Heeft u zich ooit afgevraagd waarom mensen zo gek zijn op honden en katten en slechts een enkeling een leguaan als huisdier houdt? Nou, vieze beesten, denkt u wellicht, met die zwabberende lel onder hun groene kop, maar volgens Frans de Waal zit er meer achter, en wel empathie, het vermogen dat zoogdieren hebben om zich in een ander in te leven. “We houden van die dieren omdat we hun gevoelens begrijpen en zij de onze,” zegt hij, “en dat schept een band, wat met een leguaan toch iets moeilijker ligt.” In zijn nieuwste boek, Een tijd voor empathie, houdt de vermaarde primatoloog een pleidooi voor de erkenning van de empathische component in onze eigen natuur. Net als mensapen, dolfijnen en olifanten zijn wij in staat ons ten volle in te leven in de emoties van anderen. Wij huilen, troosten en bemoederen, en als wij dat niet zouden doen waren wij wellicht al lang uitgestorven. “Een vrouwelijk zoogdier moet snel reageren op de noodkreten van haar jong,” gaat de Waal daarop in, “Als ze dat niet doet verliest ze het. We hebben hier dus te maken met een heel oude vorm van selectie, gericht op empathie of gemoedsoverdracht tussen kind en moeder bij zoogdieren. Dat verklaart misschien ook waarom vrouwen empathischer zijn dan mannen en waarom oxytocine een effect heeft op empathie. Dit is een heel oud zoogdierenhormoon dat betrokken is bij de moederzorg. Het wordt bijvoorbeeld gegenereerd bij het zogen, en wanneer een vrouw niet snel genoeg bevalt, wordt er oxytocine toegediend. Het verband met empathie wordt duidelijk wanneer je mensen samenbrengt in een ruimte en je hen laat samenwerken, dan blijkt dat ze door een beetje oxytocine neusspray meer vertrouwen hebben in elkaar en het werk dus beter opschiet.” Empathie kan best interessant zijn in je eigen kleine groep, maar waarom voelt een mens empathie voor een aangespoelde walvis? Frans de Waal: Oorspronkelijk stamt onze empathie dus uit de moederzorg. Daarna heeft ze zich verspreid naar andere relaties, zoals broertjes en zusjes bijvoorbeeld. Maar dat is nooit echt heel ver gegaan. Empathie voel je dus eerder voor leden van je eigen groep dan voor buitenstaanders. En toch komt die soms voor, en wel als je je het kunt veroorloven. Als je tot een rijke samenleving behoort zoals de onze en er spoelt een walvis aan op het strand, dan denk je niet meteen: wat een mazzel, die gaan we opeten, wat we een paar honderd jaar geleden natuurlijk wel gedacht zouden hebben. Nee, vandaag denken we: wat jammer, die moeten we terugzetten in de zee. En zo voelen we ook empathie voor wildvreemden, maar van zo gauw er competitie ontstaat, of oorlog, is dat soort empathie weer verdwenen. Dan blijft alleen de trouw aan de groep nog over. In hoeverre zitten we vast aan die empathie? Frans de Waal: We kunnen onze empathie reguleren of zelfs uitschakelen. Stel dat je over straat loopt en je ziet iemand die in grote problemen is. Dan kun je wel empathisch reageren, maar of je die persoon ook daadwerkelijk gaat helpen moet je daarna nog beslissen. Misschien ben je wel op weg naar je tante die een groot feest geeft en heb je geen tijd om die man of vrouw te helpen. Dan krijg je dus rationele zelfzuchtige overwegingen die je empathie niet in een actie laten uitmonden. Een cynicus die dit leest denkt wellicht: wat een naïeveling, een mens streeft toch alleen maar zijn eigenbelang na? Frans de Waal: Inderdaad, maar empathie maakt deel uit van dat eigenbelang. Neem nu de moederzorg waaruit empathie ontstaan is, die beschouwen wij biologen als eigenbelang. In de kleine gemeenschappen waar de empathie daarna begon te werken diende zij ook het eigenbelang. Stel dat ik in een kleine jagersgemeenschap leef en ik regelmatig op jacht ga met vijf andere kerels. Ik heb er dan belang bij dat die kerels in goede gezondheid zijn, want ik ben afhankelijk van hen. Mijn verhouding met hen is dus enerzijds gebaseerd op empathie, maar dat is niet gedissocieerd van mijn eigenbelang. Het hele onderscheid tussen zelfbelang en empathie of altruïsme is in feite een beetje vals, want die lopen altijd in elkaar over. Stel dat jij in een rivier gevallen bent en dreigt te verdrinken. Dan heb ik de keuze tussen erin springen en je redden, hetgeen een empathische reactie is, of ik kan weglopen. Mijn impuls om je te redden spruit voort uit je geschreeuw en je gespartel. Als ik jou help, los ik zo ook mijn eigen interne problemen op. Je zou mijn reddingsactie dus kunnen uitleggen als louter en alleen bedoeld om mijn eigen geweten te sussen. Bovendien kom ik ’s avonds wellicht op tv, zegt iedereen hoe bijzonder ik ben en krijg ik misschien wel een lintje van de koningin. Je kunt dus een heel verhaal opzetten waarom dit een zelfzuchtige actie zou zijn, maar ik had ook gewoon weg kunnen lopen. En als ik dat gedaan had, had iedereen ook gezegd dat ik zelfzuchtig was. Persoonlijk vind ik dat je een onderscheid moet maken tussen deze twee reacties, want als ze allebei zelfzuchtig zijn, zeg je in feite niets meer. Dan is alles zelfzuchtig en heeft de term eigenlijk geen waarde meer. Ik zou zeggen dat de beide reacties een zelfzuchtig element hebben, maar als je zelfzucht zich op anderen richt en een empathische of altruïstische uitingsvorm heeft, moeten we die onderscheiden van een louter op het ik gerichte zelfzucht. Alles zelfzuchtig noemen is cynisch en dat helpt je geen stap vooruit, maar als je evolutionair spreekt moet je toegeven dat empathie is ontstaan uit eigenbelang, zelfs al kunnen we haar nu dat we haar hebben, ook toepassen in situaties die ons eigenbelang niet dienen. Als we een aangespoelde walvis helpen en heel veel moeite doen om hem terug de oceaan in te krijgen, zie ik niet in hoe dit ons eigenbelang precies dient. Maar empathie is natuurlijk ook niet ontstaan om andere soorten te helpen. Daar kunnen we haar vandaag wel op toepassen, op situaties die niets te maken hebben met het ontstaan ervan. Oké, zou die cynicus dan zeggen, empathie is dus een doorgeschoten impuls. Frans de Waal: Dat zou hij inderdaad kunnen zeggen, net zoals de kerk zegt dat seks alleen maar dient om ons voort te planten. Dat kunnen ze ons vertellen, maar daar trekken we ons natuurlijk niet veel van aan. En lekker eten moet je dan ook niet meer doen. Je hoeft immers alleen maar calorieën en vitaminen binnen te krijgen. Lekker hoeft dat niet te zijn. Het is dus mogelijk de maatschappij te veranderen door een andere empathieregulering in te voeren? Frans de Waal: Als je een samenleving wil baseren op competitie kun je dat doen, en dan krijg je een harde samenleving waarin mensen elkaar als concurrenten zien. Wil je haar baseren op samenwerking, dan kun je dat ook, en dan krijg je wellicht mensen die meer bereid zijn om elkaar te helpen. Wie aan de Californische universiteit van Berkeley studeert, krijgt bij aanvang te horen dat 30 procent van de eerstejaars af zal vallen. Alleen de besten gaan door. Het resulaat is een enorme competitie onder de studenten. Als een medestudent je vraagt of hij je notities mag kopiëren, geef je die dus niet, maar zeg je: ‘da’s nou jammer, je had maar in de les moeten zijn’. Dat is de atmosfeer die je zo creëert, een competitieve in plaats van een coöperatieve, en dat kun je ook met de samenleving doen. We moeten kiezen, en aangezien we sociale primaten zijn die in groepsverband leven en geen honderd procent competitieve wezens, moeten we daar wel rekening mee houden bij de vormgeving van onze samenleving. In Europa doet men dat, maar in de V.S. veel minder. Daar zitten heel veel conservatieven die denken dat pure competitie en zelfzucht voldoende zijn om een goede samenleving te hebben. In Europa zul je bijvoorbeeld maar heel weinig mensen horen opmerken dat ze niet willen betalen voor de gezondheidszorg of de opleiding van anderen omdat dat persoonlijke zaken zijn waar iedere voor zich moet voor zorgen. Wie dat hier zegt is een extremist, terwijl dat in Amerika een algemeen aanvaard argument is in de discussie over waar het met de overheid naartoe moet. Doordat een jaar geleden de economie in elkaar is gestort worden er opeens andere vragen gesteld en is het hele land bezig zich te heroriënteren, inclusief de Republikeinen. De Amerikanen zijn nu klaar voor een ander model. Ze weten nog niet precies wat dat gaat worden en hoe dat moet, maar het debat over de gezondheidszorg is daar zeker een symptoom van. Zijn de Republikeinen niet rationeel te overtuigen dat het voor een maatschappij in haar geheel beter is als iedereen gezondheidszorg heeft? Frans de Waal: Dat is in feite het argument dat je naar voor moet schuiven. Empathie helpt je om die beslissingen te nemen, want je ziet op tv iemand die ziek is en geen verzekering heeft en je gaat met hem meevoelen. Dat kan je helpen overtuigen, maar het doorslaggevende argument zal toch beroep doen op de zelfzuchtige reflex van de mens, door te stellen dat als er niets gebeurt om de gezondheidszorg algemeen te maken iedereen in de problemen zal geraken. In feite zegt die natuurlijke aanleg voor empathie ook veel over onze moraal. Vanouds hebben wij het idee dat we de Verlichtingsidealen van gelijkheid, broederlijkheid en vrijheid zelf bedacht hebben, maar in feite doen we door hen na te streven niet meer dan onze natuur volgen, zegt u. Frans de Waal: Het beeld van de moraliteit dat we sinds Kant hebben, is dat wij rationeel beslissen wat goed en kwaad is. Alle onderzoek dat aan de mens gedaan is door zowel psychologen als neurowetenschappers zegt echter het tegengestelde. Wanneer je iemand een moreel dilemma voorschotelt, reageert hij daar grotendeels intuïtief op, waarna er een rationele justificatie volgt. Als je in ons hoofd kijkt zie je dat er heel oude hersendelen betrokken zijn bij het nemen van morele beslissingen, wat emotionele delen zijn. Een essentiële component van onze moraliteit heeft dus een heel lange geschiedenis. En daar wil ik niet mee zeggen dat een muis een moreel wezen is, natuurlijk niet, maar wel dat het diertje een gevoeligheid voor empathie met ons deelt. Het idee dat we zelf met onze rede tot het besef van goed en kwaad zijn gekomen is dus voorbijgestreefd. Het komt er voor hedendaagse filosofen dus op aan de neurologie in de gaten te houden, en de primatologie natuurlijk, ook al vinden ze dat misschien beneden hun stand. U heeft niet alleen empathie vastgesteld bij mensapen, maar ook een aanleg voor rechtvaardigheid. Zij willen bijvoorbeeld dat voedsel eerlijk verdeeld wordt. Frans de Waal: Economen hebben aangetoond dat de mens heel gevoelig is voor eerlijk delen. In Amerika zie je bij een groot deel van de bevolking vandaag een woedende reactie ontstaan tegen de exuberante bonussen die de banken aan hun toplui uitbetalen. Er wordt gescholden op straat en gedreigd met van alles en nog wat. En dat is natuurlijk best te begrijpen. Er is immers aangetoond dat mensen zo gevoelig zijn voor rechtvaardigheid dat ze liever niets hebben dan een onrechtvaardig klein deel. De onderzoekers die dat ontdekten gebruikten daarvoor het ultimatum game. Het idee is dat wij samen een bepaald bedrag mogen delen, zeg bijvoorbeeld twintig euro, en dat de deal pas doorgaat als wij beiden akkoord gaan. Stel nu dat ik jou een euro geef en er negentien voor mij hou, dan zul jij heel ontevreden zijn en die deal weigeren. De onderzoekers ontdekten dat mensen het liefst elk de helft hebben en willen gaan tot 60/40. Anders wordt het voorstel niet aanvaard. Economen noemen dat een irrationele reactie want in feite zou ik ieder voorstel moeten accepteren. Wanneer ik weiger, krijg ik immers niets en één euro is beter dan geen euro. Maar zo zijn wij niet. Het ultimatum game is nooit helemaal gespeeld met apen omdat dit niet doenbaar is, maar wij hebben wel gevonden dat zij gevoelig zijn voor rechtvaardigheid en dat ze hun eigen deel opgeven wanneer ze vinden dat iets niet eerlijk verdeeld is, wat dus dezelfde irrationele reactie is die we bij mensen zien. Onlangs is hetzelfde proefje met honden gedaan, en ook daar kregen we dezelfde uitkomst. Ik ben het trouwens niet eens met de economen die dit een irrationele reactie noemen, want als je een samenwerkende en -levende soort bent moet je erop letten wat je krijgt. Stel dat wij samen regelmatig gaan jagen en jij neemt altijd een veel groter stuk vlees dan ik, dan moet ik misschien maar kijken of ik niet iemand anders kan vinden om mee op jacht te gaan. Irrationeel is dat in feite allerminst. We zijn dus heel erg op rechtvaardigheid gesteld zolang we zelf het slachtoffer dreigen te worden van onrechtvaardigheid. Frans de Waal: Ons gevoel voor rechtvaardigheid is inderdaad asymmetrisch. We zijn veel gevoeliger wanneer we minder krijgen dan iemand anders dan wanneer we meer krijgen dan die ander. Een volledig ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel zou ons ook doen protesteren als we te veel krijgen, en dat is minder ontwikkeld bij de mens, maar het bestaat wel. Volgens mij is dat vooral te verklaren door de vrees dat we later problemen zullen krijgen omwille van die oneerlijke verdeling. Stel dat we allebei honger hebben. Er ligt hier een pizza en ik snij daar voor jou een punt uit en neem de rest op mijn schoot, dan krijgen wij problemen. En als wij chimpansees waren kregen wij wellicht zelfs een slaande ruzie. Vandaar dat ik jou dus een groter stuk geef, of misschien zelfs de helft. Zo voorkom ik die problemen. Bij een experiment gaven we een vrouwelijke chimpansee enorm veel eten en de rest niets. Zij wou echter niet eten voor we het voedsel verdeeld hadden. Ik zie daar echter niet meteen een puur altruïstisch motief in, maar eerder de capaciteit om te anticiperen op wat er later zal gebeuren. Want als het vrouwtje alles aanvaardt, krijgt ze later geheid op haar kop.
Frans de Waal LinksMailto:marnixverplancke@skynet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|