|
In onze tijd zijn de cultuurkritische geluiden niet van de lucht. Of het nu om het toenemend consumentisme gaat of het economiseren van alle menselijke verhoudingen, telkens wordt een tijd van onbehagen geëvoceerd dat protest aantekent tegen het technisch tijdperk waarin wij leven. In zijn boek Rondom de vloedlijn. Filosofie en kunst in het machinale tijdperk. Een confrontatie tussen Heidegger en Jünger staat de Nederlandse filosoof Vincent Blok evenwel stil bij onze technische wereld, zonder verstrikt te raken in het cultuurkritische optimisme of pessimisme. Hij stelt de nuchtere vraag of woorden als ‘techniek’, ‘arbeid’ en ‘economie’niet zover reiken, dat het zowel de bedrijfsmatige inrichting van alle intermenselijke verhoudingen doortrekt alsook elk cultuurkritisch protest daartegen. Door zijn studie te wijden aan het dichten van Ernst Jünger en het denken van Martin Heidegger, wordt duidelijk dat de filosofie en de kunst niets minder dan een omwenteling van de menselijke bestaanswijze opgegeven is. Deze omwenteling is nodig, willen wij beantwoorden aan de alomtegenwoordigheid van de techniek. Een interview met de auteur over zijn boek en zijn drijfveren. Wat heeft u bewogen tot het schrijven van dit boek? Vincent Blok: Vroeger begreep ik mijn eigen doen en laten in termen van het anti-imperialisme. Imperialisme is de menselijke verhoudingswijze die uit is op macht en deze bereikt, behoudt en vermeerdert ten koste van de wereld en de mensen daarbinnen. Ik zat in de kraakbeweging en hielp mee met acties tegen de Zuid-Afrikaanse apartheid. Aan mijn anti-imperialistische houding lag de ervaring van de principiële ‘onwaarheid’ van het imperialisme ten grondslag, en het ideaal van een alternatieve bestaanswijze die niet aan machtsuitoefening gebonden was. Als je op een gegeven moment bemerkt dat het imperialisme van bedrijven en staten een politiek-economische vertaling is van de struggle for existence als aard van het leven, dan is het anti-imperialisme geen reële optie meer. Ook het anti-imperialistisch verzet is dan doortrokken van de struggle for existence, dus van imperialisme. De ‘onwaarheid’ van het imperialisme kan dan alleen nog worden getoetst door de filosofische vraag naar het wezen van de macht. Zo ben ik tot mijn bezinning op het wezen van het imperialisme in het proefschrift gekomen. Is de centrale vraag van uw boek, als ik het mag samenvatten, hoe je in het tijdperk van de techniek nog kunt denken en dichten? Vincent Blok: Als je vraagt naar het wezen van de macht, dan is niet duidelijk hoe je spreekt. Een uitspraak over het wezen van de macht die zelf van machtswellust doortrokken is, heeft haar onderwerp al in de rug. Ik kan dit misschien illustreren aan de hand van een voorbeeld. Als ik zeg: ‘de huidige tijd is van een diepe slaap doortrokken’, dan heb ik twee mogelijkheden. Ofwel mijn uitspraak behoort tot de slaperige tijd, waarmee ze het risico loopt zelf slaperig en daarmee onwaar te zijn. Ofwel mijn uitspraak behoort niet tot de slaperige tijd, wat de uitspraak daarover ondermijnt. Klaarblijkelijk is de tijd niet zo slaperig, want deze uitspraak erover staat er buiten. Hier ligt dan ook de grond om aan te sluiten bij het denken van Heidegger. Hij pretendeert een methode van denken te hebben gevonden die kan nadenken bij de techniek zonder ermee samen te vallen en zonder een alternatief of uitweg te zoeken. Het zijn de Leidse filosofen van Dijk en Oudemans geweest, die dit methodische karakter van het denken van Heidegger hebben opgenomen en tot zwaartepunt van het hedendaagse filosofisch nadenken hebben verklaard. Dat wordt dan wel eens gekscherend de Leidse Heideggerschool genoemd. Rondom de vloedlijn is de titel van uw boek. Waarom? Vanwege de ambiguïteit die het uitdrukt? Vincent Blok: Het vervelende van een methodisch denken is dat het ook direct voor dit interview opgaat. Ik bemerk bij mijzelf de tendens om verhaaltjes aan u op te hangen. Daar kan de filosofie natuurlijk niet in bestaan. Ik zal toch iets proberen te zeggen. Uw vraag is welke ambiguïteit het woord ‘vloedlijn’ uitdrukt. Een antwoord op die vraag stelt die ambiguïteit voor, dat wil zeggen dat ze present wordt gesteld voor de lezer. Daarmee is de ambiguïteit zelf bij voorbaat al vernietigd en opgeheven. Wat is dat voor tendens in al onze vraag- en probleemstellingen, dat ze erop zijn aangelegd de zaken te verhelderen en beschikbaar te stellen? In die zucht tot presentie – en dat is wat techniek is – onttrekt zich de ambiguïteit, zo zou je kunnen zeggen. Precies die verhouding tussen presentie en onttrekking speelt bij een vloedlijn. Een vloedlijn markeert niet de hoogste lijn van het water op het strand. In de vloedlijn onttrekt de vloed zich door achterlating van een lijn van schelpen en strandresten. Aan de vloedlijn kun je het afscheid van de vloed bemerken, zonder dat je daarover uitspraken kunt doen. Vandaar dat je alleen kunt verkeren in de nabijheid, rondom de vloedlijn. Daarmee is de aard van het methodische denken bij de techniek aangeduid. Waarom noemt u het werk van Jünger ‘dichten’? Zijn werk bestaat toch niet uit gedichten? Vincent Blok: Jünger noemt zijn eigen manier van spreken in zijn hoofdwerk Der Arbeiter ‘Dichtung’. Ik benadruk dit omdat in zijn spreken een ambiguïteit schuilgaat. Heidegger zegt dat Jünger van voor tot achter schatplichtig is aan de metafysica van de wil tot macht bij Nietzsche. Gebonden aan de metafysica, dus een denken is. Hoewel hij gelijk heeft in zijn plaatsbepaling van Jünger, ziet hij daarmee de andere zijde van Der Arbeiter over het hoofd, namelijk het dichterlijke van de gestalte. Want hoort dit dichten wel thuis in het voor- en daarmee presentstellen, zoals Heidegger beweert? Jünger zegt bijvoorbeeld dat de gestalte niet is en ook niet van deze wereld is. Daarmee wordt duidelijk dat Jünger in Der Arbeiter de gestalte niet voorstelt. Hoe spreekt Jünger dan wel? Op een gegeven moment zegt Jünger dat ‘de heerschappij van de gestalte in wezen al is gerealiseerd maar nog uit haar anonimiteit te voorschijn moet worden gehaald’. Daarmee wordt duidelijk waar het in Der Arbeiter om draait, namelijk het dichten als naamgeving. Dat is een mogelijke weg van de kunst in ons technisch tijdperk. Gaat u ervan uit dat in deze ‘tijd van onbehagen’ een absoluut nihilisme heerst? Vincent Blok: U wijst met deze zinsnede op de titel van het boek van Ad Verbrugge. Wat hij cultuurverlies noemt en de heerschappij van het consumentisme, wijst op de ervaring van het nihilisme als onze ‘Normalzustand’. Ik deel zijn intuïtie van de ‘onwaarheid’ van de mens als consument van harte. Voor mij is evenwel de vraag waar in de wereld je bevestiging voor deze intuïtie kunt vinden. Ik ervaar geen tijd van onbehagen, want het nihilisme reikt zo ver dat het de cultuurkritiek evoceert en ook de oplossing voor elk onbehagen aanreikt. Voor mij speelt hier primair het methodische vraagstuk hoe ik kan nadenken bij het nihilisme. Ik mag dat misschien illustreren aan de hand van het boek van Verbrugge. Hij wijst op onze wereld van de consumentistische behoeftebevrediging en zegt tezelfdertijd dat ‘in de mens de behoefte leeft aan een ‘zin’ die groter is dan hijzelf. Mijn vraag is dan of deze behoefte aan zin nu weer onderdeel uitmaakt van de behoeftebevrediging? Is die gemeenschapszin als gedeelde dimensie er, of is het een bevredigde consumentistische behoefte? Volgens mij zou het verschil tussen zijn authentieke vraagstelling en de consumentistische behoeftebevrediging daarin moeten bestaan, dat hij uitziet naar een zin die als zodanig verre is, om zo de nabijheid ervan te ontberen. Dit ontberen kent de consumentistische behoeftebevrediging niet. Die blijft nimmer onbevredigd achter en slokt alles op in een alomtegenwoordige beschikbaarheid. Ik hoop dat hiermee duidelijk wordt waar voor mij het zwaartepunt ligt. U zegt dat het dichten en denken van Jünger en Heidegger in het teken van een overgang van de menselijke bestaanswijze bestaat. Waarin bestaat die overgang? En zag Heidegger die niet op een gegeven moment in het Nationaal-Socialisme van Hitler? Vincent Blok: Heidegger zegt dat wij de vanzelfsprekende bepaling van de mens als het denkende subject moeten verlaten, willen wij oog krijgen voor ‘onze verhouding tot het wedervarende’, de betrekking die altijd al bij voorbaat onze omgang met de dingen structureert. Voor het subject is elke bepaling subjectief of objectief, terwijl hij geen oog heeft voor de subject-objectverhouding die zijn bestaanswijze bij voorbaat altijd al heeft getekend. Deze omwenteling van de menselijke bestaanswijze is niet zondermeer door te voeren. Ze is niet een beslissing van de mens als het denkende subject, maar vergt volgens Heidegger een ‘Anspruch’ die door het denken alleen kan worden voorbereid. In de jaren dertig dacht hij dat het moment van de omwenteling aangebroken was. Nadat hij rond 1938 inzag dat de Nationaal Socialistische revolutie van Hitler niets te maken had met de door hemzelf beoogde omwenteling, verschoof hij haar naar een ‘übernächste Generation’. In dat opzicht is ook mijn eigen denken in het proefschrift voorbereidend van aard. Waarom is dit boek eigenlijk een must voor kunstenaars en filosofen, zoals u op de achterflap van het boek zegt? Vincent Blok: Eerder in dit interview wees ik op het nihilisme als onze ‘Normalzustand’. Ik geloof niet dat de vraag daarnaar minder speelt in de kunsten dan in de filosofie. Mijn boek onderscheidt zich doordat het stilstaat bij onze technische wereld, zonder verstrikt te raken in het cultuurkritisch optimisme en pessimisme. Het zoekt daarentegen de nuchtere confrontatie met de techniek en laat zien wat filosofie en kunst vermag in ons technisch tijdperk. Het schetst daartoe een weg van het denken en een weg van de kunst en confronteert die met elkaar. Is het niet schizofreen om enerzijds te zeggen dat de aanslagen van Al-Qaida secundair zijn ten opzichte van het filosofische principiële - de semantische grond ervan – en anderzijds vraagt of ze niet het teken zijn van ‘een breuk tussen de Westerse beschaving en een nieuw barbarendom’? Vincent Blok: Een schizofrenie duidt op een gespletenheid, waarbij de remedie gevonden wordt in de opheffing ervan. Daardoor ontstaat eenheid en helderheid. In de filosofie gaat het erom empirisch te blijven, dat wil zeggen dat ik bij die gespletenheid zelf blijf zonder hem op te willen heffen. Nu is de vraag of ik niet evengoed de gespletenheid ophef door de aanslagen van Al-Qaida tot een secundair verschijnsel te reduceren. Voor mij is volstrekt duidelijk dat de heftigheid van de aanslagen van 11 september slechts aangeven hoezeer de islamitische samenleving wordt bedreigd – uiteindelijk wil ook elke Afghaan een televisie en een koelkast. Maar afgezien van dit voorbeeld heeft u wel een punt. Het is de vraag of het filosofisch principiële noodzakelijkerwijze de reductie van de ‘zijnden’ tot secundaire verschijnselen impliceert. Ik herinner mij dat Heidegger ergens spreekt van een aanval op het wezen van de mens door de middelen van de techniek, dat wil zeggen technische instrumenten. Daar zouden we ons verder op moeten bezinnen.
Vincent Blok Linkshttp://www.vincentblok.nl |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|