Hans Keilson is een bescheiden man. Ook al wordt hij in de New York Times een genie genoemd en worden zijn boeken wereldwijd opnieuw uitgegeven, toch vindt hij zichzelf maar een hobbyist. “Ik was eerst en vooral psychiater,” zegt hij, “Schrijven deed ik alleen maar voor mijn plezier, in mijn vrije tijd.” Die blijft er kalm bij, denkt u nu misschien, maar wat had u anders verwacht, een rondedansje? Keilson is de honderd voorbij, en op die leeftijd huppel je de kamer niet meer door omdat een Amerikaanse recensente de roman die je een halve eeuw eerder hebt geschreven een meesterwerk vindt. Nee, dan put je uit je levenservaring en zegt minzaam: “Ach, dat lijkt me toch een tikkeltje overdreven”. Huppelen is er in het geval van Keilson trouwens helemaal niet meer bij. Wanneer we hem ontmoeten, bij hem thuis in het Nederlandse Bussum, blijkt de man net een heupoperatie achter de rug te hebben waardoor hij met een rekje loopt. Zijn ogen en oren willen ook niet goed meer mee, merken we al gauw, maar geestelijk blijkt hij gelukkig zo fris als een hoentje. Hij maakt grapjes, citeert poëzie uit het hoofd en blijkt meer van de wereld af te weten dan menige twintigjarige.

De aanleiding voor ons bezoek is dubbel. Op 1 december 2010 verscheen immers Komedie in mineur, de in 1947 geschreven novelle waarin Keilson zijn ervaringen als Joods onderduiker verwerkte en waarin de schrijver de onderduiker laat sterven in zijn kamertje, wat voor de ‘vaderlandslievende Nederlanders’ die hem onderdak hadden geboden natuurlijk een paar moeilijkheden oplevert. Maar belangrijker is In de ban van de tegenstander, Keilsons magnum opus uit 1959 dat een paar maanden geleden in het Nederlands verscheen en waarin hij een jonge Jood gefascineerd laat worden door B., de führer die hem kost wat kost wil vernietigen. Net zoals hij het zelf deed tijdens de jaren dertig laat de schrijver de jongeman naar een partijbijeenkomst gaan, waar hij verscheurd tussen weerzin en fascinatie naar het geschreeuw van B. luistert, en de vrienden van de broer van zijn geliefde vertellen hem hoe leuk het was om een Joods kerkhof te vernielen. Steeds dieper graaft de jongeling in de geest van zijn vijand en daardoor ook in die van zichzelf, daarbij een psychologisch inzicht tentoonspreidend dat ook vandaag nog verassend en adembenemend is.

In feite is In de ban van de tegenstander natuurlijk een boek over de verhouding tussen joden en nazi’s, alleen worden die laatsten nooit bij naam genoemd. “Het ging me om een grotere kwestie,” legt Keilson zijn werkwijze uit, “Hitler en zijn jodenhaat vond ik een politiek probleem, terwijl ik op zoek was naar het menselijk probleem dat er achter schuilging. De nazi had immers een vijand nodig om zichzelf overeind te houden, omdat hij niet in het reine kwam met zijn eigen problemen. Ik ben psychoanalyticus en het wezen van de psychoanalyse is dat je op de bank ligt en vrijuit associeert zonder ook maar iets te verzwijgen. Je moet precies de dingen die je niet graag hoort over jezelf kunnen zeggen, zodat je weet wat er in je leeft. Je moet eerlijk zijn tegenover jezelf, ook al schaam je je dood voor je gedachten. Ik heb dit psychoanalytische inzicht op de literatuur proberen toepassen en daar waren heel veel mensen niet mee gediend. Rudolf Hirsch, mijn lector bij S. Fischer Verlag weigerde het zelfs uit te geven, en toen het uiteindelijk toch verscheen, werd het in Israël vijandig onthaald. De jongeman uit mijn boek raakt gefascineerd door zijn vijand, de man die hem dood wil, terwijl de vijand zelf niet goed weet wat hij daarmee aan moet en bang wordt. De haat van de vijand is zelfvernietigend. En dat proces is niet gestopt na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Dat bestaat vandaag nog. Zelfs in Israël. Wanneer je dat land bekijkt kun je je afvragen of de politiek die daar gevoerd wordt wel de goede is.”

Had u eenzelfde fascinatie voor de nazi’s als de jongeman uit uw boek?

Hans Keilson: In die fascinatie lag een stuk verbazing dat een groots volk als het Duitse, met een hoog cultureel peil, de macht overdroeg aan een man die niet in staat bleek zich af te vragen wat er met hem en zijn land zou gebeuren als alles mislukte. Dat doet toch iedere politicus, zakenman of medicus? Als arts vroeg ik me dat steeds af: wat moet ik doen als wat ik voorstel mislukt? Dat heeft Hitler zich nooit afgevraagd. Toen hij zag dat zijn spelletje uit was, pleegde hij zelfmoord. Daardoor raakte ik gefascineerd, door een man die helemaal geen viool kon spelen en dat toch deed. Mevrouw Goebels heeft haar eigen kinderen vermoord alvorens zelfmoord te plegen. Welke vrouw doet dat?

Heeft u daar als psychoanalyticus een antwoord op?

Hans Keilson: Er zijn heel erg gestoorde mensen op de wereld. Mevrouw Goebels moet zeer gestoord geweest zijn in haar verhouding tot de liefde en de zorg. Ze haalde rancune en medelijden door elkaar.

Misschien deed ze het wel om haar kinderen te beschermen.

Hans Keilson: Hoogst waarschijnlijk. Wat nu aan het licht gaat komen, moet ze gedacht hebben, mogen mijn kinderen niet weten. Dat hun vader daar mee bezig was. Maar waarom laat je je dan in met het soort politiek dat je kinderen het leven kan kosten? Als ze echt met haar kinderen had ingezeten had ze tegen haar man gezegd dat hetgeen hij uitvoerde niet door de beugel kon. Vandaar mijn bewering dat de haat van de nazi’s zelfvernietigend was. En dat hebben ze zelf nooit ingezien.

Hoe verklaart u dat het precies in het cultureel hoogstaande Duitsland was dat het nazisme ontstond?

Hans Keilson: Door de kloof die er bestond tussen illusie en realiteit. Ik zat in het laatste jaar van het gymnasium toen onze leraar Duits ons opdroeg zelf een thema te zoeken en daar voor de klas iets over te brengen. Ik koos een gedicht van Heinrich Heine, ‘Die schlesischen Weber’, dat zo begint: “Im düstern Auge keine Träne, / Sie sitzen am Webstuhl und fletschen die Zähne: / Deutschland, wir weben dein Leichentuch, / Wir weben hinein den dreifachen Fluch - / Wir weben, wir weben!” Het ging over de sociale verhoudingen van de wevers. Ik droeg het gedicht voor, de leraar vroeg of er iemand een opmerking had en de klasoudste stond op en zei dat dit een onwaardig gedicht was voor een Duitser omdat het het eigen nest bevuilde. De leraar wist zich geen raad. Toen ervoer ik voor de eerste keer aan den lijve dat Duitsland de verkeerde weg op ging. Ik was toen zeventien.

In het boek nemen de jongeman en zijn vader afscheid van elkaar. De zoon vlucht naar Nederland. De vader maakt een koffertje voor zijn zoon. Heeft u dit zelf ook meegemaakt?

Hans Keilson: Ons afscheid was niet zo duidelijk als in het boek, maar er was wel iets dergelijks. Mijn vader gaf me zijn zegen toen hij afscheid nam van mij. Ik heb mijn ouders niet kunnen redden. Zij zijn afgevoerd naar Auschwitz. Dat trauma leeft nog steeds in mij. Ik denk daar nog vaak aan. Ik ben er nog niet klaar mee.

Heeft de wereld iets geleerd uit de oorlog?

Hans Keilson: Ik ken mensen die nooit iets zullen leren. De vraag is hoe gezond onze democratie is, zodat dit soort mensen niet tot staatsman wordt verkozen.

Wat denkt u dan van de nieuwe Nederlandse regering die gedoogsteun krijgt van Geert Wilders?

Hans Keilson: (lacht) Ik hoopte dat u mij dat niet zou vragen. Ik heb daar maar een ding over te zeggen: hij is niet mijn patiënt.


Hans Keilson, In de ban van de tegenstander, vertaald door M.G. Schenk, Van Gennep, 2009, 240 p., 19,90 euro - Hans Keilson, Komedie in mineur, vertaald door H. Sanders, Van Gennep, 2010, 127 p., 12,95 euro

Interview door Marnix Verplancke

Hans Keilson (°1909, Bad Freienwalde, Duitsland) studeerde geneeskunde en nadien, omdat hij onder het naziregime geen arts mocht zijn, lichamelijke opvoeding, waarna hij aan de slag ging als sportleraar. Debuteerde in 1933 met Das Leben geht weiter, een roman gebaseerd op de neerwaartse carrière van zijn vader tijdens de Weimar-republiek, het laatste door een Jood geschreven boek dat S. Fischer Verlag voor de oorlog publiceerde. Een jaar later werd het verboden. Vluchtte in 1936 naar Nederland, dook na de inval van de Duitsers in 1940 onder en werd actief in het (geweldloos) verzet. Voor de Freie Gruppe Amsterdam hielp hij Joodse kinderen aan een onderduikadres. In 1942 begon hij aan ‘Der Tod des Widersachers’, nu vertaald als In de ban van de tegenstander. Na goed vijftig pagina’s diende hij te stoppen met schrijven. Zijn vrouw begroef het onafgewerkte manuscript verpakt in een broodtrommel in de tuin. Hij werkte het pas in 1959 helemaal af. In 1947 verscheen de novelle ‘Komödie in Moll’, in het Nederlands ‘Komedie in mineur’, de novelle waarin hij zijn ervaringen als Joods onderduiker verwerkte. Na de oorlog ging hij aan de slag als psychiater, en in 1979 promoveerde hij op een studie over oorlogstrauma’s bij Joodse kinderen. Zijn literaire oeuvre werd dit jaar herontdekt en werd in de New York Times beschreven als het werk van een genie, wat hij zelf ‘een beetje overdreven’ vindt.

Hans Keilson

Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be