Het liberalisme kent in heel wat Europese landen succes, zoals in België, Nederland, Groot-Brittannië en Denemarken. Dat is niet het geval bij onze zuiderburen. In Frankrijk bestaat er geen liberale politieke partij en ook binnen de Europese Liberalen en Democraten - de derde grootste politieke formatie na de christen-democraten en de sociaal-democraten in de Europese Unie - zetelen er geen vertegenwoordigers uit Frankrijk. Dat lijkt bizar, zeker voor een land dat sinds de Franse Revolutie de noties van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid wereldwijd verspreidde en dat steevast verwijst naar de waarden van de ‘vrije republiek’. Een van de oorzaken is het geloof in de maakbaarheid van de samenleving onder gezaghebbende Franse intellectuelen die meer dan elders een grote invloed uitoefenden op de politiek. Denk aan Alexandre Kojève, Jean-Paul Sartre en Michel Foucault die elk op hun manier het marxisme omarmden en kritisch stonden tegenover de liberale democratieën in het westen. Een van de weinige Franse denkers die tegen de stroom inging was de journalist Raymond Aron. Hij kan worden beschouwd als een van de weinige liberale filosofen die invloed heeft gehad op de Franse samenleving. Over deze belangrijke politieke denker van de vorige eeuw verscheen het boek Raymond Aron. Het verantwoorde engagement, van Paul van Velthoven. Raymond Aron was het kind van geassimileerde joden die sterk geloofden in de waarden van de Franse republiek. Vanwaar die overtuiging? Paul van Velthoven: De Arons dankten hun sociale opstijging als joden aan de Franse republikeinse traditie. Door de Franse Revolutie hadden de joden gelijke rechten gekregen. In de Dreyfussaffaire die aan het einde van de negentiende eeuw ontstond werden deze zwaar op de proef gesteld. Centraal daarin stond de joodse legerofficier Alfred Dreyfus die ten onrechte beschuldigd was van spionage voor de Duitsers en veroordeeld werd tot levenslange opsluiting op het Duivelseiland. In 1906, twaalf jaar na het uitbreken van de affaire, werd Dreyfus tijdens een nieuw proces van alle blaam gezuiverd. In de jaren daarvoor had, naarmate de twijfel groeide over de rechtmatigheid van zijn veroordeling, de zaak nationale proporties aangenomen, waarbij vrijwel iedereen die een naam in Frankrijk had zich in de strijd wierp. Daarbij werd een diepe kloof zichtbaar tussen de Fransen die zich beriepen op de waarden die in zwang waren geraakt na de Franse revolutie, en het katholieke Frankrijk dat deze revolutie nooit had kunnen verkroppen. Het eerherstel voor Dreyfus symboliseerde het feit dat het republikeinse Frankrijk had gezegevierd. De hele zaak was door de jurist Gustave Aron, de vader van Raymond Aron, nauwlettend gevolgd. Hij legde een uitvoerige documentatie aan van de hele affaire, die Aron jr. van pas kwam toen een leraar op de middelbare school opnieuw de valse beschuldigingen aan het adres van Dreyfus herhaalde. Het staat vast dat de uitkomst van de ‘Affaire’ de gehechtheid van de Arons aan de Franse republikeinse traditie versterkte. Toen generaal De Gaulle na de Zesdaagse oorlog in 1967 daar met antisemitische opmerkingen over het verloop van die strijd inbreuk op maakte schoot Aron geweldig uit zijn slof. Tijdens zijn studiejaren was Aron lid van de socialistische partij en stond hij aan de kant van het pacifisme. Hoe komt het dat hij daar later afstand van nam? Paul van Velthoven: De pacifistische opstelling die Aron als student aan de Ecole Normale Supérieure koos was een logische reactie op de enorme slachtingen die de Eerste Wereldoorlog had veroorzaakt. In dat opzicht reageerde hij als de meeste van zijn medestudenten. De voorkeur voor het socialisme en zijn kortstondige lidmaatschap van de SFIO, de Franse socialistische partij, werd door hetzelfde studentenklimaat bepaald: het was toch normaal dat men solidair was met mensen die het minder hadden dan jijzelf, zei hij daarover achteraf. Lang duurde dat lidmaatschap overigens niet. Hij vond die partij al spoedig veel te wazig en zocht daarom naar een steviger fundament voor zijn politieke overtuigingen. Aron zwoer zowel zijn pacifisme als zijn socialisme af na zijn verblijf in Duitsland aan het begin van de jaren dertig waar hij de opkomst van Hitler meemaakte. Toen begreep hij hoe funest een pacifistische instelling was jegens een als maar agressiever wordend Duitsland. Politiek bleef hij zich verwant voelen met stromingen ter linkerzijde, maar dat verhinderde hem niet zware kritiek uit te oefenen op de theatrale van werkelijk inzicht gespeende wijze waarop links (en ook rechts) opereerde. De meeste Franse intellectuelen van zijn tijd, zoals Sartre en Merleau-Ponty stonden afkerig tegenover het fascisme maar niet tegenover het communisme. Wat was de positie van Aron tegenover hen? Paul van Velthoven: Aron maakte in zijn zoektocht naar een verantwoorde politieke opstelling als een der eersten van zijn generatie grondig studie van het marxisme. Hij was er in zekere mate door gefascineerd, maar bij al zijn kritiek die hij al spoedig uitte op de dubbelzinnigheden van Marx’ leer zag hij in het daaruit afgeleide communisme van de Sovjet-Unie al in zijn studietijd een pervertering van de marxistische leer. Merleau-Ponty en Sartre maakten nooit diepgaand studie van het oorspronkelijke marxisme, maar kwamen onder de ban van de vele interpretaties die na Marx’ dood in zwang kwamen en schiepen zich met behulp daarvan een marxisme dat een verbinding aanging met het door hen ontworpen existentialisme. Aron wees hen op de onmogelijkheid van het samengaan van twee filosofische tradities waarvan de laatst genoemde de vrijheid en de onbestemdheid van het menselijk lot beklemtoonde, terwijl het marxisme een deterministische opvatting van de geschiedenis proclameerde waaraan het individu zich niet kon onttrekken. Merleau-Ponty en Sartre werden na de oorlog anti-anticommunisten. Lid van de communistische partij waren ze niet en evenmin wilden zij zich voluit identificeren met de Sovjet-Unie, maar wilden ze de Sovjet-Unie het voordeel van de twijfel gunnen. Hoe vreemd het nu ook klinkt, maar met name Merleau-Ponty zag in de Sovjet-Unie de laatste mogelijkheid om de humaniteit in de geschiedenis te waarborgen. Hij achtte het kapitalistische stelsel onverbeterbaar, maar de Sovjet-Unie bood hoe moeizaam de weg daar naar toe ook verliep de kans op de realisering van de gelijkwaardigheid van de mensen. Sartre zag hoewel hij net als de meeste Franse intellectuelen geen kaas had gegeten van economie, in Marx’ leer de niet te overtreffen filosofie van zijn tijd. Merleau-Ponty erkende al halverwege de jaren vijftig dat hij ten onrechte het marxisme had vereenzelvigd met de enig aanvaardbare filosofie van de geschiedenis. Net als Aron begreep hij dat het communistische regime op zijn daden moest worden beoordeeld en niet op wat het pretendeerde te zijn. Sartre week echter nooit van zijn eenmaal ingenomen positie jegens de Sovjet-Unie af en nam ook nooit afstand van de totalitaire praktijken waaraan de Sovjet-Unie zich schuldig maakte. De meest wezenlijke fout die beide volgens Aron maakten was van filosofische aard: zij kenden het marxisme een betekenis toe die aan wetenschappelijke verificatie ontsnapte. In zijn Mémoires stelde Aron dat Marx ‘zijn aandeel heeft in de verantwoordelijkheid voor de verschrikkingen van de twintigste eeuw’ heeft gehad. Kan je dit toelichten? Paul van Velthoven: Marx speelde verschillende rollen. Hij was filosoof, econoom maar ook propagandist. Aron was lange tijd zeer gefascineerd door de filosoof Marx en hij heeft zich veel moeite gegeven om hem recht te doen. Misschien was Marx nog briljanter als econoom, maar als econoom heeft hij volgens Aron de verkeerde ideeën verspreid. In Het Kapitaal geeft hij een analyse en veroordeling van het kapitalisme en koppelt deze aan een utopie over het komende socialisme. Daardoor zette hij de mensen op het verkeerde been, want deze voorstelling van zaken gaat het wetenschappelijk bewijs dat hij steeds wenste na te streven te boven. Zo’n onjuist idee is ook zijn theorie over de meerwaarde. Het concept is volgens Aron buitengewoon nuttig, maar Marx maakte daar een propagandistisch gebruik van. Deze meerwaarde die de arbeider door zijn werk creëert zou de kapitaalbezitter volgens Marx in zijn eigen zak steken: het was in zijn ogen de aan het kapitalisme inherente vorm van uitbuiting. Maar de praktijk blijkt heel anders. De door het werk van de arbeider gecreëerde meerwaarde werd in de praktijk zowel door westerse landen als communistische landen ingezet voor onder meer investeringen. Bovendien kwam zij ook wel degelijk ten goede aan de arbeiders die hun inkomen geleidelijk aan zagen verbeteren. Daarmee ontviel de basis aan de kritiek op de uitbuiting waar de kapitalistische economie waar de communistische propaganda op bleef hameren. Op grond van zijn vermenging van de rol van econoom en propagandist beschouwt Aron Marx daarom als een sofist die mede verantwoordelijk is voor de verschrikkingen die de twintigste eeuw hebben geteisterd. Hoe stond Aron tegenover de Vierde Franse republiek? Paul van Velthoven: De Vierde Republiek (1946-1958) verviel volgens Aron door zijn grondwet in dezelfde fouten als die van de Derde Republiek (1870-1940): het parlement was oppermachtig maar gedroeg zich tezelfdertijd uiterst onverantwoordelijk. Aron deelde daarom de kritiek van generaal De Gaulle op deze wet en pleitte met De Gaulle voor een sterkere uitvoerende macht van de regering. Aron werd daarom lid van de door De Gaullle opgerichte Rassemblement du Peuple Français. Maar deze politieke formatie slaagde niet in zijn opzet. De grondwet van de Vierde Republiek hield vast aan de hoofdrol voor het parlement. Daar geen enkele partij over een meerderheid beschikte waren er steeds coalities van partijen aan de macht, maar de parlementariërs steunden zelden of nooit deze kabinetten op consequente wijze. Vandaar dat deze kabinetten tussentijds voortdurend vielen, terwijl het politieke personeel in grote trekken hetzelfde bleef. In de twaalf jaar van zijn bestaan kende de Vierde Republiek wel vijfentwintig kabinetten. Toen in 1958 een burgeroorlog dreigde over de Algerijnse crisis, gaf president René Coty aan De Gaulle volmacht om een nieuwe regering te vormen. Hij liet toen een nieuwe grondwet opstellen. Naar het voorbeeld van de Verenigde Staten gaf De Gaulle aan Frankrijk een presidentieel regime. Aron onderschreef met de nodige nuances deze grondwet. Hoewel hij aanvankelijk vreesde dat De Gaulle bonapartistische aspiraties koesterde, kwam hij daar later op terug. De Gaulle bleef binnen de grenzen van de legaliteit en kon daarom op Arons steun rekenen. Aron schreef het boek L'Opium des intellectuels. Wat was de kerngedachte van dit boek? Paul van Velthoven: L’Opium des intellectuels is op de eerste plaats een grondige afrekening van Aron met zijn (linkse) intellectuele generatiegenoten. Hij ontmantelde de mythes waardoor zij zich lieten leiden, waaronder de voornaamste waren de zogenaamde eenheid van links door de jaren heen, de rol van het proletariaat in de geschiedenis en de functie van de revolutie. De polemische titel was een variatie op Marx’ uitspraak dat de godsdienst het opium van het volk is. Volgens Aron was het marxisme het opium van de intellectuelen. Dat namen ze even kritiekloos tot zich als het volk de godsdienst. Arons kritiek op het marxisme was op de eerste plaats van filosofische aard. Hij vocht hier net als in zijn hoofdwerk, de Introduction à la philosophie de l’histoire uit 1938 de pretentie van het marxisme aan de loop van de geschiedenis te kunnen voorspellen. De Franse intellectuelen lieten zich na de oorlog daardoor in meerderheid op sleeptouw nemen. Zij bekritiseerden op onbarmhartige wijze het kapitalistische stelsel, maar zagen niet dat het democratisch geïnspireerde politieke stelsel uiteindelijk te verkiezen was. In plaats van zich te verliezen in abstracte idealen riep hij hen op de marxistische ideologie op te geven en zich te verstaan met concrete problemen. Paul van Velthoven: Denkers als Isaac Deutscher en Maurice Duverger geloofden dat de verschillen tussen de systemen in de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie zich uiteindelijk zouden opheffen. De Russen zouden alsmaar kapitalistischer worden en de kapitalistische maatschappijen steeds ‘socialer’. Hoe stond Aron daar tegenover? Paul van Velthoven: Aron analyseerde in drie beroemd geworden collegereeksen aan het eind van de jaren vijftig wat hij noemde de industriële samenleving. Hij liet de overeenkomsten en verschillen zien in economisch, sociaal en politiek opzicht tussen de landen van het westerse en het oosterse blok. Hij stelde een niet-ideologische interpretatie op van hun ontwikkelingsgang. Dan waren er opmerkelijke verschillen. Beide typen van samenlevingen waren in de hoogste mate geïnteresseerd in economische groei, beide samenlevingen kenden min of meer dezelfde economische ontwikkelingen. Deze opvattingen gaven stof aan de zogeheten convergentiethese die met name door iemand als Maurice Duverger werd aangehangen. Hoewel Aron in zijn collegereeksen welsprekend aantoonde hoe groot de overeenkomsten waren tussen oost en west en daardoor bijdroeg aan de ontmythologisering van de bestaande ideologieën, die een onverzoenbare tegenstelling poneerden tussen kapitalisme en communisme geloofde hij nimmer dat beide samenlevingen naar elkaar toe zouden groeien. Dit had te maken met de rol van de politiek. De Sovjet-Unie werd geleid door een agressieve ideologie; daar hing de macht van de nomenklatura van af. Zij zou deze ideologie nooit goedschiks opgeven en daarom was het een illusie te denken dat beide typen samenlevingen op vreedzame wijze elkaar zouden kunnen naderen. Aron betitelde het fascisme en het communisme – en zelfs bepaalde vormen van liberalisme – als ‘seculiere religies’. Wat bedoelde hij hiermee? Paul van Velthoven: In hun dagelijkse voorkomen vertoonden fascisme en communisme alle trekken van een religie, vond Aron in een artikel dat hij in de oorlogsjaren in Londen schreef. Het uiteindelijk heil dat ooit verwacht werd in het hiernamaals moest nu zowel in het nationaal-socialistische als in het communistische stelsel gerealiseerd worden in het ondermaanse. Het proletariaat kreeg in de communistische ideologie de rol van verlosser toebedeeld. Voor de aanhangers van zowel communisme als nationaal-socialisme waren de opvattingen uit deze ideologieën geloofsartikelen geworden. Naar het uiterlijk vertoonden de massabijeenkomsten door hun rituelen overeenkomsten met religieuze manifestaties. Daarin werd uiting gegeven aan een geloof. Ik geloof overigens niet dat hij onder de seculier religies bepaalde vormen van liberalisme daartoe rekende. Hij keerde zich wel tegen een verabsolutering van de vrijheidsidee. De vrijheid moest tegen zijn al te enthousiaste aanhangers in bescherming worden genomen, merkte hij ooit op. Maar in zijn verschijningsvorm was het liberalisme in het geheel niet vergelijkbaar met massabewegingen als het communisme en het fascisme. Daarom zijn ze moeilijk te kwalificeren als een seculiere religie. Sommigen zeggen dat Aron altijd te laat gelijk kreeg. Bent u het daarmee eens? Paul van Velthoven: Aron had met zijn opvattingen zeker geen invloed op de hoofdstroom van het intellectuele politieke denken van na de oorlog in Frankrijk. Hij kreeg trouwens aanvankelijk veel meer waardering in Engeland en Amerika Zeker na het verschijnen van L’Opium des intellectuels maakte menige intellectueel de overstap naar Arons zienswijze. De werkelijke doorbraak voor Aron kwam met de kritiek van Solsjenitsyn op de Russische Goelag halverwege de jaren zeventig. Toen pas ontdekten de Franse intellectuelen eigenlijk pas goed dat ze in hun midden een man hadden die dezelfde kritiek al veel langer had verwoord. Vanaf dat moment nam zijn gezag toe. De publicatie van zijn Mémoires ruim een maand voor zijn dood in oktober 1983 waren een geweldig succes. Er werden meer dan driehonderdduizend exemplaren van verkocht. Zowel ter rechter als ter linker zijde erkende men dat hij gelijk had. Niet zonder enige treurnis overigens want liever had men lange tijd zoals Arons eigen boutade luidde ongelijk gehad met Sartre dan gelijk met hem. Vandaag zijn de meeste politicologen én politieke journalisten in Frankrijk ‘aroniens’, maar velen zullen dat nauwelijks beseffen. Een onzichtbare osmose heeft er in hun opvattingen plaats gevonden, maar slechts een minderheid zal willen erkennen dat zij dat aan Aron te danken heeft. Kan men Aron omschrijven als een liberaal? Paul van Velthoven: Ja, hij omschreef hij zich zelf althans zo. Hij zei altijd dat hij liberaal was geworden nadat hij halverwege de jaren dertig de politieke economie had bestudeerd. Tijdens de verdediging van zijn dissertatie toen hij daar al studie van had gemaakt, noemde hij zich overigens nog socialist. Hoe zeer ook liberaal, hij was het van een zeer ondogmatische soort. Hij was allerminst een liberale partijganger. Het liberalisme van Aron is op de eerste plaats politiek van aard, niet economisch. Vrijheid en waarheid noemde hij de deugden die hem het meest aan het hart lagen. De vrijheid die door totalitaire ideologieën zijn leven lang werd bedreigd, was de noodzakelijke voorwaarde voor elke menselijke ontplooiing. Daarom koos hij voor een politiek liberalisme. Zijn liberale gezindheid sprak uit het feit dat hij zich kon verstaan met wat ik maar noem de twee Frankrijken, het republikeinse, maar ook met het katholieke. Aan beide zijden had hij gerespecteerde gesprekspartners en vrienden zoals de jezuïet en filosoof Gaston Fessard en de socialist Mendes France. Het debat met anderen was hem veel waard. Op die manier ontwikkelde hij zijn eigen opvattingen. Het duidelijkst is dat aanwijsbaar in zijn relatie tot Sartre, aanvankelijk zijn ‘petit camerade’. Ook toen de vriendschap vanwege politieke meningsverschillen was verdwenen, bleef hij zijn werk op zijn werkelijke merites beoordelen. Hoe komt het dat er in Frankrijk - in tegenstelling tot tal van andere landen - geen noemenswaardige liberale partij bestaat? Heeft Aron dan weinig of geen invloed gehad op het politieke gebeuren in Frankrijk? Paul van Velthoven: Frankrijk kent inderdaad geen liberale partij. Dat was in de negentiende eeuw zo, maar ook in de twintigste. Een liberaal als Guizot redde het in 1848 niet. Hij ging kopje onder net als Tocqueville die ook een liberaal was (en met wie Aron vaak is vergeleken, ook al vond hij de vergelijking te flatteus) en korte tijd minister. Het Orleanistische regime van 1830 tot 1848 was misschien wel het meest liberale regime dat Frankrijk na de Revolutie heeft gehad. Zowel rechts als links is wezenlijk etatistisch ingesteld. De staat speelt welke politieke partij er ook aan de macht is een hoofdrol. Daarom zijn – tussen haakjes – de Fransen zo slecht voorbereid op de Europese vrije markt. Er zal een enorme cultuuromwenteling voor nodig zijn om hen daar op voor te bereiden. Liberalisering en privatisering stuiten op grote weerstand bij alle politici ook al zouden zij beter moeten weten. Chirac noemde onlangs zelfs het (ongebreidelde) liberalisme een even groot gevaar voor Frankrijk als destijds het communisme! Bij de presidentsverkiezingen van 2002 was Alain Madelin de liberale kandidaat. Niemand kent hem meer. Aron erkende wel het belang van de markt, maar hij heeft zich nooit kunnen of hoeven uitspreken over de huidige problematiek van privatisering van staatsbedrijven. Wel schat ik in dat hij zich verzet zou hebben tegen de marktideologie. De markt verheffen tot enige regulerende factor zou hem waarschijnlijk tegen de borst hebben gestuit. Het historisch gebeuren kan nooit door één factor worden voortgestuwd, zo stelde hij altijd.
Paul van Velthoven Linksmailto:verhofstadt.dirk@pandora.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|