Sinds 11 september 2001 wordt er volop gediscussieerd over wat nu de essentie is van de ‘Westerse cultuur’, en in hoeverre die samenvalt met het populaire containerbegrip ‘moderniteit’. Wie daar ook maar even serieus over nadenkt, komt al snel tot de conclusie dat de ontwikkeling van de moderne natuurwetenschappen een cruciale rol heeft gespeeld bij het totstandkomen van wat wij de ‘moderne wereld’ noemen. De wetenschapshistoricus Floris Cohen, van wie eind vorig jaar het monumentale boek How Modern Science Came into the World verscheen, had dit al vroeg door: “Als student geschiedenis wilde ik snappen hoe onze moderne wereld is ontstaan, en waarom dat juist in Europa is gebeurd. En hoewel ik geen idee had wat de exacte relatie was, begreep ik wel dat dit op de een of andere manier iets te maken moest hebben met het ontstaan van het moderne natuurwetenschappelijke denken. Omdat in Leiden geen wetenschapsgeschiedenis werd gedoceerd, ben ik er in Utrecht college in gaan lopen, als bijvak.” Op zich lijkt zijn belangstelling voor de hand te liggen, maar dat de in 1946 geboren Cohen zich deze vraag stelde was halverwege de jaren zestig alles behalve vanzelfsprekend. De studentengeneratie waarvan hij deel uitmaakte, althans het spraakmakende deel ervan, had immers grote kritiek op ‘het Westen’, zodat de belangstelling van Cohen gemakkelijk kon worden gezien als uiting van een misplaatst superioriteitsbesef. Van de radicaal-linkse opvattingen van veel van zijn generatiegenoten moest Cohen echter weinig hebben. “Ik kwam uit een keurig sociaal-democratisch nest en had al jong grote belangstelling voor politiek. Samen met mijn broer Job zat ik op de publieke tribune van de gemeenteraad van Heemstede, waar onze moeder namens de PvdA het woord voerde. In de bibliotheek van mijn vader kwam ik een boek van Jacques de Kadt tegen dat grote indruk op mij maakte: Verdediging van het Westen. Dat was een onafhankelijke, oorspronkelijke manier van kijken die ik nog nooit ergens was tegengekomen, en omdat hij bij ons in de buurt woonde ben ik hem gaan opzoeken. Hoewel hij bijna vijftig jaar ouder was, en hij vooral monologen hield, was dat het begin van wat je toch wel een vriendschap kunt noemen. Hij is in veel opzichten mijn grote leermeester geweest.” Nadat Cohen in 1974 gepromoveerd was op een studie naar de pogingen tot ideologische vernieuwing van de Nederlandse sociaal-democratie in de jaren twintig van de vorige eeuw, waarbij hij ook de nodige aandacht aan De Kadt had geschonken, leek het voor de hand te liggen dat hij zich verder zou specialiseren in de politieke geschiedenis. Een aanbod om wetenschappelijk medewerker op dat vakgebied te worden sloeg hij echter af omdat hij intussen had besloten zich te richten op de wetenschapsgeschiedenis. In die jaren bestond er min of meer consensus over het idee dat zich in de zeventiende eeuw een Wetenschappelijke Revolutie had voorgedaan, waarbij het denken over de natuur zo veel mogelijk in wiskundige formules werd gegoten en zodoende de basis werd gelegd voor de moderne natuurwetenschappen zoals wij die kennen. Ondertussen stond het historisch onderzoek niet stil en in de grote historiografische studie die Cohen in 1994 publiceerde, The Scientific Revolution: A Historiographical Inquiry, onderscheidde hij niet minder dan zestig verschillende visies op de Wetenschappelijke Revolutie. Bovendien is vanaf de jaren tachtig een wetenschapshistorische stroming dominant geworden die van het hele begrip af wil. De belangrijkste representant hiervan, Steven Shapin, publiceerde in 1996 een boek waarvan de eerste zin luidt: “Er is nooit zoiets als de Wetenschappelijke Revolutie geweest, en dit is een boek erover.” Er lijkt op uw vakgebied sprake van totale verwarring. Wat is hier aan de hand? Floris Cohen: Tot in de jaren zeventig was wetenschapsgeschiedenis vooral een vorm van ideeëngeschiedenis en ging het om de reconstructie van baanbrekende inzichten van briljante geesten. Aan de maatschappelijke context waarbinnen de natuurwetenschappen zich hadden ontwikkeld werd nauwelijks aandacht besteed. Ook de rol van het experiment bij de groei van de natuurwetenschappelijke kennis bleef lang onderbelicht. Er was wel aandacht geweest voor experimenten die theorieën konden bevestigen of ontkrachten, maar heel weinig voor de rol van het zogenaamde “opsporende experiment”. In de jaren tachtig begon dit alles te veranderen. Er werd gekeken hoe experimenten feitelijk werden ondernomen, en er werd uitgebreid onderzoek gedaan naar de context waarin de natuurwetenschappen zich ontwikkelden. Zo werd er gekeken naar lokale verschillen, maar ook bijvoorbeeld naar de markt van maecenas en cliënt, die de ontdekkingen van bijvoorbeeld Galilei včrgaand beďnvloedde. Dit leverde veel interessante studies op, die het bestaande beeld sterk nuanceerden of zelfs ondergroeven, en het resultaat was dat het bijna monolithische beeld van de Wetenschappelijke Revolutie begon te verdampen. Bovendien woedden in de jaren negentig ook nog de zogenoemde science wars, waarin de waarheidsclaim van de hedendaagse natuurwetenschap zwaar onder vuur kwam te liggen. Ook het postmodernistische dogma dat de grand narratives hadden afgedaan, had grote invloed. In navolging van Shapin begonnen zodoende veel wetenschapshistorici plotseling te spreken over de ‘zogenaamde Wetenschappelijke Revolutie’. U kon zich hier niet in vinden? Floris Cohen: De master narrative van de mathematisering van het wereldbeeld was eigenlijk niet meer goed vol te houden en werd terecht ervaren als een dwangbuis. Tegelijkertijd ontstond echter een stilzwijgende consensus dat er geen alternatief mogelijk was. Maar waarom eigenlijk niet? Volgens mij is dat nodeloze scepsis. Het is een onloochenbaar feit dat we nu een moderne natuurwetenschap hebben, en dat er ooit vroeger heel anders tegen de natuur werd aangekeken. Dus moet er ergens in de geschiedenis een omslagpunt geweest zijn. Daar lijkt me geen speld tussen te krijgen. Het vreemde is dat vrijwel iedereen ervan overtuigd is dat er zoiets als de Wetenschappelijke Revolutie geweest moet zijn, behalve wij wetenschapshistorici zelf. Het gevolg is dat andere historici en ook het geďnteresseerde publiek zich vastklampen aan het achterhaalde beeld, en dat het gapende gat dat de wetenschapshistorici achterlaten wordt opgevuld door amateurs. Daarom heb ik geprobeerd in deze leemte te voorzien. In 2007 publiceerde u ‘De herschepping van de wereld’, waarin u in nog geen 300 bladzijden verklaart hoe de moderne natuurwetenschappen zijn ontstaan. Dit nieuwe boek telt over de 800 bladzijden. Wat is de relatie tussen deze twee? Floris Cohen: Op de epiloog na had ik het Engelstalige boek al jaren geleden af, maar de kredietcrisis maakte het lastig om, ondanks prachtige lezersrapporten, in de VS voor een boek van deze omvang een uitgever te vinden. Bovendien begon ik in diezelfde tijd een jongedame het hof te maken. Zij is een geheide alfa, en ze zei: “Hoor eens, dat dikke boek in het Engels ga ik niet lezen, dat is toch in de eerste plaats bedoeld om je vakgenoten van je visie te overtuigen, schrijf jij maar eens een beknopte versie in onze moerstaal, zodat ik het ook helemaal kan volgen, en dan kan je die als titel geven De herschepping van de wereld.” Maar wie de onderbouwing en de nadere detaillering van de Herscheppingwil leren kennen, die vindt die nu in How Modern Science... allemaal bij elkaar. Cohen is van mening dat zich in de zeventiende eeuw wel degelijk een revolutie voltrok, die bestond uit een zestal fundamentele transformaties – waaronder een sterke mathematisering, de opkomst van twee manieren van experimenteren en de verrijking van de klassieke deeltjesleer met een nieuwe opvatting van beweging – die culmineerden in het werk van Newton. Het gevolg was dat rond 1700 de kijk op de natuur drastisch anders was dan rond 1600, en de weg was vrijgemaakt voor de moderne natuurwetenschappen, die een immense invloed hebben gehad op de wijze waarop in ons deel van de wereld de mensen leven. De (post)industriële samenleving, de huidige gezondheidszorg en het moderne denken zijn niet voorstelbaar zonder die Wetenschappelijke Revolutie. Vaak krijg je, onder meer uit de bekende boeken van Jonathan Israel, de indruk dat het moderne, wetenschappelijke, rationele denken vooral een gevolg is van een filosofische revolutie, waarbij een hoofdrol was weggelegd voor Descartes en Spinoza. In uw boek speelt Descartes wel een rol van betekenis, maar zijn het toch vooral natuurwetenschappers die voor een revolutie in het denken hebben gezorgd. Kunt u iets zeggen over de relatie Verlichting – moderne wetenschap? Floris Cohen: Ik maak er in mijn boek nogal een punt van dat het werk van Descartes in twee richtingen kon worden geďnterpreteerd. Voor Descartes zelf was het eenvoudig: uitgaande van een beperkt aantal eerste beginselen had hij met onbetwijfelbare zekerheid afgeleid hoe de wereld in elkaar zat — die deeltjeswereld van hem. Dit was de lijn die gevolgd werd door de sekte van de cartesianen, die lang grote invloed heeft gehad. Tegelijkertijd betoogde Descartes dat ieder mens toch eens in zijn leven aan alles zou moeten twijfelen wat er ooit is geleerd, en riep hij op tot zelfstandig denken. Hoewel hij eigenlijk van mening was dat hij het antwoord op al die twijfel zelf al gegeven had, school er toch een aansporing in om daarop door te gaan. Iemand als Poulain de la Barre bijvoorbeeld trok uit het werk van Descartes de conclusie dat ook vrouwen deelhebben aan wat Descartes de denkende substantie noemt, en in dit opzicht dus gelijk zijn aan mannen. Spinoza was nog radicaler. Die bouwde weliswaar zelf een gesloten systeem, maar dat idee van ‘denk voor jezelf’ kon iedere keer weer opnieuw beginnen en was van grote invloed op de Verlichting. Jonathan Israel onderschat een beetje wat de natuurwetenschappen voor de Verlichting hebben betekend. Voor ons is de natuur in hoge mate doorzichtig geworden — we weten dat de Aarde om de zon draait, ons bloed omloopt, het ene voorwerp het andere aantrekt, en ook bijvoorbeeld dat je een met materie gevulde ruimte nagenoeg leeg kunt pompen. Vooral Newton heeft daar een geweldige rol in gespeeld. Ik beweer niet dat de Wetenschappelijk Revolutie het enige is wat de Verlichting mogelijk heeft gemaakt, maar zonder die fundamentele verandering n het denken over de natuur zou er helemaal geen Verlichting zijn geweest. Maar hoe zit het omgekeerd: is een voortdurende ontwikkeling van de natuurwetenschappen denkbaar zonder een geestelijk klimaat waarin de waarden van de Verlichting centraal staan? Floris Cohen: Dat is een van de grote vragen van onze tijd. Ik denk niet dat de vruchtbare beoefening van de natuurwetenschap via een of andere essentie gebonden is aan het Westen. Ik vind het ook helemaal geen gruwelijke gedachte dat bijvoorbeeld over een halve eeuw het centrum van de wetenschapsbeoefening zich mogelijk niet meer in Europa en de VS bevindt, maar in Azië. Kishore Mahbubani stelt in zijn boek De eeuw van Azië dat dit nu al min of meer het geval is, al vind ik dat hij zich wel erg rijk rekent. Hij telt alles op wat er nu al aan wetenschap in Azië is, maar het probleem zit hem niet in aantallen publicaties maar in de mogelijkheidsvoorwaarden voor baanbrekende wetenschap. Wetenschap die helemaal geďsoleerd blijft van een klimaat van openheid, van wederzijdse kritiek, van debat, loopt uiteindelijk vast. Een literair werk dat dit prachtig illustreert, is In de eerste cirkel van Solzjenitsyn. Midden in de Stalintijd zijn er kunstmatige omstandigheden gecreëerd waarin dan een aantal gevangenen bij elkaar wordt gezet om in opdracht een bepaalde ontdekking te doen. In een dergelijke omgeving, waarin iedereen elkaar bespioneert en de uiteindelijke resultaten verenigbaar moeten zijn met de ideologie, kan dat dus niet. In essentie was dat ook het probleem waar in de zeventiende eeuw de jezuďeten tegenaan liepen. Onder hen waren tal van begaafde natuuronderzoekers, maar uiteindelijk werd hun ontdekkingsdrang geperst in het keurslijf van de kerkelijke dogma’s. Als je niet de ruimte hebt om onverschrokken een bepaalde denkweg in te slaan om te kijken hoever die je brengen kan, dan is echt vernieuwende natuurwetenschap niet mogelijk. De wetenschap wordt door sommigen ervaren als iets dat kil, gevoelloos en armzalig is, dat onvoldoende recht doet aan wat als ‘de volheid en rijkdom van het leven’ wordt ervaren. En tegelijkertijd zijn er wetenschappers die van de wetenschap een nieuwe religie maken, die van mening zijn dat de wetenschap voor elk probleem een oplossing kan vinden, en dat vraagstukken waarvoor dat niet geldt geen ‘echte’ problemen zijn. U noemt in dit verband Richard Dawkins en Vincent Icke. Floris Cohen: Critici van de natuurwetenschap hebben toch vaak weinig gevoel voor het grootse van de poging om te snappen hoe de wereld, althans een groot aantal belangrijke aspecten daarvan, in elkaar zit. In de epiloog wijs ik op de vlucht van de Cassini-Huygens naar Saturnus. Dat vind ik zo bijzonder, dat je dat allemaal kunt berekenen, dat je niet alleen een raket kunt maken maar dat je dankzij Newton en zijn voorgangers ook kunt bepalen wat de ontsnappingssnelheid is, dat je van te voren kunt uitzoeken dat hij op dat en dat moment een zo en zo sterke zet zal krijgen van de gravitatiekracht van die en die planeet, en dat hij op precies de uitgerekende dag inderdaad in een baan om Saturnus komt. Dat vind ik zo iets groots en bewonderenswaardigs! Maar het is ook waar dat dit geen antwoord geeft op vragen als: wie zijn wij, waartoe zijn wij op aarde? Daar is de natuurwetenschap inderdaad niet voor. Wat ik Dawkins en ook Icke verwijt is die arrogantie om zich zonder een spoor van twijfel uit te spreken over terreinen waar ze geen bal van afweten en zelfs niet het idee hebben dat ze er iets van af zouden moeten weten. Interessanter vind ik het zoeken van heel wat natuurwetenschappers naar een juist door de Wetenschappelijke Revolutie onherroepelijk verloren gegane eenheid. Dat heimwee naar een onderliggende samenhang van alle natuurverschijnselen kennen we allemaal wel. Als ooit uit die aandrang een verenigde theorie van de vier fundamentele natuurkrachten voortkomt, zou dat een grandioze stap vooruit zijn. Maar om dat dan, zoals vaak gebeurt, meteen maar de theory of everything te noemen, dat vind ik zo verschrikkelijk pretentieus! Alsof we dan in één moeite door ook zouden begrijpen waar oorlogen door komen, of wat Mozart tot een nog weer groter componist maakt dan Haydn. Per slot van rekening betekent ‘alles’ niets minder dan, inderdaad, alles, en dan ben je de grenzen die aan de natuurwetenschap zijn gesteld wel heel ver voorbij.
H. Floris Cohen, How Modern Science Came into the World: Four Civilizations, One 17th Century Breakthrough. Amsterdam University Press, 2011, 824 blz., € 65 Floris Cohen Linksmailto:rhhistor@xs4all.nl |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|