Over de Amerikaanse film The Lost City werd in de kritieken wat oppervlakkig geschreven. Misschien geen cinematografisch meesterwerk, wel een boeiend geheel dat stof geeft tot nadenken over het lot van Cuba in de periode 1957-1961. Voor degene die de historische, politieke achtergronden in gedachten houdt. Want die periode is nu eenmaal minder eenduidig dan het lijkt anno 2006, waar het failliet van het experiment perfect wordt gesymboliseerd door de doodzieke Fidel Castro. Alle ogen zijn gevestigd op Andy García die niet alleen de hoofdrol speelt, de film heeft geregisseerd en geproduceerd, maar ook van muziek voorzien. Bovendien is hij een Cubaanse balling: zijn ouders vluchtten naar Miami toen hij vijf jaar was, waar ze rijk werden in de parfumindustrie. Maar vlak ook de scenarist niet uit, de vorig jaar overleden auteur Guillermo Cabrera Infante. Nog meer Cubaan dan García, want hij verliet zijn geboorte-eiland pas op zijn zesendertigste. De volgende veertig jaar van zijn leven kon hij het niet bezoeken. Een balling in Londen werd hij, die verlangde naar zijn geliefde Havana. The Lost City. Het Havana van voor de revolutie. Met nachtclubs waar de opwindendste muziek werd gespeeld. Met de alomtegenwoordige Amerikaanse toeristen. Met de amateuristische revolutionairen. Met de wrede geheime politie van dictator Batista (overigens een ‘goede correspondentievriend’ van de toenmalige Nederlandse koningin, zoals vorig jaar bleek uit Edwin Koopmans De ritselaars van Havana). Is García erin geslaagd die Verloren Stad tot leven te brengen? Aanvankelijk denk je van niet. De leden van ene familie Fellove vieren een verjaardag in de erg op de Tropicana lijkende nachtclub van de oudste zoon Fico. Behalve zijn twee broers en een zure echtgenote zijn ook de ouders van de partij. De vader is een hoogleraar aan de universiteit van Havana, een oude democraat met invloed in regeringskringen. En een Vrome Katholieke Moeder naast zich. Als hekkensluiter fungeert een oom, eigenaar van een tabaksplantage. Kortom, het welvarende Cuba. Broer Ricardo sympathiseert met de rebellen van Fidel Castro en maakt daarom ruzie met zijn vader. Fico verwijt vervolgens Ricardo gebrek aan, jawel, ‘respect’ en gaat zijn broer te lijf. Wel erg familiglia Italiana in plaats van familia Cubana. Heeft García teveel Amerikaanse mafiafilms gezien? Gelukkig blijft het hierbij, want de politiek grijpt in. Fico probeert de Batista-politie diplomatiek van zijn lijf te houden. Zijn broer Luis vertrouwt Castro niet erg en behoort in het geheim tot de beweging Directorio Revolucionario en is betrokken bij de aanslag die zij op 13 maart 1957 op het paleis van Batista pleegt. Vergeefs. Luis wordt gedood door de gevreesde kapitein Castel die later ook zijn revolutionaire broer Ricardo martelt. Maar Fico weet via een bevriende militair Ricardo wel te redden. Tegen Fico’s zin sluit Ricardo zich aan bij de rebellen in de Sierra Maestra. Grappig overigens hoe Che Guevara bij de ontmoeting zegt: ‘Kom van je paard af, we hebben honger.’ Voor het overige blijken de rebellen nietsontziende moordenaars, ook als ze begin 1959 aan de macht komen. De Batista-officier die Ricardo Fellove vrijliet wordt nota bene in diens bijzijn gedood als ‘contra-revolutionaire verrader’. Dezelfde Ricardo moet naar zijn peetoom in de tabaksplantage. De flamboyante oude baas is blij om zijn petekind weer eens te zien, ook al draagt Ricardo baard en uniform van de revolutionaire regering. Hij heet hem warm welkom in zijn theepaviljoen met zijn lievelingsmuziek. Wanneer Ricardo meedeelt dat hij zijn plantage komt naasten, krijgt de oude een woedeaanval die zijn zwakke hart niet kan verdragen. Later schiet Ricardo zich uit wroeging door het hoofd, in hetzelfde paviljoen. Fico krijgt intussen problemen met de revolutionaire comités. Hij mag bijvoorbeeld geen saxofoon meer gebruiken in zijn nachtcluborkest, want dat is een imperialistisch instrument. Intussen groeit er langzaam maar zeker een verhouding tussen vrijgezel Fico en Aurora, de weduwe van zijn broer Luis. Sommige kritieken deden daar wat smalend over, ook omdat de (steeds minder zure) weduwe wordt gespeeld door het smakelijke fotomodel Inés Sastre. Dat smalen is onzin. Ten eerste omdat deze vrouw en de kleding precies weergeven hoe de welvarende Cubaanse elite er destijds uitzag. Ten tweede omdat het personage Aurora de dubbelzinnigheid van de Revolutie laat zien en daardoor het plot van de film bepaalt. Want het Castro-regime heeft heel goed in de gaten hoeveel propagandistische waarde deze mooie, beschaafde jonge vrouw vertegenwoordigt. Omdat haar man in de strijd tegen Batista is gesneuveld, bombarderen zij Aurora tot Weduwe van de Revolutie. Voor het eerst van haar leven heeft zij een identiteit. In dat scenario voelt Fico zich niet thuis. Zijn nachtclub is toch gesloten, dus vertrekt hij naar New York. Als Fidel Castro wat later met zijn entourage naar een VN-vergadering gaat, probeert Aurora haar minnaar in New York voor het laatst over te halen om terug te gaan naar het revolutionaire eiland. Zonder succes natuurlijk. Hij wil weer een nachtclub als de Tropicana en dat lukt. Aan het slot van The Lost City opent hij een kopie daarvan in New York. Maar het origineel blijft knagen. Hoho, zegt degene die The Lost City heeft gezien, u vergeet een belangrijk personage: ‘de schrijver’. Gespeeld door niemand minder dan Bill Murray (in korte broek). Die vergat ik niet, integendeel. Deze schrijver is een afsplitsing van Guillermo Cabrera Infante zelf. Via dit Griekse koor kon hij al zijn woordspelingen en woordgrappen kwijt. Zijn vaste grap over ‘Karl of Groucho Marx?’ bijvoorbeeld. In zijn werk grossiert hij in woordspelingen en woordgrappen, neem alleen al de roman Drie trieste tijgers (1967) die speelt in de stad Havana in de zomer van 1958. In een necrologie voor ‘El Maestro’ vertelde García dat dit zijn lievelingsboek was. The Lost City is een origineel scenario dat Cabrera voor hem schreef en waarover ze vervolgens beiden 15 jaar hebben gedroomd. Die samenwerking met Cabrera was een van de hoogtepunten van García’s leven. De bewondering was wederzijds. Al vóór 1997, want toen verscheen Cabrera’s filmessaybundel Cine o sardina, noemt hij García ‘de enige hispanische steracteur’: ‘Hij is als César Romero, groot, met een getinte huid en een goede kerel. Hij is als Anthony Quinn, een overweldigende acteur en een professional die zich met huid en haar aan zijn filmrollen wijdt (zoals het schilderwerk voor Quinn is de populaire Cubaanse muziek zijn hobby en obsessie). Hij is, als Montalbán, losjes en leuk wanneer hij wil, en dramatisch, zelfs tragisch als hij kan. Hij behoort tegenwoordig volgens de media van de Verenigde Staten, Zuid-Amerika en Europa tot de meest gevraagde acteurs. Maar zijn grootste wens is het, zoals hij zegt, een acteur in een vrij Cuba te zijn.’ Het begin van The Lost City doet denken aan het begin van Drie trieste tijgers, met een Mc die het publiek toespreekt. In de roman wordt ook de ‘muziek van Fellove’ geprezen, maar dat gaat om de song ‘Mango Mangui’ van de zwarte zanger Francisco ‘Fellove’ Valdés, die daarmee triomfen vierde in 1957 en 1958. Ik was benieuwd hoe de vlucht van Batista in de oudejaarsnacht van 1958-1959 in een militaire DC 4 in The Lost City zou worden verbeeld en vooral de reactie van de bevolking. Cabrera had zich nogal opgewonden over de feestvierende menigte die in de vroege ochtend van 1 januari 1959 op de straten te zien was in films als The Godfather II (1974) en Havana (1990). Havana was toen juist leeg, had hij zelf gezien. Een van zijn 117 historische vignetten die samen Vista del amanecer en el tropico (1974) vormen, beschrijft een stel dat in die vroege ochtend in bed ligt en plotseling een groot lawaai hoort. ‘Dat is de regering die valt’, grapt de man. En inderdaad, het feesten in The Lost City valt mee. Vista del amanecer en el tropico heeft Cabrera opgedragen aan ‘Comandante Alberto Mora, die zichzelf doodschoot in september 1972.’ Hij laat hem ook als bijfiguur in de film optreden, als lid van de Directorio Revolucionario die de vergeefse coup pleegde. In Mea Cuba (1994) vertelt Cabrera dat hij wapens en andere handige dingen voor de DR regelde. Castro en Guevara hadden volgens hem waarschijnlijk in de Sierra Maestra minder steun uit Cuba zelf dan de Havaanse stadsguerrillero ’s van de DR, maar wel een veel betere internationale PR. Bovendien hadden zij Radio Rebelde met de begaafde redenaar Fidel Castro. Op zijn beurt bagatelliseert Cabrera weer de guerrillero’s uit de provincie. Eloy Menoyo bijvoorbeeld, die vanuit de bergen van Escambray, in het hart van het eiland, zoveel succes had, dat Castro opdracht gaf aan Che Guevara en Camilio Cienfuegos beide legers aaneen te sluiten. Comandante Eloy was een van de eersten die Havana binnentrokken. Cabrera is er Alberto Mora nog altijd dankbaar dat die ervoor gezorgd heeft dat hij in 1965 uit Cuba kon vluchten. Nadat Mora teleurgesteld werd in de revolutie, viel hij in ongenade en moest hij ‘vrijwillig’ op een collectieve boerderij gaan werken. Al die zelfmoorden van teleurgestelde revolutionairen die Cabrera in Mea Cuba optekent, het zijn er wel veel. Vandaar dat hij het personage Ricardo in The Lost City op de zo typerende manier met een pistool een eind aan zijn leven laat maken. Met kapitein Castel die Luis Fellove doodde en zijn broer Ricardo martelde, verwijst Cabrera eveneens naar een historische figuur: kapitein Esteban Ventura. Graham Greene gebruikte hem als kapitein Segura voor de roman Our Man in Havana. An Entertainment (1958). In zijn memoires vertelt Greene dat kapitein Ventura aanvankelijk niet mee mocht met Batista’s vlucht uit Cuba, maar met zijn pistool de ex-president dwong om plaats voor hem te maken. Jammer dat Cabrera deze gebeurtenis niet in The Lost City heeft verwerkt. Maar hij had een hekel aan Greene, die hij in 1959 op Cuba ontmoette bij de verfilming van Our Man in Havana. Cabrera was toen een belangrijke Cubaanse cultuurpaus: hoofd van de Nationale Cultuurraad, directeur van het Nationale Filminstituut en de baas van Lunes, de kunstbijlage van de toen nog officieuze regeringskrant Revolucion. Die functie had hij te danken aan het feit dat hij een invloedrijke filmcriticus en –organisator was geweest in het tijdschrift Carteles>. Hij kon zich zelfs een cabriolet veroorloven, net als zijn creaties Fico Fellove en Códac (uit de roman) in die tijd. Bovendien zat hij onder Batista korte tijd gevangen omdat hij in een kort verhaal ‘Engelse obsceniteiten’ had gebruikt. Voortaan moest hij het pseudoniem G. Cain gebruiken. Het pseudoniem verwijst niet alleen naar de eerste twee letters van Cabrera Infantes achternaam, maar ook naar de figuur Kaïn uit de joods-christelijke mythologie en Citizen Kane. Onder dit pseudoniem verscheen in Havana in 1963 Un Oficio del Siglo XX, een dikke pil waarin veel van zijn stukken tot 1961 zijn gebundeld. Als filmcriticus was hij inderdaad indrukwekkend, zij het heel sterk georiënteerd op Hollywood en de Europese klassieken. Dat geldt ook voor Arcadia todas las noches (1978) dat bestaat uit vijf lange essays naar aanleiding van het filmoeuvre van respectievelijk Orson Welles, John Huston, Howard Hawks, Alfred Hitchcock en Vincente Minelli. Regisseurs die al uitgebreid aan de orde kwamen in Un Oficio del Siglo XX, maar veel samenhangender en uitgebreider op hun oeuvre ingaan. Zo betrekt Cabrera bijvoorbeeld Johan Huizinga’s ideeën uit Homo Ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur (1938) bij een beschouwing over Hitchcocks The Trouble With Harry (1955). Ook in Arcadia noemt Cabrera geen enkele film die na 1961 is gemaakt. Gelukkig maakt hij dit goed in het al genoemde Cine o sardina>, waarin hij schrijft over de tijden van Quentin Tarentino. Naast heel veel over Hollywood en de Europese klassieken. The Lost City is niet Cabrera’s eerste scenario. In 1968 kwam Wonderwall in de bioscopen. Vooral trok de Britse film aandacht door de soundtrack. Die was van niemand minder dan George Harrison. De plaat Wonderwall Music was het eerste solowerk van een Beatle, de eerste op hun eigen label Apple en er gingen geruchten dat Eric Clapton en Ringo Starr erop speelden. De film is bijzonder, maar lijkt nu door de sfeer van de psychedelische sixties ook gedateerd. Een oudere, professor – jawel met baardje – lijkt elk vrij ogenblik door zijn wondermuur naar zijn buurmeisje en haar vriendje. De eerste gespeeld door een erg jonge Jane Birkin. Tussendoor leest hij in The Book of Victorian Dreams. Een ander scenario, dat voor de film Vanishing Point, schreef hij onder het pseudoniem Guillermo Cain. Een klassiek Amerikaans autoachtervolgingsverhaal dat zelfs twee keer is verfilmd (1971 en 1997). Maar geen woordspelingen en geen Caribische swing. Doodjammer daarom dat John Huston niet voor het script koos dat Cabrera voor Under the Vulcano had gemaakt. In het begin sprak ik van nadenken over het lot van Cuba in de periode 1957-1961. Zelf stelt Cabrera dat er in de eerste drie jaar van de revolutie een boeiend cultureel klimaat heerste. Ook in de Verenigde Staten was toen de populariteit van Castro groot: Sartres On Cuba was daar begin 1961 een bestseller. Maar tegelijkertijd heeft Cabrera revolutionaire kameraden van het eerste uur zien vertrekken. Hij heeft meegemaakt dat al in 1960 kranten als Diario de la Marina en El Chistol werden verboden. Dat vrijwel iedereen die iets met de Batista-dictatuur te maken had gehad en niet was gevlucht, werd ontslagen en/of gearresteerd en na een showproces veroordeeld tot een zware gevangenisstraf of de kogel. Hij moet uit de eerste hand geweten hebben hoe vooral Che Guevara en Raúl Castro die al dan niet vermeende tegenstanders van Batista lieten martelen en zelf graag het genadeschot gaven. Che noemt hij steevast ‘Chaos Guevara’. In september 1960 behoorde Cabrera – net als zijn filmpersonage Aurora – tot de Cubaanse entourage die Castro naar New York vergezelde. Waarmee hij – om terug te keren naar The Lost City> – meer leek op het personage Aurora, dan op de uiterst grappige ‘Writer’, die adequaat wordt neergezet. Hopelijk wekt García’s film weer wat aandacht voor het werk van Guillermo Cabrera Infante. Een partijdige balling en een groot schrijver.
Andy Garcia Linkshttp://www.thelostcitythemovie.com/ |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|