Ruim twintig jaar zwierf de Vlaamse journalist Piet de Moor, die twee jaar geleden het Stalin-boek De Gelaarsde God publiceerde, door Oost-Duitsland, Polen, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Roemenië, Bulgarije en de Balkanlanden. Hij bezocht er historische steden als Berlijn, Warschau, Boedapest, Sarajevo en Tirana waar hij gesprekken voerde met tal van gerenommeerde schrijvers, filosofen en historici. Het resultaat is Schemerland. Stemmen uit Midden-Europa, een fascinerend boek over de geschiedenis van een van de meest getroffen regio’s van de twintigste eeuw. Vooral de joden kregen het in de doorgaans fel antisemitische Midden-Europese landen zwaar te verduren. De Endlösung zorgde er niet alleen voor dat zes miljoen joden omkwamen, maar ook dat de joods-Europese taal en cultuur grotendeels werd vernietigd. Over dit verlies en de impact ervan op de volkeren in Midden-Europa had Dirk Verhofstadt een gesprek met de auteur. Op de cover van uw boek staat een intrigerende tekening. Het toont een berg opgestapelde doodskoppen met rondvliegende zwarte kraaien in een dorre woestenij. Vanwaar de titel Schemerland? Piet de Moor: Ik koos voor Schemerland omdat die titel uitdrukt dat het continent kan kiezen voor licht of duisternis, voor de knekelhoop op de voorgrond of voor de blauwe hemel daarachter. Het Europese continent staat op een tweesprong, entre chien et loup. Het heeft waanzinnige eeuwen achter de rug, en de twintigste eeuw was wellicht de krankzinnigste van allemaal. Het was een onverteerbare eeuw. Een vriend van me maakte onlangs een scène mee op de zomerreceptie van de Israëlische ambassade in Berlijn. Een Duitse journalist vroeg de ambassadeur: ‘Moeten wij Duitsers ons nog altijd schuldig blijven voelen – zelfs vandaag?’ De ambassadeur antwoordde daarop: ‘Vraag dat maar aan mijn moeder.’ De tactloosheid van de journalist lag niet alleen in de inhoud van de vraag, maar in de verhulling van zijn opinie. Want hij bedoelde: ‘Wordt het geen tijd om het allemaal eens en voorgoed te vergeten?’ Een Duitse intellectueel als de schrijver Martin Walser, die geopperd heeft dat de Duitsers het recht hebben om van Auschwitz weg te kijken, is er mede verantwoordelijk voor dat die opinie almaar luider verkondigd wordt in het nieuwe Duitsland. Het is al erg genoeg dat zovele Duitstalige schrijvers eind 19e en begin 20e eeuw hun antisemitische gevoelens openlijk ventileerden. Maar dat Duitse intellectuelen na de ervaring van de holocaust nog met dit vuur spelen, vind ik ongehoord en onvergeeflijk. Nog iets: wie zijn natie en zijn continent prijst, moet er ook bijnemen dat hij verantwoordelijkheid wil dragen voor de misdaden die in naam van die natie en dat continent zijn begaan, ook al ben ik geen aanhanger van de collectieve-schuldtheorie. Maar de nationale of de Europese geschiedenis is niet à la carte te verspijzen, je moet het hele menu nemen, zelfs de bedorven muizenstrontjes op de feesttaart. Zowat alle Midden- en Oost-Europese landen kenden in de loop van de vorige eeuw tal van grenswijzigingen. Wat was hun verhouding met grootmachten als Rusland en Duitsland? Piet de Moor: Als inwoner van de Boekovina kon je in Oostenrijk geboren worden, opgroeien in Roemenië en sterven in Oekraïne zonder ook maar je bed uit te komen. Toen ik de Poolse schrijver Tadeusz Konwicki in 1988 in Warschau interviewde, noemde hij Polen een staat op rollen. Vroeger waren Wilna en Lemberg Pools, nu zijn de voormalige Duitse steden Stettin en Breslau het. Dat geharrewar maakt de Midden-Europeaan onrustig. De Oekraïense auteur Joeri Androechowytsj heeft dat Midden-Europese leven treffend omschreven als een bestaan tussen hamer en aambeeld. Tussen Russen en Duitsers gekneld te zitten, dat is nog altijd het historische lot van Midden-Europa. De Midden-Europese angst schommelt tussen twee polen heen en weer: komen de Duitsers of komen de Russen? De Midden-Europese dood, dat is de dood in het kamp of in de gevangenis, een collectieve dood. Massamoord, zuiveringen. De Midden-Europese reis, dat is de vlucht. Maar vanwaar waar naartoe? Van de Russen naar de Duitsers? Of van de Duitsers naar de Russen? Het is een illusie om te geloven dat het allemaal voorbij is. Overal in Midden-Europa heerst een grote angst dat de as Duitsland-Moskou weer wordt bezield. Het bestaan van de EU heeft die vrees van vooral de Polen en de Baltische staten niet weggenomen. Je kunt dat misschien overdreven vinden, maar het is wel begrijpelijk. Ik zou het toejuichen als de Berlusconi’s en de Schröders voor hun Poolse en Baltische EU-collega’s maar een tiende van de vriendschap opbrachten die ze voor de sinistere heer Wladimir Poetin met zijn KGB-verleden koesteren. Dat alleen al zou een probaat en beschaafd middel zijn om de Midden-Europese angsten wat te temperen. Waar heeft Poetin die vriendschap verdiend? In Tsjetsjenië soms, waar zijn soldateska willekeurig plunderen, verkrachten en moorden? Al die kwesties heb ik in Schemerland aan de orde willen stellen. Door de Endlösung verdwenen zowat alle joden uit Midden-Europa. In je boek citeer je de joods-Servische schrijver Aleksandar Tisma die ooit schreef ‘het verlies van de joden kan niet worden goedgemaakt’. Kunt u dit toelichten? Piet de Moor: Hitler heeft het joodse volk uitgeroeid. Tijdens een van de vele gesprekken die ik met Aleksandar Tisma, die zelf de zoon van een Hongaars-joodse moeder en een Servische vader was, over dat onderwerp heb gevoerd, vertelde hij me hoe hij na de oorlog verloren liep in het kaalgeplukte Novi Sad, de hoofdstad van Vojvodina. Hij voelde zich in dat stadje opgesloten als in een kooi waarin hij liep te ijsberen, en telkens als hij ging wandelen zag hij die lege huizen van de gedeporteerde joden. Hij kon die vermoorde joden, die vrienden en bekenden, niet vergeten. Hij vertelde me dat de joden uitstekende bemiddelaars waren op het continent. Ze voelden de verschillende nationale eigenschappen zeer goed aan, ze waren de overbrengers van de ideeën in Europa, ze legden de banden tussen de Europese landen, ze waren de vertalers van de Europese cultuur. Dat Midden-Europa met zijn Jiddisch, zijn joden en zijn Europese Duits dat gesproken werd in het Czernowitz van Paul Celan en het Brody van Joseph Roth is helaas voorgoed ondergegaan. Behalve naar Praag wordt er nu vanuit het Westen maar weinig naar het Midden gereisd. Ik heb vrienden in Berlijn die elk jaar naar Italië trekken. Hoewel Berlijn slechts op een boogschot van de Poolse grens ligt, zijn ze nog nooit op het idee gekomen om naar Stettin, Breslau of Oppeln te gaan. Pommeren en Silezië zegt ze weinig of niets. Hoe zou je dan van de Belgen, de Fransen en de Nederlanders kunnen verwachten dat ze de EU-toetreding van de Midden-Europese landen verwerkt zouden hebben? Wat er ook van zij, die bemiddelende rol van de joden werd toch niet geapprecieerd in het Midden-Europa van de negentiende en begin twintigste eeuw? Piet de Moor: Ik wil dat tijdperk zeker niet idealiseren, want destijds waren de meeste Midden-Europese landen inderdaad al aangetast door het gif van het antisemitisme dat door kerk en staat werd aangemoedigd. Maar het valt toch wel te betreuren dat het Duits, dat ooit door een Joegoslavische filosoof de pan-Slavische taal van het Midden werd genoemd, als Europese lingua franca is ondergegaan. Waar intellectuelen uit Boedapest, Belgrado, Praag en Wenen elkaar voor de oorlog ontmoetten, bedienden ze zich van de Duitse taal die tot in Wit-Rusland, West-Oekraïne en zelfs Rusland gesproken werd. Een Oostenrijkse massamoordenaar zorgde ervoor dat het Europese Duits in Midden- en Oost-Europa het statuut kreeg van een dode taal en dat het Jiddisch werd uitgeroeid omdat de mensen die deze taal spraken werden vergast en verbrand. En bovendien was de Duitse taal door de nazi’s vergiftigd? Piet de Moor: Ja, door groteske afkortingen, door het perverteren van het idioom, door het vergiftigen van woorden die niets misdaan hadden, allemaal linguïstische ontwrichtingen die de Duitse romanist Victor Klemperer in zijn studie Lingua Tertii Imperii heeft ontleed. Zelfs het gebruik van een onschuldig woord als ‘betreuen’ was na de oorlog problematisch, want ‘dit zorgen dragen voor’ kon onder het Hitlerregime van alles betekenen, ook een doodvonnis. Paul Celan heeft ooit eens gezegd dat de Duitse taal na de oorlog met het allerduisterste in het geheugen niet meer de taal kon spreken die menig welwillend oor nog steeds van haar leek te verwachten. Om te herstellen moest het naoorlogse Duits volgens Celan een grauwere taal worden. De Duitse essayist en journalist Sebastian Haffner heeft in zijn jeugd de opkomst van het nazisme en de gevolgen ervan voor de joden beschreven in zijn boek Het verhaal van een Duitser. Waarom was hij zo een fervent tegenstander van Hitler? Piet de Moor: Zijn vriendin was joods natuurlijk. Maar Sebastian Haffner behoorde daarvoor al tot de weinige lucide mensen die al vroeg konden ruiken dat Hitler een misdadiger was. In zijn Het verhaal van een Duitser zegt Haffner letterlijk dat zijn neus hem voor de nazi-verleiding heeft behoed: als je vindt dat een zaak stinkt, moet je over de aard van de stank niet meer discussiëren. Want een stinkdier kun je niet verhinderen te stinken, ook al houd je het onder de kraan. Maar de Duitsers vonden dus van niet. Haffner vond het onbegrijpelijk dat Hitler, die voorstad-Wener met zijn pooierkapsel en zijn valse elegantie zelfs de kosmopolitische Berlijners kon verleiden. De Duitsers begonnen de politieke moorden van de nazi’s uit te leggen als kwajongensstreken. Dat bagatelliseren van moord was voor de gewetensvolle Pruisische jurist die Haffner was, een voorteken dat het slecht af zou lopen met de Duitsland en de Duitsers. Op de een of andere manier lijken de mensen moord niet zo erg te vinden als ze maar de indruk hebben dat de moordenaars niet moorden om persoonlijk gewin, maar vanuit hun overtuiging dat moorden goed is voor het land. Dat is fataal natuurlijk. De Duitse politieke partijen en hun leiders hebben niet geprobeerd Hitler af te voeren. De meerderheid van de Duitsers was tegen Hitler, ook toen Hitler door toedoen van de burgerlijke partijleiders en toppolitici al aan de macht gekomen was. Bij de parlementsverkiezingen van 5 maart 1933 – amper een maand nadat Hitler kanselier geworden was – stemde nog 56 procent van de Duitsers tegen de nazi’s. Haffner heeft erop gewezen dat niemand zich dit nu nog lijkt te herinneren. De Duits-Poolse literaire criticus Marcel Reich-Ranicki, ook een jood, vertelde u dat in Duitsland de Verlichting mislukt is. Wat bedoelde hij daarmee? Piet de Moor: In vele Duitse scholen werd er door de leraars op los geslagen. Dat riep bij de kleine jongen die Marcel Reich-Ranicki in de jaren dertig was, een angst op die hem later zijn hele leven achtervolgde: angst voor de knuppel, voor het concentratiekamp, voor de gaskamer, voor het Duitse barbarendom. Persoonlijk denk ik dat de Verlichting niet alleen in Duitsland is mislukt. Polen, Hongarije en Oostenrijk zijn even goed voorbeelden van naties waarin de Aufklärung heeft gefaald. Ik ben geen antiklerikaal, maar ik ben er toch van overtuigd dat de kerk en de katholieke intellectuelen daarin een erg kwalijke rol hebben gespeeld. Polen is daar een goed voorbeeld van. Wie een goede indruk wil krijgen van de stortvloed Poolse antisemitische propaganda die door bekrompen katholieke intellectuelen in de laatste decennia van de negentiende eeuw werd uitgestort, moet er het document In de tuin van het geheugen van de Pools-joodse schrijfster Joanna Olczak-Ronikier maar eens op naslaan. In deze Pools-joodse familiegeschiedenis citeert de auteur lukraak de opruiende antisemitische stukken die in duistere katholieke bladen verschenen. In de Weekkronieken was het dagelijkse kost om over de joden te lezen: ‘Joods-zijn staat niet zozeer voor afkomst en religie, maar veeleer voor domheid, hoogmoed, separatisme, ledigheid en woeker’. Van kindsbeen af moesten de Poolse joden de smadelijkste scheldwoorden van de katholieke intellectuelen slikken, redeloze beschuldigingen van sluwheid, hebzucht, lafheid, meedogenloosheid en gebrek aan loyaliteit. Dat gif sijpelde in alle lagen van de Poolse bevolking door, natuurlijk ook in de huizen van de boeren op het platteland waar bekrompen pastoors vanaf de kansel hun pijlen op de ‘Godsmoordenaars’ richtten. Moet je dan verbaasd zijn dat zovele Poolse boeren zich niet lieten pramen toen de nazi’s hen uitnodigden om hun joodse buren aan hun rieken te rijgen en hun kinderen in brand te steken, zoals dat in het Poolse dorp Jedwabne in 1941 is gebeurd? Daarover heeft de Poolse historicus Jan T. Gross de documentaire studie Buren geschreven, een boek dat zo gruwelijk is dat het een foltering is om het te lezen. Hoe is het zover kunnen komen? Piet de Moor: Ik vermoed dat de Hongaarse schrijver en Nobelprijswinnaar Imre Kertész dicht bij de waarheid komt als hij in Schemerland zegt dat je een lijn kunt trekken van de methoden die in de internaten gebruikt werden en Auschwitz. Ik vermoed dat de Verlichting mislukt is omdat ouders, opvoeders, scholen, internaten en kerken een verkeerd beeld hadden van de pedagogie. Ik vrees dat de Verlichting voor de eerste keer in de geschiedenis duidelijk heeft gemaakt dat het complexer worden van de wereld geen waarborg is dat iedereen – ondanks een betere scholing – die wereld beter gaat verstaan, wel integendeel. Dat is de paradox van de Verlichting. Het slaan met de regel of de knuppel is voor mij daarom meer dan zomaar een beeld van het mislukken van de Aufklärung. Imre Kertész gaat nog een stap verder als hij probeert aan te tonen dat – aangezien de voedingsbronnen niet zijn opgedroogd – Auschwitz nog niet voorbij is, maar zich achter altijd andere maskers opnieuw manifesteert. Daarom irriteert het Kertész mateloos dat de vertegenwoordigers van de heersende cultuur zich niet bekommeren om de doelstellingen van die cultuur, dat ze de samenhangen tussen de heersende cultuur en de holocaust uit sentiment, commerciële overwegingen en gemakzucht niet willen zien, niet willen begrijpen en zelfs bewust verzwijgen en negeren. Voor de volwassen verteller uit Kertész’ roman Kaddisj voor een niet geboren kind was het internaat met al zijn autoritaire vormen van koeioneren, eufemistisch ‘pedagogie’ genoemd, een voorafspiegeling van Auschwitz, zoals de stalinistische samenleving er achteraf ook een variant van was. Auschwitz is voor die verteller niet meer dan de wanstaltige uitwas van de deugden die men hem vanaf zijn eerste kinderjaren heeft proberen bij te brengen, want reeds in die tijd, in zijn kinderjaren, toen zijn opvoeding ‘ter hand werd genomen’, begonnen de mensen hem op wrede wijze te vernietigen en begon zijn wanhopige strijd om te overleven, aldus het alter ego van Kertész. U sprak ook met de Oostenrijkse Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek. Zij is van mening dat Oostenrijk het land van de daders bij uitstek is. Waarom zegt ze dat? Piet de Moor: Dat is een lang en gecompliceerd verhaal, maar samen met de scherpzinnige Weense essayiste Ruth Klüger die haar hele leven over die kwestie heeft gepubliceerd, zou ik zeggen dat het Oostenrijkse antisemitisme toch bijzonder was. Het bepaalde de geestelijke ontwikkeling van zowel Theodor Herzl, de vader van het zionisme, als van Adolf Hitler, de vernietiger van de Europese joden. In de moderne geschiedenis van de diaspora was de jodenvijandigheid van Oostenrijk volgens Klüger veel meer dan een onbetekende provinciale variant van een Europese ziekte, want veel meer dan in Duitsland bekleedde het antisemitisme dé centrale plaats in de Oostenrijkse samenleving en in het politieke debat. Natuurlijk, ook de Duitsers scholden op de joden, de werkman even goed als de grote schrijver Theodor Fontane. Tot in de Duitse badplaatsen werden de joden uitgekotst en vele strandhotels afficheerden fier dat ze geen joden opnamen. Maar toch had het antisemitisme in Oostenrijk een ander, heviger en politieker temperament dan in Duitsland. In de tweede helft van de negentiende eeuw leed het liberalisme in Oostenrijk een beslissende nederlaag en werd het antisemitisme tot het partijprogramma van rechts verheven. In Oostenrijk zag je een ontwikkeling die zich in Duitsland niet had voorgedaan: de jodenvijandschap werd tot een ideaal uitgeroepen en er werd aan toegevoegd dat het antisemitisme de christelijke wereld van al het kwaad zou bevrijden, inclusief van armoede en zonde. Dat fundamentalistische Oostenrijkse antisemitisme was wellicht toch wel uniek in Europa. Natuurlijk mogen we ook niet vergeten dat Hitler een Oostenrijker was en dat hij die extreem anti-joodse boodschap uit Oostenrijk mee naar Duitsland nam. Evenmin mogen we uit het oog verliezen dat de massa van de Oostenrijkers, die de Anschluss bij het Duizendjarige Rijk had bejubeld en veel mankracht voor het Derde Rijk had geleverd, direct na de oorlog in de rol van het slachtoffer kroop en de leugen begon te verspreiden dat Oostenrijk door de nazi’s overvallen was. Onder het gejodel, de Lederhosen en de edelweiss bleef het antisemitisme een hardnekkig leven leiden in Oostenrijk, tot op de dag van vandaag. In zijn roman Onbepaald door het lot beschrijft Imre Kértesz hoe hij als kind op een dag in het kamp gered werd door een onderwijzer die hem zijn voedselrantsoen gaf. Waarop de auteur zegt dat alleen een mens in staat is om de kracht voor zo’n daad op te brengen. Dat lijkt me ondanks alle verschrikkingen nog een hoopvolle uitspraak… Piet de Moor: Het is wonderbaarlijk hoe kwetsbaar en hoe taai een mens tegelijk kan zijn. In Schemerland ontpopt de Hongaarse schrijver György Konrád zich ook als een overlever, maar een intelligente en gevoelige. Konrád is het levend bewijs dat je met tegenslagen productief om kunt gaan, dat je ze moreel en artistiek kunt verzilveren door er inspiratie en kracht uit te putten. Ook later heeft Konrád altijd beseft dat de minder comfortabele periodes in zijn leven – een tijdlang was hij zelfs psychiatrisch hulpverlener – voor zijn schrijverschap niet nutteloos zijn geweest. Met tegenslag probeerde hij soeverein om te gaan, wat hem tamelijk immuun maakte voor het geschetter van de kermis der ijdelheden. Als kind van een elf ontsnapte Konrád ternauwernood aan de gaskamer. De dag nadat hij samen met zijn zusje uit zijn dorp naar Boedapest was gevlucht, werden al zijn joodse vriendjes opgehaald en naar Auschwitz gedeporteerd. Van die tweehonderd joodse kinderen die uit zijn dorp verdwenen, zag Konrád er geen een terug. Zijn ouders overleefden het wél, maar het was nooit meer hetzelfde. Zijn vader zei geregeld: ‘Die twee gangsters hebben me alles ontnomen.’ Hij bedoelde daarmee natuurlijk Hitler en Stalin. Maar toen zijn vader dat zei, bedoelde hij niet alleen dat hij zijn bezit was kwijtgeraakt. De vader doelde op de vele familieleden die hij in de kampen had verloren. Maar zelfs als de deur potdicht is, is er soms nog ruimte voor een streepje licht dat door de kieren van die deur schijnt. In uw vraag hebt u het over de leraar die een ziek jongetje in het nazi-kamp zijn portie eten overhandigde waardoor dat jongetje van de dood werd gered. Dat was inderdaad een heldhaftige daad van die leraar, want hij zette zijn eigen overleven op het spel. Kertész schrijft dat dit een wonder was, omdat alleen een mens is in staat om de kracht voor zo’n goede daad op te brengen, alleen een mens, geen God, geen Jaweh en geen Allah, maar alleen een mens. Dat de mens tot veel kwaads in staat is, verbaast Kertész niet. Integendeel, hij verbaast er zich juist over dat de mens, tegen zijn eigenbelang in, ook in staat is tot het goede. Kunt u zelf nog geloven in een God? Piet de Moor: Ik ben niet met God bezig. De 19e-eeuwe Franse filosoof Ernest Renan vatte het mooi samen in de uitspraak: ‘Tout est possible, même Dieu’. Het leven is niet minder de moeite waard omdat het absurd is. Door tegen de domme krachten van het leven in te gaan, kun je op de duur ook wel een zeker evenwicht bereiken, zolang de tegenslagen maar geen lawine worden waaronder je vermorzeld wordt. De zonnige, Algerijnse wanhoop van Albert Camus spreekt me aan, terwijl ik me althans voorlopig afstand neem van de gepekelde wanhoop van de Hongaarse schrijver Sándor Márai, die zich, geplaagd door zijn te grote luciditeit, op zijn negenentachtigste een kogel door het hoofd joeg. In mijn wereld heeft ook de wanhoop alle kleuren van de regenboog. Het inzicht en de aanvaarding van het absurde doet geen afbreuk aan het avontuur en het mysterie van het leven. Als u dan toch zou aandringen om me een beeld van God te vormen, moet ik zeggen dat ik me hem alleen maar kan voorstellen als een donkere wolk aan de heldere hemel van de luciditeit. Opvallend is dat u in Schemerland naast historische ook uit veel literaire bronnen en romans citeert. Waarom doet u dat? Piet de Moor: Door de letteren kun je een diagnose stellen van alle ziekten waaraan een volk lijdt. Ik heb nooit een grote reportage ondernomen zonder me eerst te verdiepen in de letteren van het land dat ik bezocht. Je krijgt er atmosfeer en intuïties gepresenteerd die je nergens anders vindt. In de grote literatuur is een zonderlinge chemie aan het werk die de feiten belicht op een manier waarop wetenschap en rationaliteit geen vat hebben. Daarom heb ik absoluut geen begrip voor mensen en zelfs schrijvers die beweren dat de roman dood is. Maar ik vind de nieuwe overlijdensverklaring van de roman dom en reactionair. Kijk, Arthur Schnitzler is in zijn autobiografie Jeugd in Wenen nogal optimistisch over het lot van de joden in Oostenrijk. In dat boek, dat hij in 1920 afsloot, zegt hij ergens dat er een tijd zal aanbreken dat niemand nog zal begrijpen waarom zijn tijdgenoten zo bezeten waren van het antisemitisme en dat het probleem zich wel vanzelf zou oplossen. Daarom is het juist zo verrassend dat Schnitzler in zijn romans en verhalen, waarin hij zijn fantasie en zijn intuïtie de vrije loop kan laten, over de jodenkwestie veel pessimistischer is dan in de nuchtere schets van zijn levensloop. Op het einde van Schemerland haalt u uit naar begrippen als identiteit, de natie en het eigen-volk-eerstprincipe. Is dat uw conclusie van twintig jaar omzwervingen in Midden-Europa? Piet de Moor: Ik ben een overtuigde antinationalist. Eigenlijk is het nog een symptoom van het mislukken van de Verlichting dat de grappige antinationalistische boodschap van Gustave Flaubert nog altijd niet is doorgedrongen. Flaubert pleitte ervoor om de mens zijn eigen nationaliteit te laten kiezen, afhankelijk van de plek waartoe hij zich aangetrokken voelt. Op de vraag wat hij het liefst zou zijn, antwoordde Flaubert dat hij het liefst een on-Franse vrouw met trekken van een kameel of van een beer wilde zijn en dat hij zich van alles wilde voelen – Chinees of Arabier – als het maar geen Fransman was. Het idee van een vaderland, de verplichting een stukje van de aarde dat met rood of blauw is afgebakend te moeten loven en andere hoekjes die groen of zwart zijn te moeten haten, heeft hij altijd bekrompen, geborneerd en volkomen stupide gevonden. Flaubert was een broeder in God van al wat leeft, van de giraffe en de krokodil, en zelfs van de mens. Kunnen we uit al die geschiedenissen die u vertelt en uit de Geschiedenis zelf iets leren? Piet de Moor: Natuurlijk. Zoals gezegd is Hitler in de eerste plaats door de Duitse politici salonfähig gemaakt, en pas daarna door de kiezers. In Vlaanderen kunnen we daaruit leren dat het cordon sanitaire tegen het Vlaams Blok wel degelijk werkt, en dat het blijft werken zolang de Vlaams Blokkers – ik blijf ze zo noemen – niet in een regering zitten. Het cordon zal niet meer werken op het moment dat de politici die zeggen dat het niet meer werkt hun slag binnenhalen. Maar dat ‘niet-werken’ berust dan niet meer op de feiten, maar op de interpretatie van die feiten en wellicht ook op het voordeel dat men met die interpretatie voor zichzelf denkt te kunnen behalen. Het zijn toch altijd de leerling-tovenaars die de razende kracht van de bezems in werking zetten en vervolgens hard weglopen voor de catastrofe die ze hebben uitgelokt. Zo simpel is het. Net zoals Haffner de misdadigheid van Hitler kon ruiken, kunnen we allemaal ruiken dat de Vlaams Blokkers niet deugen. Dat is geen kwestie van verstand, maar van een goede neus. De Vlaams Blokkers doen altijd een beroep op de Europese beschaving, maar ze zijn er altijd en overal als de kippen bij om de geest van de Europese beschaving te verminken. Ze pleiten voor de naleving van de wetten, maar door de rechters fysiek in hun habeas corpus te bedreigen, ontmaskeren ze zichzelf als de belagers van de geest van de wet. Ze beroepen zich op een democratische meerderheid die ze niet eens hebben, en die ze, als ze haar toch zouden hebben, meteen zouden gebruiken om de geest van de beschaving de nek om te draaien. Want dat ze zich tot niets anders geroepen voelen, dat bewijzen ze elke dag opnieuw. De Vlaams Blokkers verzwijgen natuurlijk dat de formele democratie van de numerieke meerderheden niets waard is, als ze niet op een systeem van waarden berust, en de Blokkers zwijgen daarover omdat ze het precies op die waarden hebben gemunt.
Piet de Moor Linksmailto:verhofstadt.dirk@pandora.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|