Vooraan in de twintig was Rein Gerritsen een van de gevaarlijkste jongens van Leeuwarden, een zware crimineel die in bankovervallen op zoek ging naar de sublieme kick. Een kwarteeuw later is hij een van Nederlands interessantste filosofen, een pragmatist met het motto ‘niet zeuren, maar doen’ die zijn levensverhaal neerschreef in Knock-Out. “Inmiddels ben ik wat minder impulsief geworden,” zegt hij, “maar in sé ben ik nog steeds dezelfde jongen”. “Goh, da’s lang geleden,” grinnikt Rein Gerritsen wanneer we bij hem thuis in Utrecht over zijn misdaadverleden zitten te praten, “dat gebeurde toen ik nog jong en wild was”. Gerritsen is een kleerkast van een vent. Schouders waar een kleuterklasje zich achter kan verstoppen en handen waar je liever geen oplawaai van krijgt. Hij is letterlijk en figuurlijk getekend door het leven. Figuurlijk doordat hij zonder vader opgroeide, met een moeder die hem vanaf zijn zesde in een internaat parkeerde en een stiefvader die hem op zijn dertiende in een instelling voor onhandelbare jongeren liet opnemen. Dat hij nadien in de criminaliteit terechtkwam lijkt in dat licht nog maar een detail. Op het eerste zicht is het echter dat letterlijk dat meteen opvalt. Gerritsen lijkt immers aaneen te hangen van littekenweefsel. Toen hij tweeëntwintig was maakte hij een rotsmak met zijn Peugeot. Zijn moeder en broer kwamen om en hij overleefde het amper. Hij lag zeven maanden in een coma en had zowat alles gebroken wat er te breken valt. Zijn oren dienden opnieuw aan zijn hoofd genaaid te worden en uit zijn borst kwamen nog twee jaar lang stukjes boom en tak. Maar hij herstelde, meer zelfs, hij werd opgenomen door een nieuwe ‘familie’, een van de beruchte straatbendes die het Leeuwarden van begin de jaren 1980 tot de gewelddadigste stad van Nederland maakten. Er werd gemat, geramd en geslagen, en als de vuisten niet langer volstonden werden er pistolen bij gehaald. Van het een kwam het ander en met de wapens dook het idee op van een grote kraak. Banken dienden eraan te geloven, er werd 850.000 gulden buitgemaakt en het leven leek een dollemansrit tot de gevangenis en de psychiatrie er een eind aan maakten. “Je kunt het vergelijken met autisme,” zegt Gerritsen wanneer ik hem vraag wat zo’n crimineel bestaan met een mens doet, “Ik heb ooit vrijwilligerswerk gedaan met autisten. Ik zorgde voor de EHBO tijdens een kamp en opeens zag ik hoe iemands schoen vol bloed stond. Ik nam die jongen bij me en vroeg of hij geen pijn had, maar nee hoor, zei hij, hij voelde helemaal niets. Dat zou ook bij ons in Leeuwarden mogelijk geweest zijn. Wat wij nu pijn of angst noemen, ervaarden wij toen helemaal anders. Het is wel eens gebeurd dat ik met een mes in mijn been naar buiten liep en dat gewoon niet in de gaten had. Ik heb zelfs jongens gezien die getroffen waren door een kogel en rustig verder liepen. Klaarblijkelijk verkeerden wij in een geestestoestand waarin wij zo’n zaken niet eens merkten. Als een arts mij een briefje overhandigde voor een vervolgafspraak, volgende week dinsdag om kwart over twee, had ik geen idee waar hij het over had. Mensen die in een psychose zitten, zoals ik destijds, raken vaak hun tijdsbesef kwijt en lijden daardoor aan betekenisblindheid. Voor mij gold dat ook, en ook de betekenis van moraal was me bijster. Ik heb indertijd in Leeuwarden niet veel mensen ontmoet die het kwade deden omwille van het kwade, dat komt niet zo vaak voor, net zomin als mensen die het goede doen omwille van het goede. Pascal wist dat al toen hij zei dat de mens engel noch duivel is, maar dat hij het een wordt zodra hij het ander probeert te zijn. Wat wij deden was moreel natuurlijk niet goed te praten. Het is niet omdat ik in het criminele milieu verkeerde dat het daarom geen mensen waren, alleen was dat toen heel moeilijk te zien. Het leven gaat ook zo snel wanneer je in de misdaad zit. Een VPRO-team ging met een vriend van me op pad om zijn leven vast te leggen. Ze zouden hem drie dagen volgen, was het plan, maar na drie uur waren ze al totaal op. Cocaïne, hoeren, drank, ga zo maar door. Het hield niet op. Slapen deed je wanneer je eraan toe kwam, en dan was het vierentwintig of zesendertig uur achter elkaar, waarna je weer drie of vier dagen kon doorstomen. Daar word je als gewoon mens al een beetje raar van, laat staan als psychoot.” Heb je spijt van wat je toen hebt gedaan? Rein Gerritsen: De geweldsdelicten waar ik bij betrokken was, afrekeningen in het criminele circuit, doen me in feite niet zoveel. We waren volstrekt inwisselbaar. De ene keer kregen zij slaag en de andere keer ik. Wat me wel duidelijk is bijgebleven zijn de ongelijke situaties waar ik soms in verzeild raakte. Of die keer dat ik vijf jaar nadat ik iets gedaan had te horen kreeg dat een caissière die een getuigenis had afgelegd om het leven was gekomen, en dit onrechtstreeks door mijn toedoen. Toen ging er een grote klap door me heen. Ik heb trouwens besloten dat ik mijn volgende boek, dat op Knock-Out zal aansluiten, ga opdragen aan alle vrouwen die ik onheus heb behandeld. Net na mijn laatste gevangenisperiode had ik verkering met een doodgoeie meid, een prachtig meisje. Op een bepaald moment kwam ze naar me toe en zei ze: ‘Mijn vader heeft mijn zusje seksueel misbruikt. We zitten nu in gezinstherapie en zou je mee willen gaan naar een sessie?’ Dat deed ik dus, en daardoor ging ik met heel andere ogen tegen die vader aankijken. In het misdaadmilieu zijn zedendelicten immers not done. Pas jaren later heb ik me de meest logische vraag gesteld, een vraag die ik toen gewoon niet kon bedenken, dat als haar vader haar zusje misbruikt had, de kans groot was dat hij ook mijn vriendin had misbruikt. Het is een voorbeeld van de manier waarop mijn gedachten helemaal los stonden van de werkelijkheid. Het is trouwens pas de laatste tijd dat die twee beter met elkaar sporen. Je schrijft dat de filosofie je uit de misdaad heeft geholpen. Rein Gerritsen: Ik ben mijn hele leven op zoek geweest naar een vaderfiguur. De bakker waarbij ik in Oosterend als tiener in de leer ging was de eerste die voor mij die rol kon spelen, en de filosoof William James is de laatste. Bakker Tjipke van der Brug was een uniek man. Hij nam me helemaal onder zijn hoede. Hij was doordrongen van de wereld om hem heen en vroeg zich steeds af wat hij uitdroeg in die wereld. Hij ging ook prachtig om met materie, heel lichamelijk, en werd bijna een met het deeg en het brood. Het leek wel alsof voor hem alles bezield was. James is dan weer het rolmodel waaraan ik me spiegel en naar wiens voorbeeld ik wil leren denken. Een van de mooiste dingen bij James is dat hij ontzettend scherpzinnig is en een bikkelharde kritiek kan leveren op andere denkers zonder hun menswaardigheid aan te tasten. Zo wil ik ook schrijven. Ik mag een vileine kritiek brengen op Bos of Balkenende - ik vind het malloten - maar het zijn wel mensen. James is voor mij niet alleen een voorbeeldwetenschapper, maar ook een voorbeeldvader. Zijn raadgevingen zou ik graag gekregen hebben als kind. Ik heb het zelf allemaal moeten uitzoeken, wat goed en kwaad was, en ik kan me voorstellen dat een en ander toch vlotter was verlopen als ik daarbij een steuntje in de rug had gekregen. James is voor mij het beeld van hoe een man eruit moet zien, geen macho, maar wel een volledig ontwikkeld mens, iemand die zegt dat je best bang mag zijn voor de dood, maar dat je je leven niet moet laten verpesten door die angst. Niet zeuren, maar doen. In die zin is het niet toevallig dat je pragmatist geworden bent. Je hebt in je vroegere leven heel wat gedaan alvorens aan het denken te slaan. Ik kan me voorstellen dat iemand die hele dagen op de universiteit in zijn kamertje zit tot een andere filosofie komt. Rein Gerritsen: De stoffigen, ja, daar heb ik weinig voeling mee. Voor mij is filosofie niet het vaststellen van wat waar is tijdens een universitair symposium. Filosofie tref je overal aan, precies zoals Wim Sonneveld het zei over humor: ‘die ligt gewoon op straat, meneer’. Wanneer je een boterham eet, ligt daar dan ham op afkomstig van een mestvarken of van een ‘biologisch’ dier, en wat is er me het stremsel gebeurd van de koffiemelk die je net nam? Overal om je heen duiken er filosofische dilemma’s op. Voor een pragmatist kan de werkelijkheid best a priori bestaan, of juist afhankelijk zijn van het menselijk denkvermogen, dat maakt in feite niet uit. Waar het om gaat is dat die werkelijkheid een moreel appèl op ons doet. Het is dus een filosofie die uit de praktijk komt.” Maar welke waarden liggen er dan aan de basis van je oordelen? Rein Gerritsen: Het pragmatisme heeft wel degelijk beginselen, alleen zijn die niet onveranderlijk. Een pragmatist gaat net zoals ieder filosoof van het standpunt uit dat hij gelijk heeft, alleen voegt hij eraan toe dat hij op bepaalde punten zwak staat en dat hij over andere zijn mening moet herzien. Hij is dus geen systeembouwer die de hele wereld in zijn systeem wil stoppen, maar iemand die bereid is zijn filosofie aan te passen aan de eisen van de wereld. Hij werkt niet met dogma’s, axioma’s of principes, maar met vingerwijzingen en is constant bezig met het in vraag stellen van zijn eigen beginselen, waardoor het pragmatisme een open filosofie is. Grote ethische constructies moet je van een pragmatist dus niet verwachten. Daarvoor is hij te zeer aan concrete situaties gebonden. Mij moet je geen lezing over ethiek laten houden. Dat is net zoiets als een Neanderthaler die een exposé geeft over esthetica. En toch, zo schrijf je in het boek, staat het goede boven het wettelijke en moet een mens de wet overtreden als deze van hem verlangt dat hij het kwade doet. Rein Gerritsen: Wetten zijn niet meer dan conventies waar je je natuurlijk wel aan moet houden, maar soms moeten ze ook overtreden worden. Een tijd geleden stond een groep omstanders met zijn allen te kijken hoe een kind verdronk. Ieder dacht dat de ander er het wel zou uithalen. Wanneer er op dat moment iemand een ander een douw geeft en in een bootje springt dat aan de kant ligt om het kind te redden, overtreedt hij twee wetten, maar wegen die op tegen het leven van dat kind? Of neem de Nederlandse soldaten die uit Srebrenica vertrokken en de bevolking overlieten aan de Serviërs. Zij hebben zich keurig aan de wet gehouden en gedaan wat hen bevolen werd, maar ze hebben daarbij wel alle regels van het gezond verstand en de ethiek overtreden. Nu zijn ze zich heel erg bewust van de ethische complicaties van wat ze gedaan hebben. Heel wat van die jongens hebben inmiddels zelfmoord gepleegd. Het menselijk geweten prevaleert dus op de wet, en dat is altijd zo. Je geweten is natuurlijk wel gevormd door de samenleving waarin het gegroeid is, maar het vormt ook zijn eigen regels, en dat is voor een pragmatist belangrijk. De man die het kind redt of de soldaat die in de enclave blijft, maakt een morele keuze die heel wat kan veranderen in de wereld.
Linksmailto:marnixverplancke@skynet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|