Joseph O’Neill schreef de eerste echt grote post-9/11-roman, een boek over verdriet, nostalgie en het besef dat een periode voorgoed afgesloten is, maar een boek ook over sport, over cricket nog wel, het enigmatische gentlemenspel waarbij een speler van het ene team de wicket van de tegenstander omver probeert te ballen, terwijl de batsman van het andere team dat rotding zo ver mogelijk probeert weg te slaan. Niet echt een voor de hand liggende combinatie, leek het ons, dus gingen we bij O’Neill op de thee. “Nee, dat kun je wel zeggen,” lacht hij wanneer we hem opzoeken in de Amsterdamse flat die het Nederlandse Fonds voor de Letteren hem zes weken ter beschikking stelt, en hem op die opmerkelijke combinatie wijzen. “In Engeland bestaat er wel een traditie op dat vlak, maar dat zijn dan echt romans die over cricket gaan, wat voor mijn boek natuurlijk niet opgaat. In Amerika een boek over cricket schrijven is volstrekt not done. Wanneer ik de voorbije jaren tegen iemand vertelde waar mijn volgende boek over zou gaan, keek die meteen vol medelijden naar mijn vrouw. En daar moet zij dan voor opdraaien, zag je hem zo denken. Maar precies omwille van die miskenning was het ook interessant om over cricket te schrijven. Voor een Amerikaan is cricket datgene wat niet langer begrijpelijk is en wat daardoor ook onopgemerkt blijft. De sport krijgt daardoor meteen een sterke metaforische waarde. Daar stopt het begripsvermogen van het land.” Voor Chuck, de man die in uw boek een heuse cricketarena wil oprichten in New York, staat die sport voor beschaving. De Engelse kolonisten brachten cricket mee en de inlanders leerden al spelend wat eer, rechtvaardigheid en distinctie betekenen, beweert hij. Joseph O’Neill: Volgens Chuck zal Amerika pas beschaafd zijn als het cricket in zijn hart heeft gesloten. Wie iets van cricket wil begrijpen moet ook de geschiedenis van het kolonialisme begrijpen. Of je het nu goed vindt of slecht maakt niet uit, maar een van de gevolgen van het kolonialisme was dat de kolonist en de gekoloniseerde aan het einde van de rit elkaar een beetje beter begrepen. Er waren conflicten natuurlijk, en onderdrukking, maar een van de rare consequenties was dit begrip, wat trouwens nog steeds doorwerkt. Engelsen hebben veel meer voeling met Pakistan dan Amerikanen. Ze zijn er geweest, ze kennen de moeilijkheden en gevoeligheden en ze aanvaarden de regels van het spel. Als Amerika een koloniale macht wil zijn, hoe zal het dan ooit in staat zijn de regels van een ander land te snappen als het zelfs niet in staat is om de spelregels van cricket te begrijpen? De vraag is natuurlijk of het vandaag de dag nog wel mogelijk is om een koloniale macht te zijn zoals we dat soort machten uit het verleden kennen. Militair kolonialisme kan vandaag niet meer. Je kunt nog steeds een massa soldaten ergens heen sturen en het volk onderdrukken, zoals de Amerikanen in Irak doen, maar daarom hebben ze nog geen autoriteit in dat land. De internationale gemeenschap pikt dat niet meer, net zomin als de achterban thuis. Het enige kolonialisme dat vandaag nog kan is economisch en cultureel kolonialisme, en dat is wat de V.S. sinds de Tweede Wereldoorlog zo succesvol hebben bedreven. Cricket heeft inderdaad een politiek elan over zich, denk maar aan de recente aanslagen op het Nieuw-Zeelandse cricketteam in Pakistan. Joseph O’Neill: In Zuid-Azië staat cricket voor vriendschap, vrede en samenwerking. Als het goed gaat tussen Pakistan en India beginnen ze weer cricket te spelen. Dat is de eerste stap, want cricket vraagt een nauwe samenwerking van de spelers. Zij moeten zelfs bereid zijn met elkaar samen te leven. Een wedstrijd duurt vijf dagen en de maaltijden worden altijd samen genomen. De spelers van de twee ploegen moeten elkaar accepteren en respecteren. Cricket is dus iets heel anders dan voetbal. Daarbij moet je elkaar ook accepteren, maar het is toch een veel agressievere sport. Cricket doe je natuurlijk ook om te winnen, maar je drinkt tussendoor samen thee en je kent elkaar ook veel beter doordat dezelfde ploegen regelmatig tegen elkaar uitkomen. Het is een sport die heel andere verhalen creëert dan voetbal. Een aanval op een cricketelftal is daardoor ook altijd een aanval op de waarden die cricket uitdraagt, op vriendschap en samenwerking dus. We zouden Chuck kunnen zien als iemand die opnieuw betekenis wil geven aan het leven na 9/11. Zijn droom om een cricketveld aan te leggen blaakt immers van het idealisme. Joseph O’Neill: En dat terwijl hij vooral een geslepen zakenman is. Het enige wat hem interesseert is geld verdienen en belangrijk worden. Hij gelooft rotsvast in het idee van de American dream, de immigrant die geen nagel heeft om zijn gat te krabben en die miljonair wordt. Die droom geeft hem de autoriteit om zich op zo’n manier te gedragen die onder normale omstandigheden niet geoorloofd zou zijn, waardoor hij op Gatsby lijkt in Scott Fitzgeralds roman The Great Gatsby. In dat boek is de stem van de verteller heel belangrijk, en dat geldt ook voor Laagland. Van bij de aanvang wist ik dat daar alles van zou afhangen. Ik wou een heel intiem boek schrijven, een romance, en de stem moest daar perfect bij passen. Een stem is een mysterieus ding en ik heb de stem van deze roman ook niet een twee drie gevonden. Het was een lang proces van schrijven en schrappen tot ik merkte dat mijn zinnen werkten en een heel specifieke gevoeligheid uitdrukten. Het is ook niet toevallig dat ik ervoor gekozen heb om een Nederlander zijn verhaal te laten vertellen. Hans zal altijd een buitenstaander zijn in New York, iemand die niet in staat is om de afstand tussen hem en het land waar hij leeft te overbruggen. Die afstand zet aan tot reflectie en die reflectie creëert een eigen stem, een nostalgische stem ook. U laat Hans in het beroemde Chelsea Hotel wonen. Zelf woont u er ook al jaren. Joseph O’Neill: In Amerika wonen veel mensen op hotel. Het is een teken van extreme rijkdom of extreme armoede. Wij wonen er bijvoorbeeld al tien jaar. Voor ons is dat een thuis, net zoals voor onze drie kinderen trouwens, drie jongens van negen, acht en zes. Het Chelsea Hotel heeft een hele geschiedenis die me in feite niet zo interesseert. Het is altijd een plek geweest van uitzonderlijke artistieke creativiteit en er hangen overal doeken aan de muur van mensen die er gelogeerd hebben. Wat ik veel belangrijker vind zijn de mensen die er momenteel verblijven en die een interessante gemeenschap vormen. Ik liet Hans daar dus niet logeren omwille van die nogal goedkope associatie met alle grootheden uit het verleden, maar wel omdat ik hem niet terug wou laten keren naar zijn loft in Tribeca. Daar zou hij immers kennissen hebben en zou hij niet alleen zijn. In het Chelsea heeft hij geen wortels. In een hotel wonen geeft je wellicht een minder lokale kijk op de wereld. U bent zelf ook een heel internationaal schrijver: half Iers en half Turks, u bent opgegroeid in Den Haag en heeft gestudeerd in Cambridge. Joseph O’Neill: Op een bepaald moment had ik het idee om een Amerikaans boek te schrijven waar geen Amerikanen in voorkomen. Natuurlijk was dat niet helemaal mogelijk, maar voor mijn hoofdpersonages is dat alvast gelukt. Chuck, Hans en Rachel zijn buitenlanders. Door zelf zo internationaal opgevoed te zijn, ben ik sterk geïnteresseerd geraakt in het postnationalisme en de mogelijkheden en moeilijkheden die erdoor gecreëerd worden. De manier waarop informatie tegenwoordig heel makkelijk de wereld rond kan reizen via het internet, gekoppeld aan de internationale verstrengeling van het kapitaal die duidelijk blijkt uit de omvang van de huidige financiële crash, maakt dat de wereld veel meer dan vroeger een eenheid is. Er is een nieuwe klasse ontstaan die geen nationale identiteit meer nodig heeft en daardoor een nieuwe ervaring beleeft. Veel mensen lijken vandaag van nergens te komen. Ooit kwamen ze wel van ergens, maar ze hebben het stof van hun land afgeschud en zijn welkom in een stad als New York. Want dat is een stad waar het stikt van zulke postnationalisten. Als schrijver is dat heel lang een nadeel voor me geweest. Ik kon geen Nederlands boek schrijven, geen Iers en geen Engels, en een grote Amerikaanse roman leek ook niet voor me weggelegd. In Laagland blijkt die handicap ineens een voordeel te zijn. Door wat er op 9/11 is gebeurd is mijn ervaring opeens interessant geworden, en niet alleen de mijne, maar ook die van alle anderen zoals ik. Maar dan heb je ook niet echt een thuis? Joseph O’Neill: Nee, of misschien wel. Ik voel me heel erg thuis in New York, maar ik denk dat de betekenis van dat woord voor mij anders is dan voor jou. Je verliest iets, maar je wint ook iets. In New York is er bijvoorbeeld niemand die mij kent van vroeger. Hier in Nederland heb ik veel vrienden die mij kennen zoals niemand in Amerika mij kent, ook al ben ik hier al bijna dertig jaar weg. Die mensen weten waar ik woonde en wie mijn ouders waren. Ze herinneren zich hoe ik was als kind en als jongeman. In Amerika weet niemand dat en daardoor begrijpen ze me ook niet. Stel dat ik morgen sterf, dan zal er niemand een afscheidsrede over me kunnen uitspreken. Ze kennen me daar pas vanaf mijn vijfendertigste. Anderzijds biedt dit gegeven me natuurlijk de mogelijkheid te ontsnappen aan mijn verleden. Ik ben van dat verleden bevrijd en kan daardoor een meer authentiek leven voor mezelf bedenken. Die ervaring komt terug in Chuck. Als hij in Trinidad was gebleven was hij helemaal niet Chuck Ramkissoon geweest, maar wel Khamraj Ramkissoon, wat zijn echte naam is. Door naar Amerika te komen heeft hij een nieuwe naam kunnen aannemen, samen met een nieuwe identiteit en nieuwe mogelijkheden.” Wat in het boek sterk in contrast geplaatst wordt met het oude Europa, en dan meer bepaald Londen. In plaats van vooruit te kijken, blijkt die stad toch vooral op zijn lauweren te rusten, en achterwaarts te kijken naar zijn glorieuze verleden. Joseph O’Neill: Er is inderdaad een groot verschil tussen Londen en New York. Ik ben duidelijk niet in New York geboren, maar gedurende al die tijd dat ik daar heb geleefd, heeft niemand me ooit gevraagd waar ik vandaan kom, of waar ik dat gekke accent vandaan heb. Daar worden geen opmerkingen over gemaakt. Ik weet dat het op andere plaatsen in de V.S. anders is, maar als buitenlander mag je in New York meedoen. Wanneer mijn Amerikaanse kennissen naar Londen gaan waarschuw ik hen altijd: je kan daar twintig jaar wonen, maar je bent toch nog steeds die Amerikaan en je zult maar heel zelden bij iemand thuis uitgenodigd worden. In New York is dat heel anders. Iemand die je bijna niet kent zal je uitnodigen om samen te gaan eten of om langs te komen in zijn flat. Britten denken altijd meteen dat ze je begrijpen en daar stopt hun interesse. Ze zijn niet kwaadaardig of zo, alleen interesseren vreemden hen niet. Ze vinden het wel interessant dat je uit België komt en ze stellen allerhande vragen over hoe het er daar aan toe gaat, maar ze kunnen zich niet voorstellen dat je iets zou kunnen betekenen in hun leven. Maar is die Amerikaanse droom dan zoveel beter? In uw boek loopt hij voor Chuck immers niet zo goed af. Joseph O’Neill: Nee, maar de American dream is ontzettend ingewikkeld. Ik kan niet meteen zeggen of die goed of slecht is. Hij bestaat, en bepaalde zaken gebeuren omdat hij bestaat. Voor mij persoonlijk is die droom goed verlopen. Het is dankzij de Amerikaanse kritieken dat dit boek een succes is geworden. Stel dat ik het eerst in Groot-Brittannië had uitgebracht, dan was het helemaal niet zeker dat het zo’n erkenning en verspreiding gekregen zou hebben. De Britse kritieken waren immers heel lauwtjes. Het verhaal van mijn roman loopt in feite parallel met dat van Chucks droom van een eigen cricketterrein. Beide projecten waren bij aanvang even onwaarschijnlijk, alleen is dat van mij goed afgelopen en het zijne niet.” En toch, zo denk ik dan, hoe eindigt ‘The Great Gatsby’ ook alweer? “En zo varen we voort, schepen tegen de stroom op, onophoudelijk teruggevoerd naar het verleden”. Joseph O’Neill: Ja, je roeit vooruit, maar ondertussen kijk je achteruit. Toen ik een jongen was, moest ik tijdens de les Nederlands soms een essay schrijven over het thema van de tijd in een bepaald boek. Ik schreef dan netjes neer wat er van me werd verwacht, maar in feite begreep ik er niet zo veel van. Het is pas wanneer je ouder wordt dat je het mysterie en de kracht van de tijd begint te begrijpen. Het verleden krijgt dan een veel grotere betekenis in je leven dan wanneer je jong bent, want dan heb je geen verleden. Toen mijn eerste roman net uit was, werd ik gevraagd voor een interview. Ik heb niets te melden, reageerde ik daar heel eerlijk op, ik ben vijfentwintig en ik heb nog niets meegemaakt in het leven, wat voor interessants zou ik dan te zeggen hebben? Stom natuurlijk, want toen had de journalist er geen zin meer in. Dat zal me nu niet meer overkomen.
Interview door Marnix Verplancke Joseph O’Neill Linksmailto:marnixverplancke@skynet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|