Het staat tegenwoordig niet meer ter discussie dat de markteconomie, vanwege de materiële voordelen, te verkiezen is boven de centraal geleide economie. De vrije markt zou echter wel een moreel lagere status hebben. De auteur is het daar niet mee eens en komt in onderstaande dialoog met argumenten tegen deze vermeende lage moraliteit van de markt. In 1847 bestreed Fréderic Bastiat vooroordelen in zijn tijd tegen de vrijhandel (1). Hij deed dat in de vorm van een fictief debat met vragen en antwoorden (2). In onze tijd worden de materiële voordelen van een markteconomie boven een centraal geleide economie en overheidsingrijpen algemeen erkend. Maar velen zijn van mening dat de markt moreel inferieur is aan overheidsingrijpen. Naar het voorbeeld van Bastiat volgt hieronder een aantal argumenten tegen dat vermeende gebrek van de markt (3). De tegenwerpingen beogen de aanvaardbaarheid van de markt in morele zin te vergroten. Stel iemand zegt tegen je: ‘De markt heeft geen moraal.’ Auke Leen: Dat klopt, de markt is amoreel: zij komt niet voor morele beoordeling in aanmerking. De markt is een ruilproces dat even goed of slecht is als de mensen die haar gebruiken. Maar dat laatste geldt ook voor de besluitvorming van de overheid. Zo gezien, is het voor de consument een keuze uit twee kwaden: overgeleverd te zijn de overheid dan wel de markt. Stel iemand zegt tegen je: ‘De markt kan pas werken als de mensen voldoende moraal hebben.’ Auke Leen: De vrije markt biedt het individu de kans zich moreel te ontwikkelen. Slechts bij eigen keuze en verantwoordelijkheid kunnen individuen bestaande waarden bevestigen, doen groeien en moreel respect verdienen. Een vrije markt met immorele mensen is daarom te verkiezen boven een onvrije samenleving met dezelfde mensen. Te wachten tot mensen voldoende moraal hebben om de vrijheid van de markt aan te kunnen, staat gelijk aan de dwaas die niet in het water wilde gaan voordat hij had geleerd hoe echt te zwemmen. Stel iemand zegt tegen je: ‘De markt is er alleen voor de sterken en niet voor de zwakken.’ Auke Leen: Zwakken en sterken zijn er in iedere maatschappij. Waar het op aan komt is dat in een markt de sterken alleen hun macht kunnen uitoefenen door producten te produceren die zwakken in vrijwilligheid kopen. Alleen door de massa van zwakken te dienen, valt er voor de sterke geld te verdienen. De kern van de markteconomie is een vrijwillige wederzijds voordelige ruil. In de voor-kapitalistische maatschappij, daarentegen, was de zwakke het slachtoffer van, bijvoorbeeld, de macht van de roofridder. Het verwijt staat gelijk aan de angst dat bedrijven hun machtsposities uitbuiten: de winst opdrijven ten koste van de consumenten. Maar in een markteconomie, waar consumenten aan het roer staan, volgen winsten goede producten en diensten. Zolang de toetreding tot een markt vrij is, kan geen producent zijn macht uitbuiten. Stel iemand zegt tegen je: ‘Wat nodig is, is een meer gelijke inkomensverdeling.’ Auke Leen: Een ongelijke beloning en het marktproces dat rijkdom creëert gaan hand in hand. Je maakt de armen niet rijker door de rijken armer te maken. Er bestaat het idee dat je het ene kunt behouden en aan het andere kunt gaan sleutelen. Maar de maatschappij is een complex geheel van met elkaar samenhangende elementen. Gelijkheid in beloning ontneemt individuen het morele recht op de vruchten van hun arbeid. Als een individu het recht heeft op zijn eigen leven, heeft hij ook het recht dat in stand te houden en te profiteren van het resultaat van zijn werk. Gelijkheid in beloning ontneemt de mens ook de prikkel om zich in te spannen. Een beleid dat de welvaart voor een ieder vernietigt is immoreel. De materiële vloed van een ongelijke inkomensverdeling tilt ieder bootje op groot of klein. De markt is een ontdekkingsproces waarin producenten de prikkel hebben om aan consumentenwensen te voldoen en te kijken of de dienstverlening goedkoper en beter kan. We moeten een onderscheid maken tussen de goede bedoelingen van overheidsbeleid en de resultaten op de welvaart die volgen uit de prikkels die van dat beleid uitgaan. De positieve resultaten van beleid zeggen niets over de kosten. Zoals ook het aantal soldaten dat levend van een slachtveld komt niets zegt over het aantal slachtoffers. Stel iemand zegt tegen je: ‘De hoogte van de beloning van productiefactoren behoort moreel te worden getoetst.’ Auke Leen: Die stelling is niet eens een halve waarheid maar helemaal fout. Een van de centrale kenmerken van de markteconomie is dat de materiële beloning van een activiteit (binnen de wet en gebonden aan concurrentie) in overeenstemming dient te zijn met de waarde van die specifieke dienst voor de gebruiker. Die beloning heeft niets te maken met de waardering die iemand in moreel opzicht als mens heeft in de ogen van anderen. Van de eerst norm is de vruchtbaarheid aangetoond, theoretisch door de economische wetenschap en praktisch in de markteconomie door groei van de welvaart en bevolking. Stel iemand zegt tegen je: ‘Winst wordt slechts aangewend voor zelfverrijking en blijft in particuliere handen.’ Auke Leen: Een kapitalist die zijn winst niet investeert naar de wens van de consument verliest die winst. Eigendom in een kapitalistische economie, voor zover het productiemiddelen betreft, is een publiek mandaat. Een bedrijf heeft waarde, en ook slechts voor zolang, als het investeert daar waar de consumenten dat willen. Stel iemand zegt tegen je: ‘We zijn op de wereld om elkaar te helpen. We kunnen allemaal best iets inleveren en solidair zijn met onze medemens die het niet zo breed heeft.’ Auke Leen: Volkomen gelijk. Alleen moet dat helpen wel in vrijheid gebeuren. Het idealisme van een doel kan worden betwijfeld als voor de vervulling daarvan het nodig is de middelen die anderen voor zichzelf hebben gecreëerd door middel van belastingheffing te gebruiken. Gedwongen solidariteit, via belastingheffing of het betalen van sociale premies, heeft niets met echte solidariteit te maken. Echte solidariteit dient, wil zij morele waarde bezitten, gebaseerd te zijn op vrijwilligheid. Bovendien, de private charitatieve hulp die er bij afwezigheid van dwang zal zijn, helpt, zo leert de ervaring, veel meer mensen dan overheidshulp. Er blijft minder aan de strijkstok hangen en het sluit oneigenlijke gebruikers beter uit. We kunnen toe met veel minder hulp. Stel iemand zegt tegen je: ‘De armen kunnen zich zelf niet helpen.’ Auke Leen: Daargelaten specifieke groepen zoals zwakbegaafden, chronisch zieken, gehandicapten en ouderen komt dat ten dele door de immoraliteit van de vele regels. Regels die het een arme verhinderen zichzelf te helpen. Vroeger kon een arme zich een auto permitteren door die auto voor een gedeelte van de week als taxi te gebruiken, zoals velen zich nu nog een bepaald huis kunnen veroorloven door er kamers in te verhuren. Wat niet uitsluit dat de oplossing, het ontdekkingsproces van de markt, tijd kost. Maar dat doet overheidsbesluitvorming en de uitvoering daarvan ook. Stel iemand zegt tegen je: ‘Als democratisch tot een beleid van herverdeling wordt besloten, is dat beleid ook moreel gerechtvaardigd.’ Auke Leen: We moeten een onderscheid maken tussen politieke en persoonlijke vrijheid. Een besluit dat door een democratische meerderheid wordt genomen, kan ten koste gaan van de vrijheid van het individu. In extreme gevallen kan men democratisch besluiten om de democratie af te schaffen, hetgeen tot een quasi-onomkeerbaar proces leidt met een verlies aan vrijheid van vrijwel alle individuen, zoals dat in Nazi-Duitsland is gebeurd. Om dat te voorkomen dienen extra waarborgen in de grondwet worden vastgelegd, hetgeen in vele landen het geval is. Deze extra waarborgen vloeien voort uit het mensbeeld dat in een samenleving bestaat. Wordt de mens in de eerste plaats beschouwd als een deel van de gemeenschap of wordt de mens vooral beschouwd als individu met onvervreemdbare rechten, dat dient te worden beschermd tegen de passies van de meerderheid op een bepaald moment? In een groot deel van de Westerse wereld is het laatste het geval. Stel iemand zegt tegen je: ‘De uitkomsten van het marktproces vragen om een morele toets.’ Auke Leen: De uitkomsten van het marktproces zijn door niemand te bepalen. Zij zijn het gevolg van kunde en geluk en kunnen dus ook niet moreel worden beoordeeld. Het is even onzinnig om een vulkaanuitbarsting moreel of immoreel te noemen. Het is juist de kracht van de markt dat deze niet berust op een eenduidig geordende lijst van doelen die moreel kan worden beoordeeld. Op de markt hebben individuen de vrijheid om hun eigen doelen na te streven, zonder dat dit met het nastreven van de doelen van andere individuen in botsing komt. Als doeleinden van individuen en groepen verschillen geeft de markt een orde van vrede.
Auke Leen Linkshttp://www.teldersstichting.nl/ |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|