De linkse ideologie moet hervormd worden

interview vrijdag 14 oktober 2011

Jonathan Israel

Met Democratic Enlightenment Philosophy, Revolution, and Human Rights, 1750-1790 heeft de Britse historicus Jonathan Israel zijn monumentale trilogie over de radicale Verlichting afgerond. Israel, die momenteel les geeft aan het Institute for Advanced Study in Princeton in de Verenigde Staten, publiceerde in 2001 het eerste deel, Radical Enlightenment. In 2006 verscheen het tweede deel, Enlightenment Contested, waarin Israel de negatieve reacties op de Radicale Verlichting analyseert. Centraal in het werk staat de filosoof Baruch Spinoza. Volgens Israel was diens invloed op het radicale denken veel groter dan historici tot nu toe aannamen. Met Democratic Enlightenment tot slot, probeert Israel te laten zien dat de zogenaamde (verspreiding van) de 'revolutie van de rede' de grote motor achter de Verlichting is geweest.

Als historicus Jonathan Israel ergens in gelooft dan is dat de rede. Zijn trilogie kun je dan ook zie als één groot pleidooi voor het menselijk verstand. ''Zij die begrijpen leven vrij'', zei Spinoza al. Israel kan daarnaast niet vaak genoeg benadrukken dat er in een samenleving die gebaseerd is op de rede, geen ruimte is voor religieuze autoriteit. Israel heeft zich, zoals dat heet, vereenzelvigd met zijn werk. In het Seven Bridges Hotel aan de Amsterdamse grachten sprak ik met Israel over zijn interpretatie van de Verlichting en de betekenis van het radicale denken uit de 17de en 18de eeuw voor de mens anno 2011.

In uw werk stelt u dat een grote revolutie, zoals de Franse Revolutie, nooit plaats zou hebben kunnen vinden zonder een zogenaamde 'revolutie van het denken'. Hoe zou u deze revolutie van het denken beschrijven?

Jonathan Israel: Die revolutie van het denken, of van de rede, noem ik de radicale Verlichting. Het was een concept dat door historici in het verleden op geen enkele manier werd erkend, tot het in de jaren tachtig en negentig plotseling een belangrijk gegeven werd. Margaret Jacob was één van de eerste met haar boek The Radical Enlightenment (1981). In Duitsland verscheen, weliswaar wat later (2002), een belangrijk boek van Martin Mulsow, Moderne aus dem Untergrund Radikale Frühaufklärung in Deutschland, 1680-1720 waarin het idee naar voren kwam dat de waarden die wij tegenwoordig zien als fundamenteel voor onze maatschappij voor het eerst ondergronds (door radicale denkers) werden gepropageerd. De autoriteiten in de 17de en 18de eeuw maakten het erg moeilijk om radicale ideeën te kunnen uiten. Mulsow sloot zich in dat opzicht aan bij Jacob. Hij legde echter nog meer nadruk op de rol van ondergrondse netwerken. Ik denk dat, wat betreft de opkomst van de radicale Verlichting, een aantal betrouwbare bronnen uitsluitsel geven over het bestaan van kleine radicale groepen in de 17de eeuw. Deze gezelschappen discussieerden in taveernes in bijvoorbeeld Amsterdam over de vraag wat er gedaan kon worden aan de bestaande starre structuren en autoriteiten in de samenleving. Tegen het eind van de 17de eeuw waren deze bijeenkomsten een sociaal fenomeen.

U gelooft dus in een monocausaliteit wat betreft de Verlichting en de daaropvolgende revolutie?

Jonathan Israel: Er zijn veel oorzaken te noemen voor de Verlichting maar ik denk dat er maar één echt grote oorzaak is van de revolutie en dat is de radicale Verlichting. Kleine ontwikkelingen zoals de financiële crisis waarin Frankrijk verkeerde voor het uitbreken van de revolutie hadden wel invloed. Er was veel armoede en onvrede in Frankrijk. De samenleving werd getekend door een grote mate van ongelijkheid. Daarnaast droegen de totstandkoming van de Déclaration des droits de l'Homme et du Citoyen (1789) en de geleidelijke afschaffing van de slavernij, beide bijzondere ontwikkelingen in de geschiedenis van de mensheid, bij aan het legitimeren van de revolutie. Maar voor de Franse revolutie als een uniek keerpunt dat de gehele structuur van het denken en samenleven veranderde, is er naar mijn mening maar één oorzaak. Historici waren het niet met me eens en bekritiseerde mijn werk fel, maar tot dusver zijn er geen goede argumenten aangedragen die mijn standpunt zouden kunnen ondermijnen.

Wat is het fundamentele verschil tussen de radicale en gematigde Verlichting? En wat is de rol van Contra-Verlichting? Jonathan Israel: Het is een onderscheid dat door veel historici op verschillende manieren is gemaakt. Een veel gehoorde kritiek is dat het concept van een te strikte scheiding tussen radicale en gematigde Verlichting uitgaat. In het eerste hoofdstuk na de inleiding van mijn nieuwe boek (Democratic Enlightenment) schrijf ik over de drie 'metafysische posities' die men innam ten opzichte van aardbevingen. Die drie posities zijn volledig onverenigbaar en ik heb geprobeerd op deze wijze het verschil tussen de radicale, gematigde en contra-Verlichting te verhelderen. Het verboden radicale Verlichtingsdenken ging ervan uit dat alle aardbevingen, en alle andere natuurrampen, alleen een natuurlijke oorzaak hadden. Goddelijke voorzienigheid had er niets mee te maken. Degene die de contra-Verlichting aanhingen, (geestelijken en de meerderheid van het gewone vaak analfabete volk) verwierpen het idee dat aardbevingen ook een natuurlijke oorzaak zouden kunnen hebben. God is de grondslag van alle natuurrampen, stelden ze. Elke 'door God gewilde' aardbeving was om een bepaalde groep te straffen. De aartsbisschop van Lima bijvoorbeeld, vaardigde na de vernietiging van de stad in 1746 een edict uit waarmee hij het volk waarschuwde om de radicale philosophes niet te geloven. De bisschop verklaarde de aardbeving in Lima door te stellen dat de vrouwen er te schaars gekleed over straat gingen.

In welke mate werd de radicale Verlichting maatschappelijk aanvaard?

Jonathan Israel: De gematigde Verlichting was de meest dominante stroming onder de opgeleiden. Elk 'redelijk' mens kon zich erin vinden. De gematigden stelden dat aardbevingen in sommige gevallen een goddelijke oorzaak en in andere gevallen een natuurlijke oorzaak hadden. Daarnaast probeerde de gematigde Verlichting een balans te vinden tussen rede enerzijds en religie en traditie anderzijds. Ze verwierpen de gedachte van de radicale Verlichtingsdenkers die de rede als het enige criterium voor de waarheid zagen. De gematigde Verlichting was veel makkelijker te verenigen met religie en autoriteit. Dat maakte het ook een aantrekkelijk voor mensen; dat is de juiste Verlichting, dacht men. Toen de Franse revolutie uitbrak, boette het gematigde Verlichtingsdenken echter aan invloed in. Het faalde in de zoektocht naar hervormingen en verbeteringen omdat de religieuze autoriteit in de samenleving te sterk bleek. Met de ineenstorting van de gematigde Verlichting viel het maatschappelijk middenveld weg. Hierdoor ontstond er een scherpe tegenstelling: of je koos de kant van de revolutionairen, of (zoals de meeste aristocraten, geestelijken en common people) je schaarde je achter de ideeën van de contra-Verlichting.

U heeft het in uw werk over de onverenigbaarheid van de gematigde met de radicale Verlichting, de onmogelijkheid om een compromis te sluiten tussen gematigd en radicaal denken. Jonathan Israel: Het is onmogelijk om tegelijkertijd radicaal en gematigd te zijn. Over het algemeen heeft men, filosofen ook, weinig moeite met contradicties in het denken. Het radicale en gematigde Verlichtingsdenken verschilt echter zo veel dat de twee consistent combineren onmogelijk is. David Hume (1711-1776) was bijvoorbeeld conservatief. Zowel zijn sociale als politieke theorieën waren zeer behoudend. Maar ook zijn morele filosofie kunnen we als conservatief kwalificeren. Het uitgangspunt van veel historici, die Hume in een bepaald opzicht een radicale denker vinden, is complete onzin.

Kunnen we de oorsprong van de radicale Verlichting vinden in het werk van Baruch Spinoza?

Jonathan Israel: Ik denk dat de 18de-eeuwse radicale Verlichtingsdenkers zichzelf in een traditie van radicaal denken plaatsten die vele eeuwen teruggaat, tot het begin van de filosofie in het algemeen. In die zin kunnen we Spinoza niet als een soort founding father van het radicale denken zien. D'Holbach (1723-1789), Diderot (1713-1784)en Helvétius (1715-1771) waren zich sterk bewust van de overeenkomsten tussen hun eigen radicale denken en de ideeën van bijvoorbeeld Lucretius en Epicures. Ook in de middeleeuwen bestonden er al zogenaamde filosofische sektes, vooral binnen de Islamitisch en Islamtisch-Joodse filosofie. In Dictionairre historique et critique van Pierre Bayle (1647-1706) kun je dat al lezen. In een lijvig stuk over Spinoza in de Dictionnaire stelt Bayle dat Spinoza niet zozeer de grondlegger van het radicale denken is geweest. Bayle vond wel dat Spinoza de verschillende elementen van de radicale Verlichting en de aanval op de religieuze autoriteit die daarmee gepaard ging op de meest coherente manier bijeen bracht. In die zin kun je Spinoza als een architect van de radicale Verlichting zien.

Hoe veel invloed had Spinoza op zijn tijd(genoten)?

Jonathan Israel: Dat Spinoza en andere radicalen de gemoederen bezig hielden, staat vast. In Voltaire's (1694-1778), laatste grote werk, Questions sur Encyclopédie, kun je lezen dat er een angst bestond voor de politieke consequenties van het radicale denken. Na de publicatie van onder andere D'Holbach's Système de la Nature (gepubliceerd onder de naam van Jean Baptiste de Mirabaud) en Diderot's Histoire Philosophique leek de intellectuele elite in Frankrijk in de ban van de radicale Verlichting en Spinoza had daar een belangrijk aandeel in.

U ziet uzelf als een Spinozist. Wat betekent dat vandaag de dag nog?

Jonathan Israel: Het heeft zeker nog een belangrijke betekenis. Ten eerste gaat de Spinozist ervan uit dat niet religie, traditie, overheid of wetten maar de rede het enige criterium voor legitimiteit is. Inherent hieraan zijn zaken als persvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Ten tweede hecht het Spinozisme, in tegenstelling tot de ideeën van de gematigde John Locke (1632-1704), veel waarde aan het idee van ruime tolerantie gecombineerd met de noodzaak om religieuze autoriteit in politiek en samenleving zoveel mogelijk te verzwakken. Moraal en religie moeten gescheiden blijven. Doe je dat niet dan is een ontwrichting van de samenleving onvermijdelijk. Spinozisme is in die zin relevant omdat het van een sterk principe uitgaat. Tolerantie speelt daarin overigens een belangrijke rol.

Pleitte Spinoza voor een atheïstische samenleving? Jonathan Israel: Spinoza wilde slechts een campagne tegen religieuze autoriteit, niet tegen religie in het algemeen. Hij pleitte in het geheel niet voor een samenleving zonder religie. In de 18de-eeuw was religieuze autoriteit zeer dominant. Ten eerste waren de meeste scholen en universiteiten religieus. De kerkelijkheid had de controle over het onderwijs. Daar ontsnapte je alleen aan als je thuis privé-les kreeg. Ten tweede was het recht op veel punten verstrengeld met de theologie. Juristen en filosofen, zoals de Italiaan Cesare Beccarias (1738-1794), hadden hier stevige kritiek op. Ook de politiek was niet gevrijwaard van religie. In katholieke landen oefenden de kardinalen en (aarts)bisschoppen veel invloed uit op het beleid. De hoogste staatsorganen in Spanje, Frankrijk en Italië hadden bijvoorbeeld kardinalen als ministers. Je ziet dat religie overal in de samenleving diep geworteld zat. Spinoza pleitte juist voor een strikte scheiding tussen religie en de publieke sfeer.

Kunt u uitleggen wat u bedoelt met de 'nieuwe contra-Verlichting, die in de jaren zeventig opkwam?

Jonathan Israel: De opkomst van die nieuwe contra-Verlichting heeft alles te maken met de neergang van links, de ineenstorting van het secularisme en de verzwakking van de filosofische rede. Er zijn slechts twee redenen waarom mensen deze manier van denken aanhangen: religieuze autoriteit en onwetendheid en stompzinnigheid. Helaas zet deze negatieve tendens zich door.

Waarom denkt u dat deze tendens verder zal groeien?

Jonathan Israel: Ik denk dat het ligt aan waar samenlevingen zich tegenwoordig op richten. Mensen zijn zich steeds minder bewust van de politieke (en economische) realiteit. Daarbij is het zo dat het onderwijsniveau in de laatste twintig jaar extreem is gedaald. Om dit tegen te gaan moet de collectieve kracht van filosofische en wetenschappelijke rede versterkt worden. De enige manier om dat te bewerkstelligen, is om de humaniora meer te waarderen en het onderwijs te hervormen en verbeteren. Essentieel daarvoor is het herstel van wat ik 'fatsoenlijk links' noem. De linkse ideologie moet, in intellectueel opzicht, hervormd worden. Ze moet hiervoor terugvallen op de radicale Verlichting. Als links zich organiseert en bij elkaar komt om hier over te discussiëren, dan zou er iets kunnen veranderen. Helaas is daar tot nog toe geen sprake van.


Interview door Daniel Boomsma

De interviewer is hoofdredacteur van DEMO, het ledenblad van de Jonge Democraten, D66.


Jonathan Israel

Links
mailto:daniel_boomsma@hotmail.com
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be