Winkelcentra symboliseren de leegte van het leven

interview vrijdag 02 mei 2008

Catherine O’Flynn

Catherine O’Flynn schreef het Britse debuut van het jaar. Wat verloren is gaat over een tienjarig meisje dat spoorloos verdwijnt in een gigantisch winkelcentrum, maar zij is niet de enige die verloren gaat in dit boek. Samen met haar verdwijnen liefde, vertrouwen, een landschap en uiteindelijk ook een manier van leven. Interview met Marnix Verplancke.

“Wanneer er kinderen voorkomen in boeken van volwassenen blijken die praktisch nooit over een eigen persoonlijkheid te beschikken”, klaagt Catherine O’ Flynn, “Zijn ze geen symbool van onschuld dan zullen ze wel een slachtoffer worden. Ik wou echter een kind beschrijven dat echt en levendig was.” En daar is ze perfect in geslaagd. Kate, het tienjarige meisje dat centraal staat in het eerste deel van Wat verloren is, woont bij haar oma Ivy en heeft iets met detectives. Toen haar vader nog leefde kreeg ze Het Grote Detectiveboek van hem cadeau en daarin stond hoe ze misdaden kon oplossen en voorkomen. Ze richtte niet veel later Falcon Investigations op, genoemd naar The Maltese Falcon, en vond een assistent in haar knuffel Mickey Monkey. Samen zitten ze na schooltijd en in het weekend in het winkelcentrum Green Oaks de mensen te bekijken en als Kate iets verdachts ziet maakt ze er een notitie van in haar kleine opschrijfboekje. De eerste opdracht die Falcon Investigations ooit uitvoerde was de beveiliging van het krantenwinkeltje verderop in de straat waar ze woont, een opdracht die ze voor een halve pond had uitgevoerd en dus niet echt winstgevend was geweest maar, zo besefte de kleine Kate, haar wel een uitstekende referentie had opgeleverd. En haar in contact had gebracht met Adrian natuurlijk, de ietwat zonderlinge zoon van de eigenaar van het winkeltje die een wel bijzonder grote interesse lijkt te hebben voor het meisje. Op een dag verdwijnt Kate. Ze is het laatst gezien met Adrian, toen die haar begeleidde naar een ingangsexamen van haar nieuwe school. De jongeman is daardoor natuurlijk verdachte nummer een, en niet veel later verdwijnt ook hij spoorloos.

Twintig jaar later zit beveiligingsagent Kurt in Green Oaks op een nacht naar zijn muur vol tv-schermen te kijken wanneer hij plots een klein meisje ziet met een apenknuffel in de hand. Kate is back, zo lijkt het, maar veel meer dan haar aapje, opgeraapt door Lisa, de winkelmanager van een platenzaak - en toevallig ook de zus van Adrian -, wordt er niet van haar aangetroffen. O’Flynn weet op ongeëvenaarde wijze de sfeer van een groot winkelcentrum weer te geven, wat natuurlijk te verklaren is doordat ze jarenlang in zo’n centrum heeft gewerkt. Ze kent de leegte ’s ochtends vroeg en ’s avonds laat, liep zelf door de eindeloze gangen en opslagruimtes waar je als klant nooit iets van te zien krijgt en weet welke door het leven getekende mensen er soms hun toevlucht zoeken. Een typische figuur is bijvoorbeeld Gavin, een simpele man die aan de slag kon als nachtwaker en zijn hele leven rond Green Oaks heeft ingericht. Hij weet dat dit het grootste winkelcentrum van het land is, met een oppervlakte van 140.000 vierkante meter en maar liefst 18 kilometer servicegangen. Hij kan je urenlang vertellen over de verschillende bouwfasen en houdt bij hoeveel doden er gevallen zijn en hoeveel geboortes er hebben plaatsgevonden. Hij maakt foto’s van ongebruikte ruimtes en een film waarin je niets anders te zien krijgt dan eindeloze, lege passages.

Het innemendste personage uit het boek is ongetwijfeld Kate, die je met haar enthousiasme en fantasie totaal inneemt en doet beseffen dat je ook wel zo’n dochtertje zou willen. “Tot ze verdwijnt natuurlijk”, voegt O’Flynn daar laconiek aan toe, “Kate komt uit mijn eigen kindertijd. Ik wou ook een kleine detective zijn, alleen was ik maar half zo professioneel als haar natuurlijk. Ik had geen kantoor, maar ik was wel dol op het boek Clues and Suspects dat je opdroeg vreemde mannen te volgen in duistere steegjes, een raad waarvoor je vandaag in de gevangenis zou kunnen belanden wellicht. Maar Kate is meer dan dat. Ik wou haar ook iets meegeven van hoe kinderen in het algemeen zijn. Zij vinden heel andere zaken belangrijk dan volwassenen en kunnen totaal opgaan in fantasieën die hun ouders als flauwigheden afdoen. Kate is vrij eenzaam, wat in feite ook wel een beetje autobiografisch is aangezien ik vijf broers heb die heel wat ouder zijn dan mij. Ik was het achterkomertje dat altijd alleen speelde. Ik vond dat helemaal niet erg, maar achteraf merkte ik wel dat ik als kind toch vaak in een bizarre, zelf geschapen wereld heb geleefd in plaats van in de wereld van mijn gezin.”

En u groeide op in een snoepwinkeltje, wat ook al iets irreëel sprookjesachtigs heeft.

Catherine O’Flynn: Met een boze vader wellicht, die niet wil dat het kind aan de snoepjes komt, maar zo ging dat bij ons niet. Als kind zat ik goed in mijn vlees, om het voorzichtig uit te drukken, omdat ik de hele dag overal van wilde proeven. Je zou verwachten dat ik op school populair was bij de andere kinderen, maar dat was niet zo. Ik was het ideale kind om af te dreigen: ‘Breng me morgen een reep chocolade mee, of anders...’. Maar ik heb toch vooral positieve herinneringen overgehouden aan die tijd, en dat komt vooral door mijn vader die grappige opmerkingen maakte over de klanten wanneer ze met hun zakje snoep waren vertrokken. Hij vertelde constant kleine verhaaltjes, en ik was daar dol op.

Kate is niet het enige een beetje vreemde personage in uw boek. Het stikt van de asociale types in het winkelcentrum.

Catherine O’Flynn: Een van de zaken die ik in het boek wou doen was het gedrag van kinderen contrasteren met dat van volwassenen. Tegenover Kates enthousiasme wou ik de volwassenen plaatsen die allemaal de richting in hun leven kwijt zijn en een beetje kleurloos overkomen, zoals Lisa en Kurt. De andere personages zijn gegroeid uit mijn eigen ontnuchterende ervaringen. Ik bekeek al die mensen daar en dacht steeds maar weer: wat moeten ze hier? Hoe is het in godsnaam mogelijk om zulk een groot deel van je leven in een troosteloze plaats als deze door te brengen? Het lijkt wel alsof ik er nooit iemand ontmoet heb met een interessant leven. En ook het mijne leek er absoluut leeg te zijn.

Van leegte gesproken, dat is het gevoel dat je als lezer het hele boek lang hebt bij het winkelcentrum. Het is leeg, griezelig, een plaats met kilometers lange uit ruwe baksteen opgetrokken dienstgangen, net zoals in de zombiefilm Dawn of the Dead.

Catherine O’Flynn: Ik weet het, ’t is een echte schande, maar ik heb die film nooit gezien. Het gekke is dat ik nooit dat gevoel had voor ik in een winkelcentrum ging werken. Toen ik er alleen nog maar winkelde, vond ik het levendige plaatsen, maar eens aan de andere kant van de balie zag ik hoe griezelig leeg de gangen waren na sluitingstijd. Bovendien draaiden de veiligheidscamera’s de hele tijd, waardoor ik besefte dat ik bekeken werd zonder te weten wie er mij bekeek. Overdag stikte het er van het volk en ik vroeg me af wat al die mensen kochten. ’s Avonds leek het soms alsof de klanten weg waren, maar hun geest er nog rondwaarde.

Wordt er trouwens wel zo veel gekocht in die winkelcentra?

Catherine O’Flynn: Dat kun je je inderdaad afvragen. Ik zag veel mensen hun tijd passeren zonder ooit iets te kopen. Ik kijk helemaal niet neer op mensen die uit eenzaamheid door een winkelcentrum gaan wandelen, maar soms had ik het toch wat moeilijk met de leegte van hun leven. Dan gingen ze voor een winkelraam staan dromen van wat ze wilden kopen, werkten nadien maandenlang in een job die hen helemaal niets zei maar die wel wat geld opleverde, waarna ze dit spendeerden aan de rommel uit te etalage die ze helemaal niet nodig hadden. Wanneer je in een winkelcentrum werkt zie je als geen ander hoe onze economie werkt. Die draait immers op het aanzwengelen van het verlangen: je ziet iets, koopt het, ziet iets anders en wil ook dat weer, en dat iedere dag opnieuw. Soms vond ik het verschrikkelijk. De eenzaamheid die je er ziet is ontstellend. ‘Wat zullen we vanmiddag eens doen? Waarom gaan we niet naar het winkelcentrum?’ En dat is ook de reden waarom ik er niet neerbuigend over wil doen: volgens mij is het intrinsiek niet beter om een wandeling in een bos te maken dan om een namiddagje in een winkelcentrum rond te kuieren.

Wat opvalt aan het centrum zoals u het beschrijft is dat het een wereld op zich vormt. Je vindt er alles en kunt er om het even wat beleven. Waarom zou je het ooit nog verlaten?

Catherine O’Flynn: Dat was niet echt een bewuste keuze van me om dit zo te beschrijven. Als kind was ik helemaal weg van de Gormenghast-boeken, van Mervyn Peake. Zij gaan over een enorm kasteel waarin alle leven gecentraliseerd is. Er is niets buiten dat kasteel. In zekere zin komt dat een beetje terug in mijn roman. Green Oaks zit vol geheime gangen en mensen die slechts van tijd tot tijd, en dan nog met veel tegenzin, het winkelcentrum verlaten. Gormenghast is natuurlijk fantasy, terwijl ik wil schrijven over iets wat iedereen zou kunnen meemaken, maar toch zijn er veel overeenkomsten. Wanneer je in een winkelcentrum werkt, spendeer je er je hele dag. Je gaat niet buiten om te lunchen, maar eet ter plekke wat, in een of andere snackbar of broodjeszaak. En na je dienst ga je gewoon wat drinken in de pub in het winkelcentrum. Wat je tegenwoordig ook vaak ziet is dat er bovenop nieuwe winkelcentra flats gebouwd worden, waardoor je in het centrum kunt gaan wonen. Je krijgt dan flashy reclamefolders over ‘Canalside Living’, wat in realiteit niet meer is dan een reeks grauwe gebouwen op spotgoedkope industriegrond, gelegen naast de parking van het winkelcentrum. Wauw, denken sommigen dan, wat een luxe, terwijl ik het gewoon een pervertering vind van wat het betekent om in een stad te wonen. In Birmingham maakt het nieuwste dergelijk project reclame met de slogan: ‘Werken, wonen, spelen, allemaal op dezelfde plaats’, terwijl ik me geen grotere nachtmerrie kan inbeelden dan dat ik voor de rest van mijn leven opgesloten zou zitten in een winkelcentrum.

Maar toch is dat voor steeds meer mensen de realiteit.

Catherine O’Flynn: Ach weet je, soms besef je dat je ongewild in een situatie beland bent die je nooit voor mogelijk had gehouden. Je hebt een job waar je niet echt van houdt en je ziet dat hetzelfde geldt voor zowat iedereen om je heen. Persoonlijk heb ik in meer dan een werkomgeving verkeerd waar niemand er ooit van gedroomd had daar terecht te komen. Het moeilijke is er eer weer uit te geraken. Soms duurt het jaren voor je je realiseert wat er is misgelopen met je leven. Het is zoals in Once in a Lifetime van de Talking Heads. Het duurt lang voor je beseft dat je niet je eigen leven aan het leiden bent. En dat is echt niet iets unieks voor winkelcentra. Ongelooflijk veel mensen zitten in een situatie die ze niet zelf gekozen hebben en waar ze niet gelukkig mee zijn. Het probleem is dat ze meestal de moed niet hebben om er zelf iets aan te doen. Gelukkig helpt het lot hen dan soms een handje. Het bedrijf waar ik onlangs werkte zag zich genoodzaakt de boeken neer te leggen, waardoor iedereen werkloos zou worden. Er heerste natuurlijk ongenoegen onder de werknemers, maar sommigen straalden ook geluk uit. Voor het eerst waren ze echt vrij. Ze hadden dezelfde job zo lang gedaan en opeens beseften ze dat ze ook iets anders zouden kunnen doen. Uit eigen beweging waren ze echter nooit zo ver gekomen.

Het winkelcentrum uit uw boek is ook nog eens gebouwd op een plaats waar vroeger een fabriek stond. Volgens Kurts vader, die in de fabriek werkte, zijn daarmee goede jobs vervangen door minderwaardige.

Catherine O’Flynn: Dat geldt voor de meeste winkelcentra in het Verenigd Koninkrijk: zij werden in voormalig industriegebied gebouwd. Of een job in een winkelcentrum echter minderwaardig is aan een in de industrie weet ik niet. Je hoort dat vaak zeggen natuurlijk, en dat is ook de reden waarom ik het in mijn boek gebruik, maar ik weet echt niet of hele dagen op een gloeiend stuk staal staan hameren je zoveel meer voldoening geeft dan van ’s middags tot ’s avonds hamburgers omkeren. Volgens mij zijn geen van beide de hemel op aarde. Maar dat neemt natuurlijk niet weg dat er daar iets verloren is gegaan, en dan bedoel ik niet alleen de jobs en een specifieke manier van leven, maar ook het landschap dat ooit met de industrie vereenzelvigd werd. Dat is het landschap waarin ik ben opgegroeid: restanten van een glorieus verleden waar het grandioos was om rond te hangen. Tijdens mijn jeugd zaten die industriegebieden immers tussen twee fasen in. De fabrieken werkten niet meer, maar ze stonden er nog wel. Het waren lege karkassen, en ik ben wellicht de enige Brit die vol nostalgie terugdenkt aan dit type landschap.

En aangezien u in Birmingham opgroeide...

Catherine O’Flynn: Had ik er inderdaad geen gebrek aan. Birmingham is een stad die zichzelf iedere paar decennia weer helemaal opnieuw uitvindt. En dat kan best frustrerend zijn voor de inwoners. Wanneer je een paar jaar niet meer in een bepaalde buurt geweest bent, is de kans groot dat je er niets meer van herkent.

In hoeverre is een stad als Birmingham veranderd door de komst van die reusachtige winkelcentra aan de rand?

Catherine O’Flynn: Je kunt de opening van een winkelcentrum vergelijken met de opkomst van de zon. Iedereen draait het hoofd en wil weten wat er aan de hand is. Niet alleen de winkels in de stad worden dan getroffen, maar ook die in de kleinere gemeenten er omheen. Het winkelcentrum waar ik ooit gewerkt heb lag midden tussen een aantal kleinere steden in. De winkelstraten in die stadjes gingen volledig teloor. Er bleef geen winkelpui overeind, en dat had zijn gevolgen voor de bevolking. Het waren vooral de minder mobiele mensen die erdoor getroffen werden, zoals gepensioneerden. In een winkelcentrum geraak je immers niet zonder auto. Maar ik wil hier niet de nostalgische viool zitten bespelen. In Groot-Brittannië woeden van tijd tot tijd felle discussie over de invloed van de opening van een grote supermarkt van het type Tesco’s op de lokale winkeltjes. Keer op keer blijkt dat die er binnen een paar maanden of jaren aan onderdoor gaan, maar meestal is dat ook volledig terecht natuurlijk. We mogen niet al te romantisch worden over die vroegere buurtwinkeltjes die een heel beperkt aanbod hadden en goederen van mindere kwaliteit verkochten. Is het zo erg dat zij vervangen zijn door keuze en kwaliteit?

In uw boek gaan niet alleen het landschap en het sociale leven verloren, ook de onschuld moet eraan geloven. Dat Kate verdwijnt is immers het bewijs dat de wereld niet langer te vertrouwen is.

Catherine O’Flynn: Toen ik een jaar of tien was kon je als kind nog zonder enig probleem op straat spelen en een onafhankelijk leven leiden. Dat is nu ondenkbaar. Of onze samenleving de voorbije twintig jaar kwaadaardiger of gevaarlijker geworden is, weet ik nog niet zo. Zeker is alvast dat we alsmaar hysterischer zijn gaan doen over wat er allemaal met onze kinderen zou kunnen gebeuren. Niemand zal ontkennen dat er problemen zijn, maar wat er verloren gegaan is door die overdreven bezorgdheid waardoor kinderen niet meer met hun vriendjes buiten kunnen spelen is gigantisch: een gevoel van onafhankelijkheid en het plezier van zelf de wereld te kunnen ontdekken. Groot-Brittannië scheert in deze - zoals in alle hysterie - de toppen. Er heerst een bijzonder onaangename combinatie van paniek en paranoia enerzijds en een verdachte wellust waarmee de pers erover bericht anderzijds. Ik denk niet dat er in bij ons meer of minder kinderen verdwijnen of misbruikt worden dan in een land als Spanje. Het enige verschil is dat de Spaanse pers niet zo geobsedeerd is door het onderwerp waardoor je gaat geloven dat er wel iedere week een kind spoorloos verdwijnt.

Recensie door Marnix Verplancke

Catherine O’Flynn, Wat verloren is, oorspronkelijke titel: What Was Lost, vertaald door Jeannet Dekker, Amsterdam, Artemis & Co, 269 p., € 17,95.

Catherine O’ Flynn (°1970, Birmingham, Groot-Brittannië) groeide op in het snoepwinkeltje van haar vader. Daarna deed ze een aantal jobjes zoals kassierster, postvrouw, webmaster en lerares. Op een bepaald moment stond ze zelfs in voor de dagelijkse leiding van een platenwinkel, maar zoals alle bedrijfjes waar ze ooit werkte ging die al gauw failliet. Ze schreef Wat verloren is na haar werktijd en raakte het manuscript aan de straatstenen niet kwijt, tot de kleine onafhankelijke en in Birmingham gevestigde uitgeverij Tindal Street Press het oppikte en er een gigantisch succes van maakte. Het boek werd genomineerd voor de Man Booker Prize, de Orange Broadband Prize en de Guardian First Book Award. Het werd bekroond met de Costa First Novel Award. Ideale achtergrondmuziek bij het lezen van dit boek: A River Ain’t Too Much to Love van Smog, een geslaagde combinatie van bittere ernst en relativerende humor.


Interview door Marnix verplancke



Deze tekst verscheen in De Morgen van 23 april 2008


Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

De welvaart en trots van naties

Liberales organiseert op dinsdag 28 mei (20u) een gespreksavond met Olivier Boehme over zijn laatste boek 'De welvaart en trots van naties'. Klik hier voor meer info en inschrijven.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be