Hitler was een pathologische leugenaar

interview vrijdag 08 april 2011

Thomas Weber

Tot 1996 namen de meeste historici aan dat het rabiate antisemitisme van Adolf Hitler tijdens zijn zwerversjaren in het Wenen van voor de Grote Oorlog was begonnen. Toen verscheen Hitlers Wien van Brigitte Hamann. Het boek verwees die opvatting naar het rijk der fabelen. Vanaf dan werd er van uit gegaan het de oorlog zelf was die Hitlers politieke universiteit was geweest. Zijn ervaringen aan het front, zo redeneerde men, moeten dan de basis van zijn extremisme hebben gevormd. In Adolf Hitler en de Eerste Wereldoorlog bewijst Thomas Weber dat die opinie geen steek houdt. Het is een bijzonder opmerkelijke conclusie: een die niet enkel het beeld van de heldhaftige frontsoldaat en Jodenhater explodeert, maar tevens laat zien dat Duitsland tijdens en vlak na de oorlog politiek nauwelijks radicaliseerde.

De Duitse historicus, nu docent Europese en internationale geschiedenis aan de universiteit van Aberdeen, was de uitdaging aangegaan omdat hij besefte dat niemand ooit een grondig onderzoek naar de oorlogsjaren van Hitler had gedaan. Iedereen wist wel dat hij in Mein Kampf lang niet de hele waarheid over zijn frontleven had geschreven, per slot van rekening was hij een pathologische leugenaar. Maar evenzeer leek het de onderzoekers aan eigentijdse bronnen te ontbreken die konden bevestigen of ontkennen wat er in dat boek werd beweerd. Daarom verruimde Weber het onderzoeksgebied: aangezien Hitler slechts één stukje van de puzzel was, vroeg hij zich af wat de andere soldaten van Hitlers regiment dachten. En wat speelde zich op het thuisfront af? Het boek analyseert helder en zorgvuldig elke stap in de ontwikkeling van die vragen. Het resultaat is baanbrekend.

Wat ging er door u heen toen u ontdekte dat er een massa onontgonnen bronnenmateriaal op u lag te wachten?

Thomas Weber: Ik was in de zevende hemel. Zo had ik nooit verwacht dat er van het List-regiment, Hitlers regiment, zoveel documenten terug te vinden zouden zijn, documenten bovendien die niemand ooit serieus had bestudeerd. En al dat materiaal heeft me ook naar de nazaten van de soldaten geleid, zelfs van joodse soldaten. De getuigenissen over hun vaders en grootvaders waren hoogst opwindend.

Hebt u tijdens uw onderzoek vaak uw wenkbrauwen gefronst?

Thomas Weber: Nou en of. Ik was er bijvoorbeeld van uit gegaan dat Hitler een moedige, zeg maar heldhaftige soldaat was geweest, zoals hij in Mein Kampf stelt. De werkelijkheid bleek anders. Als regimentskoerier heeft hij een behoorlijk rustige tijd gehad. Zo moesten regimentskoeriers, in tegenstelling tot bataljonskoeriers, niet voortdurend naar de voorste loopgraven toe. Hitler was in feite een Etappenschwein, dat wil zeggen iemand die – de term is denigrerend – ver achter de frontlinie in betrekkelijke veiligheid kon leven. De consequentie daarvan is belangrijk. Hitler, en soldaten zoals hij, werden door de echte frontsoldaten met de nek aangekeken. Dat is trouwens nooit veranderd, zelfs niet nadat hij kanselier was geworden.

Waarom wilde hij dan per se zijn oorlogservaringen opsmukken?

Thomas Weber: Dat verfraaien diende zijn politieke strategie in de jaren’20. De Duitsers keken op naar oorlogsveteranen. Wie onder het vuur van de kanonnen had gelegen, had aangetoond dat hij een patriot bij uitstek was. De nobele idee van Kameradschaft en Frontgemeinschaft speelde overigens in de meeste partijen een grote rol, ook al was die camaraderie voor een deel overdreven, voor een deel een mythe. De herinneringen aan de oorlog hebben het belang van kameraadschap opgeblazen, misschien ook omdat de soldaten zoveel verschrikkingen hadden meegemaakt dat ze toch nog iets moois en positiefs hebben willen overhouden. Een roman als Im Westen nichts neues van Erich Maria Remarque schetste een objectiever beeld van de werkelijkheid in de loopgraven dan Mein Kampf.

In 1916 werden de joden in het Duitse leger geteld om te checken of ze voldoende gewicht in de oorlogsschaal legden. Toen bleek dat er verhoudingsgewijs meer joden sneuvelden dan niet-joden, werden de resultaten niet gepubliceerd, wat het vermoeden in het land versterkte dat ze zich drukten. Onderschat u niet de impact van deze telling op het raciale antisemitisme in Duitsland?

Thomas Weber: Toegegeven, er bestond in het keizerrijk een relatief kleine, maar luidruchtige groep antisemieten, zowel in de Rijksdag als onder de wetenschappers en denkers. De vraag is alleen of het brede publiek die ideeën heeft overgenomen. Het zaad was in elk geval geplant. Maar ik denk niet dat de Volksstimmung na de Jodentelling is omgeslagen. Economisch antisemitisme, afgunst ten opzichte van het commerciële succes van joden, speelde wel degelijk een rol. Raciaal antisemitisme was daarentegen niet zeer verbreid, ook niet in het regiment van Hitler. Zo was Hugo Gutmann, de officier die Hitler voor het IJzeren Kruis Eerste Klasse heeft voorgedragen, een zeer gerespecteerd, zelfs geliefd soldaat. Ik heb ook geen opstoot van Jodenhaat na de telling gezien. Als die er zou zijn geweest, was Hitler, die op dat moment in Berlijn verbleef, dat zeker zijn opgevallen. In de rapporten van het leger over het moreel van de troepen is er evenmin sprake van anti-joodse gevoelens. Dat is in zekere zin een verrassing, tenminste als je ervan uit gaat dat Hitler in Mein Kampf overal afkeer van joden meende te zien.

In de winter van 1915 uitte Hitler extreemrechtse ideeën in een brief aan Joseph Popp, zijn huisbaas in München. Ondergraaft die brief niet uw stelling dat Hitler tijdens de oorlog geen verharding van zijn politieke standpunten heeft beleefd?

Thomas Weber: Je moet die brief in zijn context zien. Wat zegt Hitler? Hij wil een Duitsland dat minder internationaal is. Hij wil met andere woorden geen tweede Oostenrijk-Hongarije, geen multi-etnisch rijk dus, zoals hij dat in Wenen had meegemaakt. Na de oorlog heeft Hitler een aantal maanden geflirt met een nationalistisch bolsjewisme, een kruising van collectivisme en patriottisme. Dat staat in feite heel dicht bij Hitlers verlangen naar een Duitsland zonder kosmopolitisme. De brief aan zijn huisbaas is dus zeker niet het begin van zijn donkerbruine fascisme. Eén ding is echter duidelijk: zowel tijdens de oorlog als kort erna zwalpt Hitler van de ene politieke overtuiging naar de andere. Het is pas in de herfst van 1919 dat hij zich vastbijt in een extreemrechts en antisemitisch gedachtegoed.

Hitler had geen boodschap aan God, en dat terwijl zijn legerkameraden religie meer en meer omarmden. Hij was voorts een geheelonthouder en hij toonde geen belangstelling voor seks. Denkt u dat zijn latere hardheid en meedogenloosheid althans voor een deel te verklaren is vanuit een gebrekkig menselijk inlevingsvermogen?

Thomas Weber: Hoewel ik geen psycholoog of psychiater ben, lijkt me dat aannemelijk. Maar daar bewijzen voor vinden is onmogelijk. Je kunt enkel stellen dat iets zo plausibel is dat het wellicht de waarheid is. Desondanks blijft het een blinde vlek. Er zijn nog meer blinde vlekken natuurlijk. Zo hebben we nog altijd niet kunnen achterhalen hoe het kwam dat de zwalpende Hitler van eind 1918 de fascistische Hitler van de herfst van 1919 is geworden. In elk geval moet er een dramatische omwenteling hebben plaatsgevonden. Maar wat heeft die veroorzaakt? Daar hebben we het gissen naar. Net zoals we enkel maar kunnen raden of en in welke mate zijn persoonlijkheidsstructuur zijn radicalisme heeft gevoed.

Hoe reageerde Hitler op het verhaal van de zogenoemde ‘Dolchstoss’, de legende dat het zegevierende Duitse leger door de Joden in de rug was gestoken, zodat het de oorlog uiteindelijk toch had verloren?

Thomas Weber: Hitler is er altijd van overtuigd geweest dat Duitsland de eindzege zou behalen, ook al omdat hij op kritieke momenten geen zicht had op wat er werkelijk gaande was aan het front en in de binnenlandse politiek. De nederlaag moest dus verraad zijn geweest. Toen hij in het extreemrechtse kamp verzeilde, vielen hem de schellen van de ogen: de profiteurs op het thuisfront waren Joden en zowel de centrumpartijen als de extreemlinkse partijen stonden onder de invloed van Joden, dus moesten de Joden de schuld van alles zijn. Toch werd die dolkstootlegende bij de eerste verkiezingen na de oorlog maar door een minderheid geloofd. Meer dan driekwart van de kiezers stemde immers op partijen die daar totaal geen boodschap aan hadden.

Was u verrast door het stemgedrag van de Duitsers?

Thomas Weber: Ik was buitengewoon verrast, vooral omdat ik er zelf altijd van overtuigd ben geweest dat de Grote Oorlog voor een radicale breuk met het verleden had gezorgd. En wat bleek? De politische Lage voor en na was quasi dezelfde. De meeste Duitsers stemden op centrumpartijen, op democratische partijen. Zeker, er waren tussen 1919 en 1923 ettelijke linkse en rechtse couppogingen tegen de Weimar-republiek. Maar die bleek sterk genoeg om ze allemaal neer te slaan. In oostelijk Europa waren de politieke aardschokken veel heftiger en veel bloediger. Het is wel zo dat de oorlog de extreemrechtse partijen in de kaart heeft gespeeld. Voor 1914 werden die niet ernstig genomen. Na de oorlog werden ze gevaarlijk, precies omdat ze konden inspelen op de rampzalige gevolgen ervan voor Duitsland. Het vaderland was vernederd door het Verdrag van Versailles, claimden die partijen, en dat verleende hen zowel respect als legitimiteit. Het verklaart voor een deel waarom de Duitsers zo blind waren voor de ware bedoelingen van Hitler en de nazi’s. Wat dat betreft, is de Grote Oorlog dus werkelijk een vreselijke catastrofe geweest.


Thomas Weber, Adolf Hitler en de Eerste Wereldoorlog. Uit het Engels vertaald door Margreet de Boer en Nico Groen. Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam, 510p., €29,95.

Recensie door Joseph Pearce

Deze tekst verscheen eerst in ‘Uitgelezen’, de boekenbijlage van De Morgen


Thomas Weber

Links
mailto:joseph.pearce@telenet.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be