Liberaal optimisme in bange tijden

interview vrijdag 01 oktober 2004

Francis Fukuyama

In 1992 voorzag Francis Fukuyama in zijn boek The end of History and the Last Man een onstuitbare triomftocht van de liberale democratie in de nieuwe wereldorde. De implosie van het sovjetcommunisme luidde het einde van de botsing van ideologieën in en bezegelde daarmee het einde van de geschiedenis. Sindsdien is de geschiedenis niet bepaald mals geweest voor zijn vooruitgangsoptimisme. De bloedige burgeroorlogen die de wereld sinds de val van de Berlijnse Muur teisterden en vooral de brutale aanslagen van 11 september 2001, leken eerder op Huntington’s clash of civilizations aan te sturen dan Fukuyama’s vreedzame en welvarende liberale orde.

Ondanks de druk die zijn ideeën vandaag moeten doorstaan, blijft Fukuyama geloven in de kracht van de liberale democratie. In zijn nieuwste boek State-Building: Governance and World Order in the 21st Century bouwt Fukuyama in feite voort op de idee van het einde van de geschiedenis. De gewelddadige conflicten van het post-Koude Oorlog tijdperk zijn in zijn ogen veeleer het resultaat van zwakke staatsstructuren en instellingen dan een botsing van beschavingen. State-building is daarom een dwingende uitdaging voor de wereldgemeenschap van vandaag en met zijn nieuwste boek wil hij hiertoe nieuwe ideeën aanreiken. Liberales-kernlid Philip Van der Celen nam samen met Fukuyama de pols van de huidige wereldorde tijdens zijn bezoek aan het Bologna Center van The Johns Hopkins School of Advanced International Studies (SAIS) waar hij momenteel internationale politieke economie doceert.

Vanuit een liberaal standpunt vormt de huidige poging van de VS om in Irak een liberaal-democratische staat te doen herrijzen een interessante test-case om na te gaan in welke mate dit model kan bloeien binnen een islamitisch kader. Wat zijn uw verwachtingen in dit verband? Is een liberale democratie nog steeds een universele aspiratie of is de huidige administratie in de Verenigde Staten verblind door een geloof in een politiek model dat enkel levensvatbaar is binnen een zeker culturele voedingsbodem?

Francis Fukuyama: Ik geloof dat het liberaal-democratische model het potentieel heeft om universeel te zijn, maar dit betekent niet dat je op korte termijn een liberale democratie kan vestigen in eender welk land. Culturele aspecten van een politieke geschiedenis kunnen de vestiging van een liberale democratie in heel wat samenlevingen inderdaad behoorlijk tegenwerken. Wanneer je echter het Midden-Oosten onder de loep neemt en Iran in het bijzonder, een land dat gedurende een ganse generatie onder een islamitische theocratie heeft geleefd, dan constateer je dat dit land eigenlijk het grootste potentieel heeft opgebouwd om in de volgende generatie uit te groeien tot een veel liberalere samenleving. Ongeveer 70% van de Iraanse bevolking is beneden de 30 jaar, en bijna niemand van hen wil leven onder een islamitische theocratie. Bovendien heeft Iran reeds een hoop elementen van een democratie, maar daarmee hebben ze nog niet een liberale democratie. Mijn verwachting is dus dat die samenleving in de nabije toekomst wel eens zou kunnen evolueren naar iets wat wij zouden erkennen als een liberaal-democratisch model. Turkije is een ander voorbeeld. Het is zeker geen perfecte democratie, maar het is een moslimland en het is erin geslaagd een democratie te laten werken. De resultaten van een interessante studie in dit verband tonen aan dat het vermeende democratisch deficit in de moslimwereld in feite een volledig Arabisch democratisch deficit is. Indien je naar de niet-Arabische moslimwereld kijkt, is er eigenlijk een relatief groot aantal redelijk succesvolle democratieën. Kijk naar Indonesië, Malawi, Turkije…

Mogen we dan toch nog een universele beweging naar een democratische politieke organisatie verwachten?

Francis Fukuyama: Je moet deze kwestie in een breder kader plaatsen en de vraag stellen of er een coherent patroon van modernisering bestaat, een modernisering die uiteraard begint met een economische modernisering. Het mag gezegd worden dat ontwikkelde samenlevingen op een consistente manier anders zijn dan minder ontwikkelde samenlevingen aangezien landen stapsgewijs een aantal ontwikkelingsfasen doorlopen wanneer ze zich economisch moderniseren. De vraag die dan rijst is of die economische modernisering politieke consequenties heeft en in dit verband ben ik ervan overtuigd dat dit inderdaad het geval is. Er is een sterke correlatie tussen economische ontwikkeling en de mogelijkheid om een liberale democratie aan te houden. Er is een echt breekpunt op ongeveer 6000 dollar per capita BBP. De meeste landen boven die drempel zijn democratieën. Haast geen enkel land zoekt er zijn toevlucht in autoritarisme. Beneden die grens zijn er een aantal democratieën, maar de meeste arme landen hebben het bijzonder moeilijk om een liberale democratie in stand te houden.

Hoe mogen we de ontwikkeling van een vrije markteconomie in deze gedachtegang plaatsen?

Francis Fukuyama: Er is een duidelijke correlatie tussen economische ontwikkeling en een vrije markteconomie, en er is evenzeer een sterke empirische correlatie tussen het ontwikkelingsniveau van een land en de mogelijkheid om een democratie overeind te houden. Dit is niet louter mijn “opinie”. Er is nu voldoende wetenschappelijk onderzoek op dat vlak dat aantoont dat deze correlaties bestaan. Een vrije markt is echter noch een noodzakelijke noch een voldoende conditie voor een democratie, het is enkel een hulpzame conditie. Er zijn landen die een hoog BBP per capita hebben zoals bijvoorbeeld Singapore en Koeweit die geen democratieën zijn en er zijn een aantal relatief arme landen zoals bijvoorbeeld India en Costa Rica waarvan het democratische gehalte betrekkelijk goed is.

Kan zulk een co-existentie van een vrije marktomgeving met een ondemocratisch regime wel volgehouden worden op de lange termijn? Zal bijvoorbeeld de ondernemende middenklasse die door de vrije marktwerking in het leven wordt geroepen het gebrek aan politieke inspraak uiteindelijk niet in vraag gaan stellen?

Francis Fukuyama: Indien deze correlatie zou bestaan, dan moet je je afvragen waarom. Wanneer je de 6000 dollar per capita BBP-drempel overschrijdt, ben je van een landbouweconomie naar een geïndustrialiseerde economie opgeschoven. Dit betekent dat je een hoofdzakelijk stedelijk-industrieel arbeidsreservoir hebt dat algemeen geschoold moet zijn tot minstens een secundair onderwijsniveau, je hebt een groeiende professional class en een middenklasse waarbinnen een grotere verspreiding van eigendom zich manifesteert… Mensen met een zeker bezit hebben een groter belang bij stabiliteit, instellingen, rechtshandhaving, al die zaken die we juist associëren met een democratie. Daarom geloof ik dat deze correlatie ook effectief bestaat.

In China, bijvoorbeeld, zien we nu reeds een interessante spreiding van een zekere rule of law in die gebieden die sterk zijn opengesteld aan internationale handel. Bovendien merk je de ontwikkeling van een aantal proto-democratische instellingen op het locale niveau. Ik denk dat na verloop van tijd, wanneer een grotere middenklasse zich ontwikkeld heeft, dat de Communistische Partij het moeilijk zal krijgen om haar legitimiteit te bewaren ten aanzien van de burgers. Of dit zal uitmonden in een gewelddadige confrontatie is niet te voorspellen. In Azië hebben we een aantal relatief vreedzame transities zien plaatsgrijpen, zoals in Zuid-Korea en Taiwan, waar militaire dictaturen zonder excessief wapengeweld plaats hebben geruimd voor democratische regeringen, maar of dit voor een grote samenleving als de Chinese ook het geval zal zijn, is moeilijk te zeggen.

Terug naar Irak nu. Toont de precaire situatie in Irak aan dat de Verenigde Staten, ondanks eerdere succesverhalen in Duitsland, Japan en Zuid-Korea, vandaag de dag gewoonweg niet meer bij machte is om een nieuwe poging tot nation-building tot een goed einde te brengen? Wat leert deze situatie ons over de status van de VS als supermacht? Kunnen het verloop en de naweeën van de gehele Irak-crisis in zekere mate beschouwd worden als een voorspel van “het einde van het Amerikaanse tijdperk” zoals Charles Kupchan het zou noemen?

Francis Fukuyama: Ik geloof dat de Verenigde Staten het proces nog op de juiste baan kan zetten, maar ik zou er niet teveel geld op verwedden (lacht). Iedereen was verrast door de anarchie en de moeilijkheden om na de omverwerping van het regime de veiligheid in het land opnieuw te herstellen. Het is volgens mij steeds een misvatting geweest te denken dat de Verenigde Staten bij machte is om tot alle verhoopte beleidsuitkomsten te komen zonder grotere internationale samenwerking. Er is slechts één dimensie waarin het deze macht bezit, namelijk de strikt militaire, en ook hier zien we vandaag de limieten. Op dit moment zijn de militairen zo belast dat zij geen verdere interventies aankunnen binnen de gegeven troepenstructuur. Op het vlak van nation-building is de VS werkelijk nooit in de positie geweest om deze opdracht volledig op eigen houtje te klaren. Een van de redenen waarom ik in de aanloop naar de oorlog vond dat we zeer voorzichtig moesten zijn om in dit avontuur betrokken te raken, was juist omdat ik dacht dat de Verenigde Staten de verantwoordelijkheden die met nation-building gepaard gaan moeilijk zouden aankunnen. Of de bredere internationale gemeenschap hier wel toe in staat is, is echter eveneens twijfelachtig. Ik geloof dat de vermogens aanwezig zijn binnen de internationale gemeenschap om de eerste fase in het nation-building proces, de post-conflict stabilisering, in goede banen te leiden. Wat echter ten zeerste ontbreekt, is een coördinerend orgaan dat het institutionele geheugen bewaart. Dit is een probleem zowel op het niveau van de Amerikaanse regering als de Verenigde Naties. Bij elke nieuwe oefening tot nation-building moet nu een nieuwe structuur opgezet worden waardoor veel van de ervaring verloren gaat die zich voordien had opgebouwd. Dit is gegeven de beperkte financiële en menselijke middelen bijzonder problematisch.

Is het gebruik of de dreiging van militair geweld volgens U een doeltreffend instrument om duurzame democratische hervormingen aan te moedigen binnen repressieve regimes en om de stabiliteit in de wereld te bevorderen? Hoe verklaart U de schijnbare onenigheid die vandaag in dit verband bestaat tussen de Verenigde Staten en Europa? Is het, zoals Robert Kagan poneert, hoofdzakelijk het gevolg van uiteenlopende geo-historische ervaringen en de huidige militaire machtsbalans in de wereld in het voordeel van de Verenigde Staten?

Francis Fukuyama: Of militaire druk democratische hervormingen en mensenrechten kan promoten verschilt van geval tot geval. De ervaring in de Balkan toonde aan dat de Europeanen op een bepaalde manier het gebruik van geweld niet serieus namen. Ze waren zo terughoudend om openlijk militaire macht te ontplooien dat de politieke objectieven waarover overeenstemming was bereikt, uiteindelijk in het gedrang kwamen. Het gebruik van geweld heeft in dit geval uiteindelijk bijgedragen tot een goede uitkomst inzake stabiliteit en democratische ontwikkelingen. In het geval van Irak, echter, mag het gebruik van geweld dan wel een vreselijk regime verwijderd hebben, de complicaties die dit met zich heeft meegebracht en de onzekerheid dat je het regime kan vervangen door iets wat duidelijk beter is, tonen aan dat in bepaalde gevallen het gebruik van militair geweld contraproductieve uitwerkingen kan hebben.

Kagan heeft gelijk als hij zegt dat er zich op beide continenten een verschillende strategische cultuur heeft ontwikkeld waarbij Europeanen terughoudender zijn in het gebruik van geweld, maar ik zie dit niet als het gevolg van het de facto verschil in macht tussen de VS en Europa. Europa kan zich zonder enige twijfel ontwikkelen tot een militaire macht die meerdere malen groter is dan wat het nu is, maar het heeft gekozen dat niet te doen. Er bestaat volgens mij daarom meer een normatief verschil tussen beide continenten: Europeanen kiezen ervoor om hun militaire macht zwak te houden.

Markeert de recente vooruitgang in ESDP geen keerpunt?

Francis Fukuyama: Nee. Ik geloof niet dat dit tot veel zal leiden. De Europeanen hebben zulke initiatieven al vaker ondernomen in het verleden, zonder veel resultaat. Bovendien zie ik momenteel geen Europese politicus opstaan die een verdriedubbeling van de defensie-uitgaven gaat bepleiten. Zolang dit niet gebeurt zie ik geen serieuze, onafhankelijke defensiecapaciteit voor Europa in het verschiet liggen. De Verenigde Staten geven evenveel uit aan defensie als de 16 andere grootste landen in de wereld bij elkaar genomen, waaronder China, Rusland en de volledige Europese Unie. Zo groot is het verschil vandaag. Indien Europa serieus genomen wil worden in het oprichten van een eigen, geloofwaardige defensiecapaciteit dan praat je niet over het verhogen van defensie-uitgaven met 10%, maar van een verdriedubbeling. Ik ken geen enkele Europese politicus die daarvoor gewonnen is.

Hoe kunnen de Verenigde Staten weer in het globale, multilaterale kader van samenwerking en diplomatie gebracht worden? Is het louter een kwestie van een nieuwe administratie of heeft de huidige unilaterale reflex diepere wortels?

Francis Fukuyama: De linker- en rechterzijde in de Verenigde Staten delen een zeker wantrouwen ten aanzien van multilaterale instellingen vanuit het geloof dat legitimiteit uiteindelijk uit de stembus komt. Het fundamentele probleem binnen de Verenigde Naties is dat de organisatie gebaseerd is op het soevereiniteitsprincipe waarbij de de facto machtshouder in een lidstaat vertegenwoordigd wordt in de beleidsstructuren. Je hebt daardoor een aanzienlijke verzameling van illegitieme, autoritaire staten die binnen het VN-kader bewegen. Voor velen in de Verenigde Staten heeft de VN dan ook niet het recht om te spreken in naam van de internationale gemeenschap. Dit is niet iets wat gauw zal veranderen.

De problematische besluitvormingsstructuur van de VN vormt een ander obstakel dat moeilijk uit de weg te ruimen is. Veel van de voorstellen om de Veiligheidsraad te hervormen, bijvoorbeeld, zijn vanuit het oogpunt van practical politics gewoonweg niet haalbaar. Iedereen kan zich een betere en meer representatieve samenstelling van de Veiligheidsraad voorstellen, maar ik zie echt niet hoe we daartoe ooit zullen geraken. Elk van de hervormingsvoorstellen heeft immers vastberaden tegenstanders: indien je India wil toelaten zal Pakistan en een groot deel van de moslimwereld zich daartegen verzetten, indien je Japan wil opnemen zal de rest van Azië bezwaren maken, indien je de Franse en Britse zetel wil inruilen voor één EU-zetel zullen beide landen dit weigeren. Tot dusver hebben de Verenigde Staten niet veel inspanningen gedaan om de VN te hervormen gewoonweg omdat niemand gelooft dat het een hervormbare instelling is. Dit betekent uiteraard niet dat men de organisatie zomaar naast zich neer kan liggen. De Verenigde Staten hadden zich bijvoorbeeld heel wat problemen kunnen besparen indien de VN vanaf het begin een meer prominente rol in de heropbouw van Irak had gekregen. Het is niet omdat veel Amerikanen de VN beschouwen als een niet bepaald legitieme organisatie dat andere landen er geen ander idee op kunnen nahouden. Ik vrees echter dat deze kwestie een blijvende bron van spanning zal zijn tussen de VS en Europa gezien de onderliggende verschillen die er in dit verband bestaan.

De Europese Unie toont in ieder geval aan dat een internationale organisatie niet onvermijdelijk statisch hoeft te zijn. Hoe evalueert U de vooruitgang die tot hiertoe geboekt is? Gelooft U dat de uiteindelijke uitkomst van het integratieproces een politieke unie kan zijn zoals de ‘founding fathers’ binnen de neo-functionalistische traditie voor ogen hadden?

Francis Fukuyama: Dat is moeilijk te voorspellen. Ik heb in ieder geval geleerd om nooit “nooit” te zeggen wanneer je politieke voorspellingen maakt (lacht). Het hangt ervan af hoe je het woord “uiteindelijk” definieert. Men kan zich inbeelden dat deze politieke entiteit “uiteindelijk” opstaat, maar het zal een lang uitgerekt proces zijn. Alle huidige stake-holders hebben immers aanzienlijke belangen te verdedigen in elk hervormingsproces. Het zal ongetwijfeld bijzonder veel gedeelde ervaringen vergen om er te geraken, maar ik geloof dat er een zekere voedingsbodem bestaat voor een Europese identiteit. Vandaag wordt deze identiteit vaak een beetje ongelukkig ingevuld als louter een ‘niet-Amerikaanse’. Het zou volgens mij in wat meer positieve termen ingekleurd mogen worden. Er bestaat immers een onderscheiden Europese kijk op een hele hoop kwesties: Europeanen voelen zich meer tevreden met een staat, met een hoger niveau van regulering, met een uitgebalanceerde welvaartstaat… Dit zijn allemaal elementen die gemeenschappelijk zijn aan de meeste Europese landen. Bovendien hebben Europeanen het minder moeilijk om zich te verzoenen met de idee van soevereiniteitsoverdracht. Er zijn natuurlijk verschillen binnen Europa, maar soevereiniteit als zodanig is niet meer zo belangrijk zoals dat is voor de Verenigde Staten.

In hoeverre zal het door Europeanen gekoesterde sociaal welvaartskapitalisme de druk van de globalisering kunnen weerstaan?

Francis Fukuyama: Het probleem in dit verband is niet globalisering. Als men zich afvraagt of het huidige pensioensysteem van Frankrijk en Duitsland houdbaar is over de komende twee generaties, dan is het antwoord duidelijk nee. Dit heeft niets te maken globalisering, maar met beloftes die deze regeringen gedaan hebben aan hun eigen bevolking die ze niet zullen kunnen financieren zonder de introductie van een rampzalig hoge belastingsdruk. Dát is de grote onderliggende crisis van de Europese welvaartstaat. Zelfs al had je geen globalisering, dan nog had je een immense crisis gekend.

De intensivering van het globaliseringsproces tijdens de afgelopen decennia wordt vandaag vanuit diverse ideologische hoeken aangevallen. Vaak wijst men op de groeiende ongelijkheden tussen arm en rijk in de wereld, de ontwrichting van het eco-systeem, het gebrek aan democratische inspraak en de culturele uniformisering als gevolg van een op hol geslagen neo-liberalisme. Is deze analyse correct? Is de wereld inderdaad té “liberaal” geworden?

Francis Fukuyama: I think that’s ridiculous! Globalisering is alles bij elkaar genomen een uitzonderlijk positieve ontwikkeling geweest. Een ganse regio, met name Oost-Azië, is van een Derde naar een Eerste Wereld status kunnen opklimmen als gevolg van globalisering. Het gaat hier niet enkel om Japan, maar ook Zuid-Korea, Taiwan en de ASEAN-landen. China heeft in één generatie zijn BBP kunnen verdubbelen doordat het de globalisering heeft aanvaard en de kansen heeft gegrepen die het daarbij aangeboden wordt. Als je denkt aan het aantal mensen in dat deel van de wereld dat uit de armoede is getrokken door globalisering, zie ik echt niet in hoe je kan stellen dat dit proces zulk een verschrikkelijke kracht is. Er zijn weliswaar problemen met de manier waarop de globalisering is geïmplementeerd over de jaren heen. Dit heeft vaak geleid tot instabiliteit en ontegensprekelijk reële problemen voor mensen, maar dit is geen functie van globalisering per se. Daarnaast is datgene wat mensen vaak verwijten aan globalisering het resultaat van louter technologische veranderingen. Jobverlies in de nijverheid, bijvoorbeeld, zou op grote schaal plaatsvinden ook al was er geen zichtbare toename in het vrij verkeer van goederen en diensten. Tot slot is er de culturele dimensie van globalisering. Deze heeft te maken met de mogelijkheid van de moderne informatietechnologieën om informatiestromen waar dan ook ter wereld te bevorderen. Denken mensen wanneer zij spreken over het vertragen of stilleggen van globalisering nu echt dat ze kunnen verhinderen dat het internet individuen toegang biedt tot informatie? Een land zou dit in theorie kunnen doen, maar in de praktijk lijkt het moeilijk te realiseren.

Wat dusver het meest problematisch is gebleken, zijn een aantal specifieke economische beleidsmaatregelen die door Washington en door veel internationale financiële instellingen zijn opgedrongen in de vroege jaren ’90. Zeer snelle economische liberaliseringen kunnen immers erg destabiliserende uitwerkingen hebben in gebieden waar veel liquid capital rondflitst. Bij de vroegtijdige liberalisering van sommige markten in Oost-Azië, bijvoorbeeld, werden de omstandigheden gecreëerd voor latere muntinstabiliteit. In het geval van Argentinië wordt gezegd dat ze de ganse neoliberale agenda hadden overgenomen, maar dit is slechts gedeeltelijk waar. Voor het monetaire beleid gaat deze analyse inderdaad op, maar het fiscaal beleid bleef verstoken van de nodige hervormingen. Mede hierdoor is het land enkele jaren geleden door die verschrikkelijke crisis gegaan. In zekere zin zou men kunnen zeggen dat de Argentijnen het slachtoffer zijn geworden van globalisering, maar in feite was het probleem een onvolledige transformatie van het beleid en de instellingen.

Hoe ligt voor U het verband tussen globalisering en het internationale terrorisme?

Francis Fukuyama: Er doet zich vandaag duidelijk een democratisering voor in het gebruik van geweldsmiddelen. Het is voor kleine groeperingen mogelijk om toegang te krijgen tot alsmaar krachtigere wapens en om zich te organiseren over de staatsgrenzen heen. Daarnaast heb je fenomenen zoals drugshandel, mensensmokkel,… allemaal kwalijke zaken die gepaard gaan met globalisering. Waar ik niet in geloof is dat omwille van globalisering als zodanig de ongelijkheid zou zijn toegenomen en daarmee het bed gespreid werd voor een nieuwe golf van internationaal terrorisme. De eerste premisse zit er immers naast. Als je kijkt naar Oost-Azië zie je dat er een overbrugging heeft plaatsgegrepen van de kloof tussen rijke en arme landen. Sub-Sahara Afrika is uiteraard een heel ander verhaal. Dit deel van de wereld, met uitzondering van Zuid-Afrika, is op opzienbaarlijke wijze achteruit gegaan in de laatste twintig jaar. Maar dit is niet het gevolg van globalisering vermits dit juist de regio is die het minst is blootgesteld aan globalisering. Latijns-Amerika is ingewikkeld omdat er landen zijn, zoals Mexico en Chili, die aanzienlijk geprofiteerd hebben van globalisering terwijl andere landen, zoals Brazilië en Argentinië, iets minder eenduidige resultaten vertonen. Ik vind het desondanks moeilijk om de problemen in Latijns-Amerika toe te schrijven aan globalisering per se. Het probleem van de inkomensverdeling, bijvoorbeeld, heeft meer te maken met klassenstratificaties en zwakke onderwijssystemen op nationaal beleidsniveau dan met globalisering.

Als men nu kijkt naar het internationale terrorisme dan merkt men dat dit geen universeel fenomeen is. Er komt bijvoorbeeld geen terrorisme uit Sub-Sahara Afrika of uit het grootste deel van Zuid-Oost-Azië. Het is een fenomeen dat zich hoofdzakelijk stelt in moslimlanden door groepen die gedreven worden door een zeer specifieke islamistische ideologie. Terrorisme houdt volgens mij dan ook niet verband met globalisering per se, maar eerder met de specifieke politieke situatie in het Arabische gedeelte van de moslimwereld waar politieke stagnatie en een gebrek aan democratie en opportuniteiten heersen. Het Amerikaans buitenlands beleid heeft hier een bepaalde rol in gespeeld met haar steun voor regimes zoals Egypte en Saoedi-Arabië, maar dat staat natuurlijk los van globalisering.

Wat betekent liberalisme voor U?

Francis Fukuyama: Er zijn twee verschillende definities van liberalisme. Het klassieke liberalisme staat voor een sterke overheidsmacht in slechts een beperkt aantal beleidsdomeinen die nodig zijn voor het functioneren van een staat. De rest wordt als het ware aan de keuzevrijheid van het individu overgelaten. In Europa mondt deze definitie uit in een vrij conservatieve positie. Daarnaast heb je het liberalisme in de Amerikaanse betekenis van het woord, dat zich eerder links van het centrum positioneert. Deze vorm van liberalisme staat meer voor een sterke overheid die zich inlaat met inkomensherverdeling en het uitbouwen van een grotere welvaartstaat. Het definiëren van het concept ‘liberaal’ hangt dus in feite af van welke van deze twee definities je gebruikt. Dit is slechts een kwestie van conventie. Ik heb geen specifieke voorkeur, zolang mensen maar begrijpen over welke vorm van liberalisme je spreekt.


Interview door Philip Van der Celen



Francis Fukuyama, State-Building: Governance and World Order in the 21st Century, Cornell University, 2004, 160pp.


Francis Fukuyama

Links
mailto:philipvdc@hotmail.com
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be