Over de hypocrisie van de paus

interview vrijdag 16 mei 2008

Andrew O’Hagan

“Veel hedendaags fictie lijdt aan de misvatting dat romanpersonages aangename mensen moeten zijn,” zegt Andrew O’Hagan wanneer hij het over priester David Anderton heeft, het hoofdpersonage uit zijn nieuwste roman Blijf bij mij. “Maar kijk eens naar de geschiedenis, als je daar alle boeken uit zou gooien waarin onaangename helden voorkomen, zouden er weinig klassieken overblijven. Lady Macbeth en Emma Bovary zouden bijvoorbeeld als eersten mogen vertrekken.” David is inderdaad geen ethische held. Hij is een man die priester geworden is nadat zijn vriend Conor verongelukte. Jaren later is hij verliefd geworden op de vijftienjarige Mark, voor wie hij zijn parochie verwaarloost en die uiteindelijk op een zondagochtend door de huishoudster aangetroffen wordt in de armen van de priester. Wanneer hem tijdens zijn proces gevraagd wordt of hij verder gegaan zou zijn dan een kus antwoordt hij heel eerlijk: “Ja, veel verder”. “Voor mij moeten personages eerst en vooral menselijk zijn,” legt O’Hagan verder uit, “ Ik wou mijn lezers David tonen in al zijn facetten, positieve en negatieve. Ik wou dat zij meer over hem zouden weten dan hij over zichzelf wist. David is in zekere zin op de vlucht gegaan voor zijn eigen leven. Hij is priester geworden omdat de Kerk hem een ideaal schuiloord leek. Dat sommige mensen zouden vinden dat ik het opnam voor een pedofiel interesseerde me niet. Als schrijver moet je immers altijd doen wat je het beste acht. Je moet moedig zijn. Iemand die bang is voor wat lezers van zijn werk zouden kunnen vinden kan nooit een goed schrijver zijn.”

Schreef u het boek uit reactie tegen de hysterie over alles wat ook maar in de verte naar pedofilie zou kunnen ruiken?

Andrew O’Hagan: Zeker, ik vind dat we in een hysterische tijd leven. Ik heb altijd van boeken gehouden die hun eigen tijd becommentariëren en een moreel houvast bieden. Vandaag heerst er massahysterie wanneer bepaalde onderwerpen ter sprake komen. Het is de taak van de schrijver om daar afstand van te nemen en een moreel drama op te zetten dat olie op het vuur giet. Mensen houden immers van hysterie. Dat is trouwens de reden waarom ze kranten lezen en de hedendaagse pers speelt daar goed op in door van de ene hysterie op de andere over te springen. En zo is het ook altijd geweest. Dat is de maatschappelijke rol van de pers. De rol van de schrijver is echter anders. Hij moet een alternatieve kijk op het menselijk gedrag bieden, in dit geval zowel op priesters en de manier waarop deze met hun seksualiteit omgaan als op de redenen waarom de maatschappij hen maar al te graag verkettert.

Soms lijkt het wel alsof een bepaald type mens voor het priesterschap kiest en dat ditzelfde type ook meer dan gemiddeld liefde opvat voor jongeren.

Andrew O’Hagan: Dat was zeker zo toen ik zelf nog naar school ging. Of het nu nog zo is, weet ik niet, maar wellicht leven we nu toch in een andere atmosfeer, precies doordat er zoveel verhalen over misbruik aan het licht zijn gekomen. Misschien is er nu meer openheid. Ook al is de katholieke kerk altijd heel streng geweest wat homoseksuele priesters betreft, toch zijn die nooit verdwenen. Een halve eeuw geleden waren er in Ierland, Schotland, Frankrijk, Spanje, en wellicht nog wel een paar Europese landen nogal wat jonge mannen die het priesterschap aanvatten zonder dat er van een roeping sprake was. Zij werden priester omdat ze zich zo perfect konden verbergen. In samenlevingen die homoseksualiteit onaanvaardbaar vonden, was het priesterschap een paspoort dat toegang gaf tot een andere manier van leven. Seksualiteit is dan opeens geen item meer omdat priesters zogezegd celibatair zijn. Voor homoseksuele mannen was het priesterschap een gouden kooi waar ze zonder enige moeite binnen kon stappen, waarna het deurtje op slot ging en de sleutel weggegooid werd. De wijding gebeurde over het algemeen op jonge leeftijd, wat er garant voor stond dat er vroeg of laat spijt opdook. De priester besefte dan dat hij ergens voor op de vlucht was gegaan. Dat is de reden waarom we zoveel homoseksuele priesters hebben, en dat er zoveel andere zich vergrijpen aan kinderen. Dat zijn geen geboren pedofielen. Zij komen alleen vaak in contact met kinderen en dan kruipt het bloed soms waar het niet gaan kan. Als de katholieke kerk openlijker over seksualiteit zou kunnen spreken zou je meteen een daling merken in het kindermisbruik.

U was dus wellicht niet onder de indruk toen de paus een paar weken geleden in Amerika op bezoek was en zei dat de kerk homoseksualiteit en kindermisbruik niet langer kan tolereren?

Andrew O’Hagan: Dat is de beste manier om constitutioneel homoseksuele priesters het leven zuur te maken. In plaats van werkelijk iets constructiefs te doen en te zeggen dat we allemaal kinderen van god zijn en het dus niet ziekelijk is om van mensen van hetzelfde geslacht te houden, speelde de paus nog maar een keertje zijn zelfde hypocriete rol. Met veel bombarie verkondigde hij dat kinderen misbruiken een slechte daad is. Alleen wisten we dat al lang natuurlijk. Wanneer zal hij het eens hebben over de slechte daad die hij stelt door het katholieke taboe op seksualiteit onbespreekbaar te maken. Vandaar dat ik dus geen enkel begrip heb voor zijn uitspraken. Ze vertonen een schrijnend gebrek aan moed en realiteitsbesef omdat ze een belangrijk deel van wat het betekent mens te zijn gewoon negeren.

Waarom maakte u van David een mei ’68-er?

Andrew O’Hagan: Ik ben geboren op 25 mei 1968, en ik ben al lang gefascineerd door wat er die zomer gebeurde in Europa en Amerika. Ik heb me altijd verwant gevoeld met het idealisme van die tijd. Toen ik opgroeide in een buitenwijk van Glasgow zag ik dat idealisme overal om me heen, socialistisch idealisme dat het leven van gewone mensen wou verbeteren. Na de Tweede Wereldoorlog was Groot-Brittannië een heel idealistisch land geweest. Er werden grote sociale woonwijken gebouwd en de National Health Service werd opgericht, die voor het eerst in de geschiedenis gratis gezondheidszorg voor iedereen verstrekte. Men droomde van een nieuwe samenleving. Tegen 1968 was er van dat idealisme nog maar weinig over. Het land leek ingedommeld en daarom was het goed dat de studenten op straat kwamen om een echte verandering te eisen. Ik wou dat David zijn gelukkigste jaren beleefd had tijdens deze periode van dit optimistische idealisme.

Maar voor de modale Schot zal dit idealisme toch wel veraf gelegen hebben, neem ik aan?

Andrew O’Hagan: In de sociale woonwijken van Glasgow braken er geen protesten uit - of toch niet meer dan normaal. Mei ’68 was au fond een intellectueel gebeuren en dat stond mijlenver af van de gewone man. Die las Sartre niet en begon geen grote discussies over de vraag of het situationisme het bij het rechte eind had wanneer het poneerde dat de mens door externe factoren wordt bepaald. Wat die mensen wel kenden was een bijna utopisch geloof in de verbetering van de samenleving. Als kind woonde ik een paar jaar naast de Clyde scheepswerven. De vakbonden stonden daar heel sterk. Maar de tijden veranderden en ieder jaar kromp de bedrijvigheid. Ik zag een ineenstortende wereld en toen ik elf was werd Thatcher premier, wat finaal het einde betekende van de vakbonden en het utopisch idealisme, en dat voor altijd, ondanks de latere Labourregeringen. Voor mij is er altijd een link geweest tussen het socialistische idealisme van de arbeiders en het utopische idealisme van de intellectuelen, een link die mijn eigen weg beschrijft van de arbeidersklasse naar een wereld waar ideeën overheersen. David moest dat meegemaakt hebben, vond ik. Niet dat hij een barricadenspringer moest zijn, maar hij diende geloofd te hebben in de mogelijkheid van een betere wereld.

Wat hem duidelijk contrasteert met de jongere generatie van Lisa en Mark, die alleen nog in zichzelf gelooft.

Andrew O’Hagan: Het idee van een gemeenschap zegt hen niets meer, wat voor sommigen misschien verontrustend zal zijn, maar romans zijn er niet om mensen gerust te stellen. Als je dat wil ga je beter naar een Hollywoodfilm kijken. Lisa en Mark leven zonder waarden of zorgen, en het contrast tussen hen en mei ’68 vormt een van de spanningsbogen van de roman. Zo zie je wat er geworden is van een idee van verbondenheid. Lisa en Mark zijn chaotisch tot op het sociopathische af. Ze kennen geen grenzen meer en je vindt hun gelijken overal in Europa tegenwoordig. Ze behoren tot de hedonistische generatie die ik heel ambigue vind. Enerzijds wantrouw ik haar omdat ze zo bandeloos en verloren is, maar tezelfdertijd bewonder ik haar ook omdat ze lang niet zo vroom meer is als wij waren, en een grandioos gevoel voor humor heeft.

Dit verlies van gemeenschapsgevoel is een constante in uw werk. Zelfs in uw debuut, The Missing, komt het al terug.

Andrew O’Hagan: Inderdaad, het is een thema dat me tot nu toe niet losliet, maar het zou wel eens kunnen dat ik met Blijf bij mij een periode in mijn carrière afgesloten heb. Mijn eerste vier boeken gingen inderdaad over het verlies aan gemeenschapsgevoel en wat er sinds de oorlog met de westkust van Schotland is gebeurd, en dat zowel op politiek als religieus vlak. Mijn volgende boek speelt in Amerika. Ik laat Schotland en zijn problematiek achter me en begin aan een nieuw hoofdstuk, maar het idee dat de wereld een beter plaats zou kunnen zijn zal niet verdwijnen.

Ook al is David geboren in Edinburgh, zijn Engelse opvoeding en zijn studie in Engeland maken hem voor de inwoners van Dalgarnock een vreemdeling.

Andrew O’Hagan: In heel Europa zie je dat staatsstructuren en - grenzen onder spanning komen te staan. Dat gebeurt hier in België, maar ook in Groot-Brittannië waar de kloof tussen Schotten en Engelsen steeds groter lijkt te worden. Het is mogelijk dat dit voor Schotland op lange termijn positieve gevolgen zal hebben, dat weet ik niet, maar voor Engeland zal het verlies van de unie zeker negatief zijn. Persoonlijk denk ik dat het behoud van die unie geen slecht idee is. We zijn een klein eiland en we hebben heel wat gemeen. Sinds 1707 hebben we in feite geen ongelukkig huwelijk geleid, ook al waren er natuurlijk moeilijke momenten. Maar nu moet er dus opeens een scheiding komen, om geen andere reden dan vage stammenfantasieën en economische dromen. Misschien zijn die wel voldoende om er een nieuwe natie op te bouwen, en er zullen wel naties op minder zijn gebouwd, maar toch blijf ik het jammer vinden. Mensen vinden altijd wel een reden om uit elkaar te gaan omdat ze anders zijn dan de anderen. De vorming van alsmaar kleinere staten lijkt trouwens iets van deze tijd te zijn. Maar waar stop je? Gaan we daarna Edinburgh tegenover Glasgow plaatsen? Highland tegenover Lowland? Vastelander tegen eilander? Celtic tegenover Rangers? Daar hebben we al genoeg van denk ik. Op den duur is het de ene straat tegen de andere, om te eindigen bij jezelf. Maar wie ben jij? Je kunt jezelf toch alleen maar definiëren als lid van een groep of gemeenschap? Het ergste wat Thatcher ooit heeft gezegd, was dat de gemeenschap niet bestond en dat er alleen maar individuen waren. Daar eindigden alle pogingen die onze ouders, grootouders en overgrootouders hadden gedaan om een gemeenschap op te bouwen.”

Een ander groot thema in de roman is nostalgie, en dan meer bepaald nostalgie naar wat had kunnen zijn.

Andrew O’Hagan: Dat is wat iedereen wel meemaakt, en hoe ouder je wordt, hoe meer je het zult voelen. Ook al heeft nostalgie een slechte naam, toch is die niet weg te denken uit ons leven. Net als Proust en Freud geloof ik dat wij het resultaat zijn van het verleden. Leven is in feite niet meer dan het eindeloze spel van aantrekking en afstoting dat we spelen met ons eigen verleden. Ik kom uit een cultuur die geobsedeerd is door het verleden. De Schotten lijken vooral bezig te zijn met wie ze waren in plaats van met wie ze zijn. We koesteren onze tartans en liederen en putten ons eergevoel uit de geschiedenis. Het is dus logisch dat ik daar als Schots schrijver ook mee bezig zal zijn. Tegenwoordig denken we nogal eens dat we alles onder controle hebben en dat we het leven kunnen leiden dat we zelf willen, maar dat is niet zo. We zijn poppetjes in handen van de tijd en we weten nu niet waardoor we later bepaald zullen worden.

U woont ondertussen al bijna de helft van uw leven in Londen. Voelt u de Schotse identiteit nog knagen?

Andrew O’Hagan: Zeker, vandaar mijn boeken natuurlijk. Maar ik heb geen provinciale interesse in Schotland. Voor mij is de hele wereld Schotland, en dus niet alleen de noordelijke top van dat eiland met zijn buitengewone landschappen. Schotland is het centrum van de wereld, ook vandaag, in een wereld die gedomineerd wordt door Amerika. Het land heeft altijd ver boven zijn gewichtsklasse gevochten, zeker op vlak van filosofie, literatuur, geneeskunde en ingenieurswetenschappen. En daar ben ik trots op. Ik heb er dus geen moeite mee om mezelf als een Schots schrijver te zien ook al leef ik er niet meer. Ik heb een Schots perspectief op de wereld. Mijn Schotse identiteit heeft dus niets te maken met op Schotse grond staan. Overal waar ik ga, neem ik een morzel Schotse grond mee onderaan mijn schoenen.


Andrew O’Hagan, Blijf bij mij, oorspronkelijke titel: Be Near Me, vertaald door Eugène Dabekaussen en Tilly Maters, De Geus, Breda, 284 p., €22,50



Interview door Marnix Verplancke



Andrew O’Hagan (°1968, Glasgow, Groot-Brittannië). Debuteerde in 1995 met The Missing, een deels autobiografisch non-fictieboek over de honderden kinderen die jaarlijks in Groot-Brittannië verdwijnen zonder dat er nog iets over gehoord wordt. Soms, zo blijkt, worden ze niet eens gemist. Werd internationaal op handen gedragen voor de romans Our Fathers (1999), Personality (2003) en Be Near Me (2006). De grote thema’s die hij daarin behandelt gaan over de verhouding tussen de Schotse en de Britse identiteit, de teloorgang van het gemeenschapsgevoel en de Schotse sociale geschiedenis van de twintigste eeuw. Schrijft ook journalistiek en non-fictie die voor het eerst gebundeld zijn in het voor juni op stapel staande The Atlantic Ocean.

Andrew O’Hagan

Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be