De slavernij is de wereld nog niet uit

interview vrijdag 02 juni 2006

Frans Papma

De slavernij is de wereld nog niet uit. In naaiateliers, op katoen- en cacaoplantages in arme landen werken volwassenen en kinderen tegen een hongerloontje en zonder inspraak aan producten die in het Westen goedkoop op de markt komen. De Fair Wear Foundation probeert deze moderne slavernij uit te bannen. Hun controlesysteem voor ‘eerlijke’ kleding kan voorkomen dat producenten en hun consumenten het boetekleed moeten aantrekken. Wouter-Jan Oosten sprak met Frans Papma, directeur van de Fair Wear Foundation, over deze ‘eerlijke’ aanpak.

De Fair Wear Foundation controleert de naleving van normen voor arbeid in de kledingindustrie. Hoe is dat tot stand gekomen?

Frans Papma: In de loop van de jaren negentig kwamen arbeidsomstandigheden bij kledingproductie in de publieke belangstelling te staan. Daarbij ging het niet alleen om uitbuiting in vreemde landen; er werden ook in Nederland ateliers gevonden waar bijvoorbeeld Turkse gezinnen onder slechte omstandigheden werkten. In het debat werd de idee van ‘ketenaansprakelijkheid’ naar voren gebracht. De grote bedrijven hier kunnen zich er niet achter verschuilen dat het andere ondernemingen zijn, namelijk fabrieken in verre landen, waar mensen worden uitgebuit. Als opdrachtgevers en afnemers van ‘slechte’ fabrieken dragen ook onze bedrijven verantwoordelijkheid. Zij hebben immers een forse economische macht. Organisaties van de vakbeweging en de ontwikkelingssamenwerking, zoals FNV, Oxfam Novib en de Schone Kleren Kampagne, hebben het initiatief genomen om de basisnormen van de International Labour Organization (ILO) voor te houden aan de kledingindustrie. Twee van de drie Nederlandse branche-organisaties zijn ingegaan op het initiatief. De Fair Wear Foundation is in 1999 opgericht.

Onze bedrijven mogen zich verantwoordelijk voelen vanwege hun economische macht ten overstaan van fabrikanten in lage-lonenlanden. Ze lopen ook het risico op imagoschade indien hier een name and shame-campagne zou worden gevoerd. Reden genoeg, zou ik denken, om je arbeiders fatsoenlijk te behandelen. Wil de derde branche-organisatie haar verantwoordelijkheid niet op zich nemen?

Frans Papma: Het is niet zo dat anderen de slechte omstandigheden in lage-lonenlanden ontkennen. Er is een aantal retailbedrijven dat aangeeft liever een eigen controlesysteem te gebruiken dan deel te nemen aan de Fair Wear Foundation. Het verschil is met name dat in dat systeem maatschappelijke organisaties niet over de schouders van de bedrijven kunnen meekijken. De Fair Wear Foundation onderscheidt zich door de multistakeholderaanpak: vakbonden, ontwikkelingsorganisaties en brache-organisaties werken via ons samen aan controle op de naleving van ILO-normen. De betrokkenheid van al deze organisaties garandeert dat het niet bij window dressing blijft wanneer bedrijven claimen maatschappelijk verantwoord bezig te zijn.

Ik kan mij wel voorstellen dat je niet teveel van je bedrijfsvoering wilt vrijgeven en dus geen pottenkijkers wenst. Als ondernemer dien je aan de plaatselijke regels te voldoen en verder hoeft niemand daarmee iets te maken te hebben.

Frans Papma: Sommige bedrijven vinden het met name bezwaarlijk om een register van hun leveranciers aan te houden. Zo'n register is nodig voor deelname aan de Fair Wear Foundation. Het geldt bijvoorbeeld voor Bijenkorf, V&D, HEMA, Miss Etam en C&A. Daarmee lopen we in Nederland hopeloos achter. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn wereldwijd bekende merken en retailers aangesloten bij multistakeholderinitiatieven. Zij laten hun register van leveranciers vertrouwelijk zien aan initiatieven zoals de Fair Wear Foundation. Levi's en Nike hebben hun supplier base zelf publiek gemaakt en gepubliceerd op internet. Er zijn overigens wel operationele problemen, zoals het feit dat orders eenmalig of op korte termijn bij een fabriek geplaatst worden, of dat een order weer wordt uitbesteed aan een onderaannemer. Dan kan het lastig zijn om de gegevens paraat te houden en adequaat controles uit te voeren. Maar dat zijn problemen waar we steeds betere oplossingen voor zoeken; het hoeft transparant werken en deelname aan de Fair Wear Foundation niet in de weg te staan.

Dus deelname aan de Fair Wear Foundation vereist een intensief beheer van relaties in de keten, en dat bedrijven zich niet blindstaren op het zaken doen op de korte termijn?

Frans Papma: Inderdaad. Langduriger relaties hebben voor onze bedrijven de bijkomende voordelen dat nog andere kwaliteitsnormen dan voor arbeid bewaakt kunnen worden. De logistieke schakels kunnen geoptimaliseerd worden en er kan aandacht worden besteed aan de financiële robuustheid van de partnerfabrieken.

De erkenning van de productieketen heeft dus voordelen. Wat is precies de meerwaarde van de multistakeholderaanpak ten aanzien van die keten?

Frans Papma: De aanpak van de Fair Wear Foundation kent openheid en betrokkenheid van lokale actoren. Zo hebben de arbeiders van kledingfabrieken bijvoorbeeld de mogelijkheid om rechtstreeks te klagen. Bovendien stimuleren we vakbonden en andere lokale organisaties van wie de kennis en wensen van belang zijn voor de onderzochte kwaliteit van de arbeid. We respecteren de lokale verhoudingen en verantwoordelijkheden. Dat betekent overigens ook dat we ons er niet tegen verzetten dat lonen elders lager zijn dan in Nederland. Bedrijven mogen in het kostenverschil reden zien om kleding voor hier elders te laten produceren, maar daarbij gelden wel de ILO-normen als minimum. Dat betekent onder meer dat er geen kinderarbeid is, dat arbeiders zich mogen verenigen, dat het werk veilig is, dat er niet teveel overuren gemaakt moeten worden en dat er wettige arbeidscontracten zijn. Veel bedrijven die geen FWF-deelnemer zijn, leunen zwaar op controles die door externe bureaus worden uitgevoerd. Het feit dat zij extern zijn, maakt hen niet onafhankelijk. De kwaliteit van zulke controles hangt helemaal af van de opdracht die het kledingbedrijf verstrekt. Het kan zijn dat de controleur opdracht krijgt om fabrieken te bezoeken, een reeks vragen daarover te beantwoorden en om enkele foto's te maken. Soms stelt zo'n bureau ook aanbevelingen op voor verbeteringen. Maar wie let er dan op in hoeverre de aanbevelingen daadwerkelijk worden gebruikt voor verbeteringen? Onze aanpak schrijft voor dat de te nemen maatregelen door het bedrijf en zijn fabrikant worden besproken en dat stakeholders daar inzicht in wordt geboden.

Naar wie moeten we kijken om een systeem te introduceren voor controle op naleving en mogelijk ook voor verbeteringen? Is dat een taak voor de overheid?

Frans Papma: Bij ons geldt dat maatschappelijke organisaties het initiatief hebben genomen en dat bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen. Er zijn wel partijen die menen dat sociale clausules nadrukkelijk opgenomen moeten worden in handelsverdragen en dat overheden verantwoordelijk zijn voor controle. Die opvatting wordt niet door al onze stakeholders gedeeld, dus de Fair Wear Foundation heeft op dat punt geen uitgesproken standpunt. Vooralsnog zijn het in feite de multistakeholderinitiatieven en de internationale vakbeweging die met het bedrijfsleven afspraken maken over arbeid in de aanvoerketen.

Welke verantwoordelijkheid hebben de consumenten in het Westen voor de sociale en duurzame productie van hun goederen? Vindt u dat keurmerken effectief zijn om consumenten verantwoord te laten kopen?

Frans Papma: De fair trade-beweging met haar keurmerken zoals Max Havelaar is als geheel een koploper. Een dergelijk label is veeleisend: de keurmerkorganisatie controleert de hele keten. Wij zijn er voor de main stream-bedrijven. We reiken minimumnormen aan die in fabrieken zijn te hanteren. Indirect dragen consumenten er wel toe bij dat zulke normen worden nageleefd. Daarvoor zorgt de publieke opinie. Ons gaat het erom dat bedrijven betere bedrijven worden, onze doelstelling is niet om losse kledingstukken met een label ‘goed’ in de rekken te krijgen. Wij willen dat kledingbedrijven maatschappelijk verantwoord ondernemen tot een eigenschap van het bedrijf maken en dat niet beperken tot een bepaald product. Mensen hebben belangstelling voor verantwoord ondernemen, dat werkt gelukkig door in de mogelijkheden van onze organisatie. De meeste mensen hanteren echter geen strenge criteria zodra ze in de winkel hun keuze maken. Dat is een beperking voor expliciet ‘eerlijke’ labels. Wie het bij kleding wel lukt om met een label en ook iets hogere prijs te werken, zijn de bedrijven met een herkenbare en sterke verkoopketen of met een eigenzinnig merk. Ik denk dat op een termijn van jaren de maatschappelijke druk nog aanhoudt en dat meer retailers en merken de arbeidsnormen aantoonbaar zullen naleven.

Welke tekortkomingen heeft de aanpak van de Fair Wear Foundation?

Frans Papma: We verzetten ons niet tegen lagere lonen dan hier en we erkennen dat verbeteringen niet allemaal ineens zijn te realiseren. Bovendien zijn er zaken die niet op het niveau van afzonderlijke fabrieken kunnen worden aangepakt. Soms doet zich de gelegenheid voor om in een bepaalde regio of voor een hele sector samen te werken met grote Amerikaanse concerns. De normen die zij hanteren zijn wat lager dan die in onze aanpak, maar door hun economische positie hebben ze een groot bereik.

Uw organisatie is betrokken bij het MVO-platform. Eén van de vraagstukken met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen is de wijze waarop bedrijven verantwoorden dat ze duurzaam te werk gaan. Is de methode van de Fair Wear Foundation breder toepasbaar?

Frans Papma: Voor de kwaliteit van de arbeid in de kledingindustrie hebben we een systeem gecreëerd. Daarbij zijn we overigens wel zo reëel dat we beseffen dat niet iedere deelnemer op korte termijn aan alle relevante normen kan voldoen. Ons managementsysteem houdt dan in dat een bedrijf en zijn fabrikanten geleidelijk werken aan verbeteringen. Ik zou zeggen dat bedrijven er verstandig aan doen om zich bij bestaande managementsystemen aan te sluiten indien zij hun inzet op andere sociale terreinen of voor duurzaamheid willen verantwoorden. Het is mooi als in zulke systemen voor de invulling van maatschappelijke verantwoordelijkheid externen een rol hebben, zoals bij de Fair Wear Foundation. Ons model is heel goed toe te passen in andere sectoren, zeker als het gaat om fabrieksmatige productie. We moeten ervoor waken dat een bedrijf een gedragscode met mooie principes formuleert, zonder dat de toepassing daarvan wordt gecontroleerd. Een aardig voorbeeld is de wens van het ministerie van Defensie om uniformen te kopen waarbij onder andere wordt verklaard dat voor de productie geen kinderarbeid is gebruikt. Dat kun je eisen en dan trots verklaren, maar hoe weet je zeker dat er geen kinderen zijn gebruikt? De Fair Wear Foundation is gevraagd om met verschillende departementen mee te denken over hoe het rijk meer zekerheid kan verkrijgen bij inkoop. Enkele leveranciers van bedrijfskleding of uniformen zijn aangesloten bij de Fair Wear Foundation. Bij aanbesteding kunnen eisen worden opgenomen, ook formele eisen met betrekking tot controle op de naleving van materiële eisen. Verwijs dan naar de ILO-normen en verlang externe controle met verbeterplannen in een multistakeholdercontext. De inkopers zijn op zoek naar een aanpak. Per slot van rekening is er een aantal maatregelen nodig om de rijksdoelstelling met betrekking tot inkoop en aanbesteding te realiseren: uiterlijk in 2010 dient in 100 procent van de gevallen duurzaamheid een zwaarwegend criterium te zijn.


Interview door Wouter-Jan Oosten



De auteur is redacteur van Idee. Met dank aan Sven Sielhorst

Deze tekst verscheen eerst in Idee, het politiek wetenschappelijk magazine van het Kenniscentrum van D66

Frans Papma

Links
http://www.d66.nl/idee
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be