De oorsprong van het economische nationalisme in Vlaanderen

interview vrijdag 13 juni 2008

Olivier Boehme

De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum.

Olivier Boehme (1974) is doctor in de Geschiedenis en als onderzoekscoördinator verbonden aan de Hogeschool Antwerpen. Hij publiceerde eerder al over de Vlaamse Beweging, de Revolutie van rechts in Vlaanderen tijdens het interbellum en de politiek-financiële geschiedenis van België. In zijn nieuwe boek Greep naar de markt beschrijft hij een tot nu toe ongekend hoofdstuk uit het communautaire verleden van België. Dit tot boek uitgewerkte proefschrift brengt het verhaal van de Vlaamse Beweging die vooral vanaf het interbellum haar eigen sociaal-economische agenda volop uitspeelde en zo mee aan de basis lag van een nieuwe dimensie in het politieke en sociaal-economische leven van België. Deze ontvoogdingsstrijd ging gepaard met klachten over de 'kolonisatie' door de Franstaligen van Vlaanderen, transfers van welvaart, ongelijke behandeling en de eis van meer Vlaamse greep op het sociaal-economische beleid. Met zijn nieuwe boek zorgt Boehme voor meer inzicht in de historische oorsprong van de actuele communautaire situatie, door niet alleen in te spelen op de taalaspecten.

In zijn voorwoord noemt de promotor van uw doctoraat professor Herman Van Goethem, uw nieuwe boek ‘een mijlpaal in de economische geschiedenis van Vlaanderen’. Hoe komt het volgens u dat er tot nu toe zo weinig onderzoek is gebeurd naar de sociaal-economische dimensie van de Vlaamse beweging? Olivier Boehme: Een sluitende verklaring heb ik daar niet voor. De Vlaamse Beweging was natuurlijk in de eerste plaats een taal- en cultuurbeweging. Alles wat daarmee verband hield, sprong ook de historici van die beweging het eerst in het oog. Veel aandacht is gegaan naar de taalstrijd en de taalwetgeving, naar de vele organisaties die zich op die beweging entten en natuurlijk ook naar de Nieuwe Orde en collaboratie. De verwerking van dat stuk ‘zwart’ Vlaams oorlogsverleden heeft de historische focus sterk bepaald. Er is echter meer. De beoefenaars van de geschiedenis van de Vlaamse Beweging waren in eerste instantie bedreven in de politieke en de culturele geschiedenis. Met sociale en economische geschiedenis waren zij niet echt begaan. De sociaal-economisch historici daarentegen hebben voor de Vlaamse Beweging nauwelijks belangstelling gehad. Politicologen en sociologen kijken dan weer vaak niet verder terug dan tot na de Tweede Wereldoorlog. Mijn eigen curriculum als historicus en mijn eigen belangstellingssferen hebben gemaakt dat ik als eerste dit thema systematisch ben beginnen aanboren. Wat de verklaring ook mag zijn, ik blijf toch wel een beetje verbaasd dat het al lang durende Vlaams-Waalse transferdebat andere onderzoekers niet eerder daartoe uitgenodigd heeft. Meer in het algemeen kan ik het slechts betreuren dat de aanwezigheid van historici en hun inzichten bij het inlichten van de publieke opinie en de pers in ons land, of toch het Nederlandstalige deel daarvan, niet zo sterk is.

Wat mag men juist verstaan onder economisch nationalisme en wat was de invloed van deze strekking in de strijd om de Vlaamse ontvoogding? Olivier Boehme: In wezen is het een nationalisme in economische termen en met economische middelen. Eerst is er het nationalistische referentiekader, meer concreet: de idee van een Vlaams volk met eigen taal, cultuur, aard en bodem. Daaraan wordt de idee gekoppeld dat de economische activiteiten van dat volk en zijn economische belangen ook specifiek Vlaams zijn. Economisch nationalisme is dus niet een economische theorie als een andere. Waar de economist, van welke school ook, in de eerste plaats het materiële schaarsteprobleem wil begrijpen en oplossen, wil de economische nationalist zijn nationalistische strijd met onder meer economische wapens voeren. De Vlaamse Beweging is dit eigen sociaal-economische verhaal in zijn ruimere ideologie beginnen opnemen van in de 19e eeuw, maar de grote impulsen kwamen vooral vanaf de eeuwwisseling en doorheen het interbellum.

Wie waren de sleutelfiguren die zo een Vlaamse economische agenda lanceerden? Olivier Boehme: De vader van het Vlaamse economische denken is ongetwijfeld Lodewijk De Raet, één van de medestanders van het Liberaal Vlaams Verbond. Hij beschikte over een economische vorming die aan het einde van de 19e eeuw in Vlaanderen nog eerder uitzonderlijk was. Niet onterecht stelde hij dat economische vooruitgang voor ‘arm Vlaanderen’ besloten lag in de vorming van beter geschoolde werknemers. Jonge economieën als de Amerikaanse en Duitse toonden aan dat zo enorme productiviteitsstijgingen te realiseren vielen. Alleen verhoging van de productiviteit maakte hogere lonen mogelijk. Maar waar moesten die Vlaamse mensen gevormd worden? In het toen nagenoeg volkomen Franstalige middelbaar en hoger onderwijs? Dat had gekund, zoals de efficiënte verfransing van de periferie van Frankrijk tijdens de laatste decennia van de 19e eeuw bewees. Maar dat stuitte op de nationalistische overtuiging van De Raet. De Vlaamse cultuur en het Standaardnederlands waren nochtans in zijn tijd nog in opbouw en lang niet algemeen verspreid. Het gebruik van het Frans als verbindende cultuurtaal voor het officiële en professionele leven was een reële en door vele tijdgenoten aangehangen optie. Hier echter zie je dat economisch nationalisme in eerste instantie nationalisme is: De Raet wilde een Vlaams volk doen ‘herleven’ en zijn specifieke economische sectoren en belangen op zijn ‘Vlaamse bodem’ tot ontwikkeling brengen. In het voordeel van wie? Van de individuele Vlaming, dat is zeker, maar óók van het ‘Vlaamse volk’ in zijn geheel. Dit holisme, waarbij het geheel meer is dan de som van de delen en zelfs de voorrang op die individuele delen krijgt, maakt de kern uit van het nationalisme, dus ook van het economische nationalisme.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog radicaliseerde een deel van de Vlaamse Beweging. Had dat ook gevolgen voor de economische agenda?

Olivier Boehme: De Raet, die zelf gestorven is in 1914, heeft tijdens de Eerste Wereldoorlog en daarna veel navolging gekregen. Tijdens de oorlog bouwden de activisten, de Vlaamsgezinden die met de Duitse bezetter samenwerkten, op zijn ideeën verder. Na de oorlog zetten figuren die uit dit activisme kwamen dit werk voort. Te denken valt vooral aan Herman Vos, die later naar het socialisme overging, en aan Robert Van Genechten. Van Genechten leefde in ballingschap in Nederland, waar hij een reputatie als monetair deskundige van internationale rang opbouwde. Zijn scherpzinnige monetaire analyses paste hij ook toe op Vlaanderen. Dat werd volgens hem benadeeld door een te zwak rentebeleid ten behoeve van de Waalse exportindustrie. Van Genechten radicaliseerde alsmaar meer en lieerde zich aan de kring rond het extremistische Vlaams-nationalistische tijdschrift met de niet erg originele titel Vlaanderen. Dit milieu speelde voortdurend in op de publieke opinie in Vlaanderen en bleef niet zonder invloed, met name niet in de Vlaamsgezinde studentenwereld waar zich de ‘Vlaamse voormannen’ van de volgende generatie bevonden. De jonge professor economie en katholieke politicus Gaston Eyskens bijvoorbeeld schreef over de economie in Vlaanderen op een manier die verwant is aan zowel De Raet als zelfs het weekblad Vlaanderen. Het ging echter verder. Van Genechten kreeg ook positieve aandacht in de Vlaamse vleugel van de socialisten en jonge Vlaamsgezinde socialisten als Maurits Naessens deden in radicaliteit niet altijd onder voor andere nationalisten.

Hoever ging de versplintering en interne verdeeldheid over het Vlaams economisch programma?

Olivier Boehme: Het is duidelijk dat als de maatschappelijke invulling van de idee ‘Vlaanderen’ aan de orde kwam, de ideologische breuklijnen aan het licht traden. Eigenlijk was dat al het geval bij de vraag hoever het eisenpakket van de Vlaamse Beweging wel mocht gaan. De vrijzinnigen zag het niet zitten om in de rol van minderheid in een toen nog overwegend katholiek Vlaanderen gedrukt te worden. In het katholieke kamp echter leefde evengoed de wil om de eenheid van België te bewaren, al was het maar omdat de Kerk de eenheid van de Belgische gelovigen hardnekkig verdedigde. Toen het op economie aankwam, werd het duidelijk dat Vlaamse socialisten, zeker de plansocialisten van Hendrik De Man, het met de liberalen niet konden vinden en vice versa. Maar ook aan katholieke zijde bestond er niet veel animo om mee te gaan in wat zij als nefast collectivisme beschouwden. Zij hadden het meer voor een of andere vorm van corporatisme. Tot de Vlaamse Nieuwe Orde-gezinden met die term begonnen te goochelen en hem onmiskenbaar autoritair invulden, toen begonnen gematigde katholieken meer op hun woorden te letten. De Vlaamse liberalen keerden zich begrijpelijk genoeg tegen zowel links collectivisme als rechts corporatisme. Maar ze zagen zich, net als hun Franstalige partijgenoten, in de jaren ’30 wel verplicht een antwoord te bieden op de grote crisis die de wereld en dus ook ons land in haar greep hield. Er was toen zelfs sprake van ‘liberaal solidarisme’, waarmee eigenlijk bedoeld werd dat een vorm van sociaal overleg en meer sociale correcties wel kon.

Hoever gingen de liberalen in hun Vlaamsgezindheid?

Olivier Boehme: Er bestond zeker vóór de Eerste Wereldoorlog een sterke Vlaamsgezinde vleugel met steun onder een deel van de stedelijke burgerij en ook bij de vrijzinnige arbeiders. Door de collaboratie van onder meer Leo Augusteyns ging een deel van die beweging voor het georganiseerde liberalisme verloren. De Vlaamsgezinde liberalen die overbleven, en verenigd waren in het onder meer het LVV, kwamen in de jaren ’20 niet sterk aan bod in de liberale partij. Die werd toen gedomineerd door Franstalige en eerder conservatieve liberalen. Mensen als Arthur Vanderpoorten probeerden toen tevergeefs tegen de stroom op te roeien. In de jaren ’30 kwamen er meer kansen, omdat ze daar blijkbaar beseften dat er met de evoluties in het noorden van België meer rekening moest worden gehouden. Ook de Vlaamsgezinde liberalen hebben zich echter van alle strekkingen binnen de Vlaamse Beweging het meest unitaristisch opgesteld. Ze legden de klemtoon op de Belgische politieke en economische eenheid. Open grenzen naar buiten toe voerden ze eveneens hoog in het vaandel. Maar dit laatste was wel de grondtoon in heel de Vlaamse Beweging.

Hoe komt dat?

Olivier Boehme: Omdat bijvoorbeeld ook de overwegend katholieke werkgevers van het Vlaams Economisch Verbond, opgericht in 1926 met uitgesproken Vlaamsgezinde bedoelingen, heel goed wisten dat Vlaanderen alles te winnen had bij een open economie. Dat was goed voor de Vlaamse havens en voor de op export gerichte industrie. Het economische lot van Vlaanderen viel hier samen met dat van België als geheel: een klein land dat ijverig aan in-, uit- en doorvoer deed had bij een inkrimpende wereldhandel, zoals in de jaren ’30, niets te winnen. Economisch nationalisme is dus, in tegenstelling tot wat in de betreffende literatuur vaak wordt beweerd, geenszins hetzelfde als protectionisme. Maar voor het overige was er verdeeldheid te over. Een Vlaams economisch front kwam er dus niet?

Olivier Boehme: Nee, zeker niet. Een hoogtepunt bereikte de Vlaamse tegenstellingen in 1936 toen een deel van de Vlaamse katholieken, onder wie Eyskens, en het VNV ei zo na één beweging gingen vormen: de Vlaamse Concentratie. Aan liberale en socialistische kant stuitte dat op veel protest en daar waren ze op hun hoede voor een autoritair en corporatistisch Vlaanderen dat daarvan het gevolg zou zijn. Maar ook in de katholieke partij haalde ten slotte die tendens die met de rechts-radicale Vlaams-nationalisten geen zaken wilden doen haar slag thuis. We mogen daarbij ook niet vergeten dat materiële belangen een rol speelden. Zowel katholieken als socialisten hadden een net van sociale voorzieningen en zelfs commerciële ondermeningen uitgebouwd over het hele land. Dat doorkruiste eendimensionaal communautair denken en Vlaamse frontvorming.

Was er bij economische aangelegenheden dan sowieso sprake van Vlaams-Waalse tegenstellingen?

Olivier Boehme: Toch wel. In Vlaamse kringen was de idee van arm Vlaanderen als ‘kolonie’ van de Brusselse haute finance, Wallonië en hun Franse bondgenoten gemeengoed. Hoewel het woord ‘transfer’ in communautaire zaken toen nog niet in voege was, bestond er al wel een ‘transferdenken’. De investering van overheidsmiddelen in het andere landsdeel kon gepercipieerd worden als een overdracht van welvaart. Hetzelfde geldt echter voor privé-investeringen. De Limburgse steenkoolmijnen, die vanaf het begin van de vorige eeuw in ontginning gebracht werden, waren in handen van hoofdzakelijk Brusselse, Waalse en Franse investeerders. Dat was ook een vorm van ‘transfer’, want de winst vloeide zo van Vlaamse bodem in Franstalige zakken.

Houdt dat verband met de Vlaamse onvrede over de steenkoolpolitiek uit de jaren ’30?

Olivier Boehme: Daar ging het om nog iets anders. Sommige Waalse mijnen werden al verlieslatend en onder druk van de holdings daarachter schermde de Belgische regering ze af van buitenlandse concurrentie door een politiek van protectionisme. Dat ontketende protest in Vlaanderen omdat het ten nadele ging van de dynamische Kempische steenkoolindustrie én ook omdat het de belangrijke steenkooltrafiek langs de Antwerpse haven in het gedrang bracht. Beide overwegingen en een bezorgdheid voor de industrie, die een artificieel hoge steenkoolprijs kon missen als kiespijn, werden onder meer door het Vlaams Economisch Verbond verwoord.

Het steenkooldossier was dus een echt communautair dossier?

Olivier Boehme: Niet helemaal. De Belgische ‘wafelijzerpolitiek’ van de jaren ’30 bestond erin om ook ten behoeve van de landbouw, vooral een in Vlaanderen belangrijke sector, protectionistische maatregelen te nemen. De Boerenbond vormde onder meer daarom zeker niet één economisch front met het VEV. Aan de andere kant waren de Antwerpse havenbaronnen helemaal niet opgezet met die economische politiek uit ‘Brussel’, al waren ze zelf overwegend Franstalig en meestal verre van Vlaamsgezind. Een deel van de Vlaamse Beweging is er niettemin in geslaagd een discussie over economisch beleid voor een deel in de geesten te ‘regionaliseren’.

Maar dat ‘wij-versus-zij-denken’ leefde niet alleen in Vlaanderen…

Olivier Boehme: Allerminst. In 1934 viel een regering over een transferdossier door toedoen door Waalse leden van de liberale partij. Het ging om een uitbreiding van de nationale solidariteit in de kinderbijslagen. In Wallonië verzetten voornamelijk socialisten en liberalen zich tegen zo een overdracht van middelen van het kinderarme Wallonië naar het kroostrijke Vlaanderen. Wallonië voelde zich toen al economisch en demografisch bedreigd en dat verklaart veel van het toenmalige verzet tegen deze maatregel op het gebied van de zich stilaan uitbreidende sociale zekerheid. Maar je vindt ook daarvóór al sporen van dit transferdenken bij het verdelen van overheidsgeld. Het wij-zij-denken zat er ook als het op financiën aankwam aan weerzijden van de taalgrens al vroeg in. Toen Elio Di Rupo enkele jaren geleden verklaarde dat de Walen toch ook niet hadden geprotesteerd toen zij aan het betalen waren voor arm Vlaanderen, bewees hij de geschiedenis niet zorgvuldig te hebben bestudeerd.

Ligt bij de Vlaamse onvrede bij de sociaal-economische verhoudingen in België de grondslag voor de enthousiaste collaboratie bij sommige Vlamingen tijdens WO II? Olivier Boehme: Voor een deel wel. In Vlaanderen klonken al jaren vóór het uitbreken van de oorlog waarschuwingen voor de gevolgen van teveel Vlaamse frustratie, al kon nog niemand iets vermoeden van de nakende gebeurtenissen en de manier waarop een deel van de Vlaamsgezinde bevolking zich heeft gecompromitteerd in een tweede collaboratie. Maar het VNV had al wel succes vóór 1940. Dat had met meer te maken dan alleen sociale en economische overwegingen. Toch zette het feit dat de taalwetten van de jaren ’30, die het Nederlands als taal in het openbare leven een gelijkwaardige plaats naast het Frans gaven, niet altijd leidden tot evenveel kansen voor Nederlandstaligen op de arbeidsmarkt kwaad bloed. Uw boek verschijnt net op een moment dat de spanningen tussen de verschillende gemeenschappen hoog oplopen. Ziet u parallellen met de situatie tijdens het interbellum?

Olivier Boehme: Ik zie vooral continuïteit. Toen werd de basis gelegd voor een denken in termen van twee volkeren in één staat. Die werden niet alleen een eigen taal en cultuur toegemeten, maar ook specifieke sociaal-economische kenmerken en belangen. Vandaag wordt het debat gevoerd in een vaak erg zakelijk aandoend jargon: meer efficiëntie en beter bestuur door homogene bevoegdheidspakketten. Maar daarachter gaat iets schuil wat in feite heel emotioneel geladen is: nationalisme. Eens je het pad opgaat van het federalisme, is het natuurlijk wel waar dat je bevoegdheden goed moet schikken om tot behoorlijk bestuur te komen. En er zit een dynamiek aan de regionalisering: vooral een van zelfvertrouwen blakende regio als Vlaanderen wil alsmaar meer zelf kunnen doen. Maar laat ons niet vergeten wat de oorsprong is van deze gang der geschiedenis: de 19e-eeuwse idee dat er zoiets was als een Vlaams volk, ook al had er in de eeuwen daarvóór nooit één afzonderlijk politiek Vlaams kader bestaan. Het gebied waar de Nederlandstalige Belgen, herdoopt tot ‘Vlamingen’, woonden, werd echter ‘Vlaanderen’ en de economische bedrijvigheid op dat stuk territorium werd ‘een Vlaamse economie’. En door toedoen van een alsmaar invloedrijker wordende Vlaamse Beweging kreeg dat gebied uiteindelijk een eigen politieke status met een eigen politieke overheid. Die kon een beleid voeren dat Vlaanderen nog verder deed en doet verschillen van het zuiden en zo wordt dus andermaal ‘bewezen’ wat bewezen moest worden: ‘de Vlaamse economie valt niet te vergelijken met de Waalse’. We moeten, denk ik, vooral niet vergeten hoeveel er is ‘gegroeid’ én ‘gemaakt’ - ‘gemanipuleerd’ als je wil - in de tijd tussen de eerste flamingantische opstoot en de oprichting van de deelstaat Vlaanderen.


Interview door Olivier Van Horenbeeck



Het boek ‘Greep naar de markt - De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum’ van Olivier Boehme is uitgegeven bij LannooCampus en is verkrijgbaar in de boekhandel. Meer informatie staat op de website van Lannoo

Links
http://www.lannoo.com/content/lannoo/wbnl/listview/1/index.jsp?titelcode=13741&fondsid=8
Share |

De welvaart en trots van naties

Liberales organiseert op dinsdag 28 mei (20u) een gespreksavond met Olivier Boehme over zijn laatste boek 'De welvaart en trots van naties', waarin de auteur een geschiedenis geeft van het economische nationalisme, zowat het tegendeel van de liberale economische school. Klik hier voor meer info en inschrijven.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be