Richard Mason schreef een flitsende roman over een genotzoeker die zich in het Amsterdam van begin twintigste eeuw schaamteloos uitleeft in kunst en seks en daarbij slechts één zaak voor ogen heeft: zijn eigen fortuin. Een gesprek over hedonisme, het voordeel van schrijven met een pen en het geruststellende gevoel in Zuid-Afrika een tent te hebben staan. Inderdaad, in Zuid-Afrika, want het is daar dat Mason tot zijn tiende woonde alvorens te verkassen naar Glasgow, Londen en uiteindelijk New York. Waarom schrijft zo iemand een roman over het Amsterdam van 1907, voegen we ons af, en dat blijkt veel met de grachtenarchitectuur te maken te hebben. “Het heeft me een bezoekje of vijf gekost voor ik de taal van die architectuur ontraadseld had,” legt Mason uit, “De boodschap die ervan uitgaat is immers heel stil, maar desondanks niet te missen. Het huis van een rijke bel epoque Parijzenaar is tien keer zo groot als een herenhuis op de Amsterdamse Herengracht, en in New York werden in die tijd huizen gebouwd die wel twintig keer zo goot waren. In Amsterdam bleef men altijd bescheiden, maar wanneer je goed kijkt, zie je dat er verschillen zijn. Je moet al een tijdje rondlopen langsheen de grachten voor het je opvalt, maar niet alle huizen zijn even groot. Er zijn er met twee ramen op de benedenverdieping, met drie, vier en zelfs vijf of zes. En wanneer je dan voor zo’n huis met zes ramen staat, hoor je het fluisteren over macht en rijkdom. Ik hou van die subtiliteit.” Moeten we uw roman lezen als een ode aan het hedonisme? Richard Mason: Helemaal. Ik wou niet alleen een boek schrijven over plezier, maar ik wou de lezer ook zelf plezier bezorgen. Het moderne leven zadelt ons met zo veel zorgen op dat we ook wel eens plezier mogen maken. Piet wil niet alleen rijk worden, zo oppervlakkig is hij niet. Hij weet mooie zaken en ervaringen te appreciëren. Ik wou een avonturenverhaal voor volwassenen schrijven, waarin de held zich in nesten zou werken en er ook weer ongeschonden uit zou komen. Door het net voor de Eerste Wereldoorlog te laten spelen heeft uw boek ook iets tragisch. Alles wat u beschrijft is gedoemd te verdwijnen. Richard Mason: De Eerste Wereldoorlog veroorzaakte een breuk in de Westerse cultuur die in feite nooit meer geheeld is. Tijdens de negentiende eeuw werd de kunst steeds gezapiger en zoeter, denk bijvoorbeeld aan Bizets Carmen. Na de oorlog was zo’n opera ondenkbaar. Toen sloegen Schoenberg en Webern met hun atonale muziek het kleinburgerlijke verleden aan diggelen. Kunst wou voortaan uitdagen. Men ging gebukt onder een oorlogstrauma. En het tragische is dat die oorlog helemaal niet had moeten plaatsvinden. De Tweede Wereldoorlog wel natuurlijk, anders was Hitler niet te stoppen geweest, maar de Eerste was in feite niet anders dan een belachelijke familieruzie op hoog niveau. Heeft een schrijver, over welke periode hij ook moge schrijven, het ook niet altijd een beetje over zijn eigen tijd? Richard Mason: Volgens mij beleven de middenklasse westerlingen vandaag een nieuwe bel epoque. We kunnen eten wat we willen, we kunnen reizen waarheen we willen en we hebben nooit een echte oorlog meegemaakt. De doen alsof er geen limiet staat op onze natuurlijke bronnen. Elektrisch licht is zoiets vanzelfsprekends geworden dat we ons zelfs niet kunnen inbeelden dat er ooit stroomonderbrekingen zouden kunnen komen. We vissen de zeeën op zo’n verontrustend snel tempo leeg dat er over een paar decennia geen vis meer zal zijn. Hongersnoden behoren tot de mogelijkheden en we kijken liever de andere kant op dan rekening te houden met de realiteit. Zo was het ook voor de Eerste Wereldoorlog. Men had alles en maakte er zonder nadenken gebruik van. Uw held Piet vrijt net zo vlot met vrouwen als met mannen. Hoe werd homoseksualiteit begin twintigste eeuw gezien? Richard Mason: Wij maken onszelf nogal graag wijs dat wij de uitvinders van de tolerantie zijn, en dat er voor 1950 nooit iemand goede seks heeft gehad, maar dat is gewoon onzin natuurlijk. Wat wel heel modern is, is het onderscheid tussen hetero- en homoseksueel. Zo dacht men er alleszins niet over in de negentiende eeuw. We zijn niet homo of hetero. Mensen zijn veel complexer. Sommigen weten precies wie ze zijn en wat ze willen, maar niet iedereen. Wanneer je de privégeschriften van de Victorianen leest, merk je dat heel goed. Wat mij trouwens steeds weer opvalt, is dat mensen die in het reine zijn met hun eigen seksualiteit ook geen last hebben met die van een ander. Het is toch opvallend dat net de ultraconservatieve politici die homoseksualiteit willen verbieden affaires hebben met minderjarige jongens. De negentiende eeuw kende heel veel homoseksualiteit zonder dat men zich identificeerde als homo of daar schuldgevoelens bij had. Het is echt niet zo dat iedere homo de voorbije tweeduizend jaar geplaagd werd door zelfhaat. Bent u zelf ook een genotzoeker? Richard Mason: Soms, maar meestal niet. ik ben nu eenmaal niet zo positief ingesteld en heb vaak last van neerlachtigheid. Wat ik wel gemeen heb met Piet is dat ik echt heel erg kan genieten van het heden en ik genot kan beleven aan kleine zaken. Me tussen fris gewassen lakens laten glijden, vind ik bijvoorbeeld fantastisch. Veel mensen doen dat gewoon zonder erbij na te denken, terwijl ik er iedere keer weer intens van geniet. Ieder van mijn boeken heeft zijn eigen atmosfeer en die van Geschiedenis van een genotzoeker is allegro vivace: snel, optimistisch en plezierig. En zo leest het boek ook: snel als een wervelwind. Richard Mason: Dat heb ik geleerd van Irène Némirovsky. Ik ging in de luchthaven een paar mensen ophalen die bij me kwamen logeren voor het weekend. Omdat ik te vroeg was, stapte ik een boekhandel binnen en kocht Némirovki’s Suite française. Toen mijn vrienden arriveerden zat ik twintig pagina’s ver en wist ik dat er dat weekend niets van uitgaan en plezier maken in huis zou komen. Ik wou lezen. Dus nam ik mijn gasten mee naar mijn bibliotheek en liet hen een boek kiezen. Drie dagen lang hebben we alleen maar gelezen, wat uiteindelijk een onvergetelijke ervaring opleverde. Némirovsky’s boek gaat over twaalf mensen die Parijs ontvluchten net voor de Duitsers de stad bezetten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze schreef onder druk en met veel beperkingen, en dat gaf haar een sturend kader waardoor ze minder met zichzelf en meer met het verhaal kon bezig zijn. Ze had geen tijd om het eindeloos te redigeren en bij te schaven en dat maakt een groot deel van zijn charme uit. Ik heb soms te neiging al te lang bezig te zijn met het perfectioneren van mijn zinnen, waardoor het dode juweeltjes worden. Vandaar dat ik mijn roman met een pen geschreven heb in een schrift dat daar speciaal voor gemaakt is. Ik wou mezelf ook beperkingen opleggen. Er zijn inderdaad niet veel schrijvers meer die met pen en papier werken. Richard Mason: En dat is eraan te zien ook. Een tekstverwerker maakt het veel te makkelijk om iets te veranderen aan de tekst. William Morris zei dat er hoop zit in eerlijke fouten, maar niet in de ijzige perfectie van de zuivere stilist. Het is een uitspraak die ik constant in mijn achterhoofd moet houden, want ik kan zonder enig probleem dezelfde zin zevenhonderd keer veranderen en nog niet echt tevreden zijn. Een tekstverwerker stelt je in staat verstrikt te raken in je eigen hersenspinsels, maar daardoor wordt het boek er nog niet beter op. Wanneer je met pen in een schrift schrijft, kun je natuurlijk ook wel eens iets veranderen, maar er zijn grenzen aan je blad. Ik heb dit schrift met de hand laten maken, met een speciale kaft er omheen. Ik wou over mooie dingen schrijven in een mooi schrift. Je kunt het openen en de bladen liggen vlak, niet gebogen, wat fantastisch goed schrijft. Ik hou ook van het formaat van het papier, iets groter dan A4. Iedere keer ik een pagina omdraaide voelde ik me goed, omdat het blad niet te groot was om me er verloren op te voelen. Toch is er nog een andere grote gelijkenis tussen u en Piet. Jullie zijn allebei kosmopolitische wereldreizigers die overal thuis zijn. Richard Mason: Mijn partner wordt er gek van. Richard, zegt hij dan, laat ons alsjeblieft een half jaar thuis blijven. Maar dat kan ik niet. Net als Piet zie ik het leven als een reeks avonturen die iedere keer op een andere plaats spelen. Momenteel staan mijn boeken in Glasgow, ligt een deel van mijn bezittingen in een tent in Zuid-Afrika en een appartement in Kaapstad, terwijl de rest zich in New York bevindt. Ik heb dus nooit alles wat ik wil op hetzelfde moment. Soms wou ik dat ik het lawaai in mijn hoofd kon stoppen, ook al besef ik dat het goed lawaai is en ik er mijn schrijverschap aan te danken heb. Wat zou ik er niet voor geven in staat te zijn me een jaar terug te trekken op dezelfde plaats om een boek te schrijven en me over niets anders zorgen te moeten maken. Begin dit jaar stond ik in een prachtig achttiende-eeuws huis in Marble Head, in Massachusetts. De eerste verdieping was leeg en te huur voor een habbekrats. Zevenhonderd dollar voor een fantastisch appartement in een huis uit 1725. Ik wist dat als ik me een matras en een tafel zou aanschaffen, ik mijn nieuwe roman in drie maanden klaar zou hebben, maar ik kon het niet. Ik vond dat ik te veel andere dingen te doen had. Nu zijn die drie maanden voorbij en ik vraag me af wat ik al die tijd gedaan heb. Alleszins niet dat boek schrijven, en daar heb ik soms spijt van. Met al die avonturen in mijn leven kom ik gewoon niet meer aan werken toe. En toch moet die tent in Zuid-Afrika ook geruststellend werken. U kan altijd terug. Richard Mason: Dat doet ze zeker. Ze is mijn verzekeringspolis. Stel dat niemand ooit nog een boek van mij zou kopen en mijn uitgever me aan de deur zette, dan kon ik terug naar die tent, een groentetuin aanleggen en eindelijk het boek schrijven dat ik al jaren in gedachten heb, louter voor mezelf. Misschien zou dat wel het beste zijn wat me ooit kon overkomen.
Linksmailto:marnixverplancke@skynet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|