit gekend daar voren. Electoraal succes - en Willy was daar geen uitzondering op, niemand onder ons trouwens – is in de politiek de enige balsem die heelt en werkt. Beste familieleden en vrienden, Er zijn de voorbije dagen al heel veel eigenschappen van Willy geroemd en geprezen. Maar er is er één in het bijzonder die ik hier vandaag voor mijn en jullie geest wil halen: zijn uitzonderlijk retorisch talent. Ik doe het als een ultiem eerbetoon aan hem. Omdat het zo kenschetsend was voor hem, het geheim dat hij bezat, de gave die hem toeliet de andere kwaliteiten die hij als politicus in zich had, ten volle te benutten en te ontplooien. Ik doe het ook omdat we blijkbaar in een tijd leven, waarin zo'n talent nog weinig betekenis heeft. Nu geldt slechts de goed gemikte televisiequote – liefst niet langer dan dertien woorden - één langgerekt gestamel eigenlijk. In elk geval, gestamel was Willy De Clercq volkomen vreemd. Hij zorgde er in radio- en televisieinterviews altijd voor dat ze na dat fatale dertiende woord nooit konden knippen. Willy praatte gewoon door. Maar ik heb het natuurlijk daar niet over, wanneer ik Willy’s uitzonderlijk retorisch talent in herinnering breng. Wel over zijn stem, zijn aangename stem, een stem die als geen ander wist te overtuigen en te bekoren. Of het nu ging om een toespraak voor een volle parochiezaal of op een partijcongres of gewoon om een korte tussenkomst voor een kleine kring van partijgenoten, altijd straalde die stem iets vertrouwds, iets gemoedelijks, iets bijzonder sympathiek uit. Nooit was het een kletterende waterval. Nooit waren het pretentieuze of hoogdravende woorden. Hij begon altijd rustig en laag van toonaard. Zette alle overwegingen geduldig op een rijtje. Om dan zoals elke grote redenaar, een trapje hoger op de toonladder te gaan staan en retorische vragen op het publiek af te vuren, vragen die je van de juistheid van zijn argumenten overtuigden. Altijd, bijna altijd verluchtte hij zijn uiteenzetting met een grapje of een kwinkslag, niet zo maar, niet toevallig, maar juist heel opzettelijk omdat het onderhuids verband hield met de stelling die hij aan het ontwikkelen was. Waarna meestal een kort aanstekelijk lachje volgde, dat onmiddellijk weer overging in die rustige, vertrouwde manier van praten die hem zo eigen was. En het slot, ja het slot van zijn betoog, was altijd, altijd “vivace”. Zo begeesterend en enthousiast dat het kon gebeuren dat zijn stem twee- tot driemaal oversloeg. Wie van ons herinnert zich niet zijn toespraken. Met zijn koninklijk hoofd. Zijn grijze, golvende, krullende manen. Zijn samengeknepen ogen die, wanneer hij het woord nam, fonkelden van kracht, straalden van begeestering en gedrevenheid, gloeiden van een schier onvermoeibare energie en ambitie. De laatste maal vrienden, dat we dat mochten meemaken, was op dat bijzondere congres begin 2004. Niemand onder ons zal het ooit vergeten. De speech die hij toen hield en waarin hij zich met volle overgave gaf, was één van de beste die hij ooit heeft gegeven. Op televisie was toen te zien hoe ik hem met tranen in de ogen heb omarmd. Telkens gaf de pers daar het commentaar bij dat ik toen huilde omdat hij mijn regering gered had. De ware reden is evenwel anders. Pas toen ik Willy na zijn magistrale tussenkomst terug zijn zetel zag opzoeken en dat te midden van het aanhoudend handgeklap, daagde het me voor de geest welke uitzonderlijke en bijzondere man hij was. En dan heb ik het niet over zijn politieke kwaliteiten, maar over zijn pure menselijke eigenschappen. Jij Fernande, zijn vrouw, was er erg aan toe. En Willy was daar immens verdrietig over. En toch. En toch desondanks dat alles had hij nog de moed en vond hij de nog de kracht om mij en zijn partij ter hulp te schieten. En ik, ik dwazerik die al bijna dertig jaar met hem optrok, hem dertig jaar geleden vergezeld had naar de hoofdstad, besefte pas op dat ogenblik, toen ik op mijn beurt het spreekgestoelte beklom en het woord nam, tot welke opoffering, tot welke overgave die man in staat was. Ik stokte gewoon. Kortom. Wat Willy me toen die dag en eigenlijk alle dagen van de voorbije vijfendertig jaar bijbracht, was niet zozeer de passie voor de politiek. Die kruipt waar zij niet gaan kan. Maar wel dat in de politiek, passie alles betekent. Werkelijk alles. Een politicus zonder passie is als een paard zonder hoeven of een hond zonder poten, als een nachtegaal die geen klanken kan uitstoten of een eend waarvan de lokroep voortdurend in de keel blijft steken. Niets dus. Tot slot. Laten we niet alleen treuren bij Willy's afscheid. Laten we vooral dankbaar zijn. Dankbaar wat hij voor ons allemaal heeft betekend. Dankbaar voor wat hij ieder van ons, mij in het bijzonder heeft geleerd. Laten we allen dankbaar zijn voor wat hij voor Gent, voor Vlaanderen, voor zijn land, voor België en niet te vergeten voor Europa heeft betekend. Maar laten wij liberalen, vooral dankbaar zijn. Hij lag in 1961 mede aan de basis van de ontmanteling van de oude liberale partij en de stichting van de nieuwe PVV/PLP. In 1972 vormde hij de nog unitaire partij om naar de autonome Vlaamse PVV. Hij was één van de wijzen die de overgang van de PVV naar de Vlaamse Liberalen en Democraten in goede banen leidde waardoor we uitgroeiden tot de grootste politieke partij. Maar vooral, en dat is zijn grootse verdienste, maakte hij het liberalisme populair in onze contreien, gedragen door brede lagen van de bevolking, waar het tot dan toe een elitaire bedoening was geweest. Het is veel voor één man. Het is heel veel in een mensenleven. Tot ziens Willy De Clercq. Tot ziens grand seigneur. Tot ziens patron.
Linksmailto:guy.verhofstadt@openvld.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|