“Het fascinerende aan een land als India is dat je er op hetzelfde moment verschillende tijdperken kunt beleven,” zegt Anurandha Roy, “Stedelingen leven in de eenentwintigste eeuw, terwijl je je op het platteland in een ander millennium waant.” Eenzelfde gespletenheid kenmerkt ook Roy zelf. Overdag werkt ze als uitgeefster voor Permanent Black, de enige academisch uitgeverij die India rijk is en die ze acht jaar geleden samen met haar man opstartte. ’s Avonds echter wijdt ze zich aan de literatuur, wat tot de roman Een atlas van onmogelijk verlangen heeft geleid, het verhaal van een kansloze liefde dat in de eerste helft van de twintigste eeuw speelt, een ander tijdperk dus, maar, zo benadrukt de schrijfster, eentje dat je ook vandaag nog overal te zien kunt krijgen: “Ik wou personages opvoeren die tot de gestudeerde middenklasse behoren en wou ze confronteren met thema’s die in een typische Indiase familie ook vandaag nog opduiken. Alhoewel mijn boek dus in het verleden speelt, geeft het voor een groot deel van het land toch de hedendaagse realiteit weer.” Centraal in het boek staan Bakul en Mukunda, een meisje en een jongen die in de jaren 1920 samen opgroeien aan de rand van een kleine industriestad in wording. Zij is de dochter van de archeoloog Nirmal en de kleindochter van fabriekseigenaar Amulya. Hij is een jongen die Amulya uit medelijden adopteerde en die uitgroeit tot Bakuls ideale speelmakkertje. Maar kinderen worden groot natuurlijk, en wanneer Nirmal er door zijn schoonzus op gewezen wordt dat de twee een beetje al te familiair met elkaar beginnen om te gaan, grijpt de familie in en wordt Mukunda naar een kostschool gestuurd in Calcutta. Uit wrok breekt de jongen met zijn vroegere weldoeners. Eens van school af, gaat hij werken bij een malafide aannemer, trouwt hij en krijgt hij een zoon, maar Bakul kan hij niet vergeten. Als blijkt dat het huis van Nirmal onrechtstreeks eigendom is geworden van Mukunda’s baas en deze er hem op uitstuurt om Bakul en haar inmiddels fel verarmde familie uit het pand te zetten, breken emotioneel harde tijden aan. Het verleden wordt opeens weer tastbaar en blijkt parallel met het heden te bestaan. Huizen spelen in Roys roman een centrale rol. Met enige overdrijving zou je zelfs kunnen zeggen dat ze belangrijker zijn dan de mensen die erin wonen. “Dat is nog een reden waarom ik mijn boek in de eerste helft van de twintigste eeuw situeer, legt Roy uit, dat is ook de tijd van de Partition, de opsplitsing in India en Pakistan. Heel wat mensen dienden daardoor een nieuw leven te beginnen in een ander deel van het land, waarbij ze hun huis en verleden achter moesten laten. Zelf zie ik mijn roman in de lijn van E.M. Forsters Howard’s End liggen. De huizen zijn inderdaad personages. Ze maken heel wat mee en zijn getuige van zowel gelukkige als dramatische momenten. Net als echte huizen verzamelen ze mettertijd heel wat herinneringen. En ze veranderen ook, verouderen en vervallen tot ze uiteindelijk dreigen afgebroken te worden. En met ieder huis dat tegen de grond gaat verdwijnt er een stukje verleden. In India heeft men geen greintje respect voor historische gebouwen. Alles wordt zomaar afgebroken. De Europese attitude is heel anders. Huizen worden hier gerestaureerd. Dat kennen wij niet. Wij gaan er met de bulldozer tegenaan en bouwen torenflats in de plaats. En we beseffen niet dat we daarmee onze wortels verliezen.” En met die huizen hangen grote families samen, want het kerngezin zoals wij dat hier kennen lijkt in India nog steeds uitzonderlijk. Anuradha Roy: Ook hier zie je weer een groot verschil tussen de steden en het platteland. In de steden neemt men westerse gebruiken over en woont men niet meer met de hele familie samen. Zulke families kunnen trouwens heel onderdrukkend werken, maar voor velen zijn ze een noodzakelijk kwaad. Georganiseerde ouderenzorg en kinderopvang bestaan niet in India, waardoor je bijna automatisch terugvalt op de familie. Maar je mag die families zeker niet romantiseren. Ik ben in zo’n familie opgegroeid en voelde aan den lijve hoezeer ze op een klein universum lijken. Politiek en onderdrukking maken deel uit van iedere familie. Als individu moet je plooien of breken. En als vrouw word je helemaal over het hoofd gezien. Zoals overal richt het conservatisme zich ook in India eerst en vooral tegen vrouwen, en daar komt maar heel traag verandering in. Ondanks de economische bloei die India de laatste tijd meemaakt? Anuradha Roy: Het een heeft weinig met het ander te maken. De Indische maatschappij zit immers vol contradicties. Enerzijds blijken wij over een enorme energie te beschikken, bouwen we nieuwe steden en verdienen we hopen geld, maar de keerzijde daarvan is dat het grootste deel van de bevolking gewoon ongemerkt achterblijft. In kranten en tijdschriften wordt aan de armen geen aandacht meer besteed, zeker niet aan degenen die op het platteland wonen. Zo lang het land geen fatsoenlijk sociaal vangnet heeft, of onderwijs en drinkbaar water voor iedereen, kun je volgens mij niet over vooruitgang praten. We denken veel te vaak dat vooruitgang betekent dat de aandelenmarkt het goed doet, maar dat dit gepaard gaat met groeiende armoede en ongelijkheid voor het grootste deel van de bevolking vergeten we liever. Ik vind het frappant hoe er tegenwoordig neergekeken wordt op degenen die niet kunnen profiteren van de groeiende rijkdom. Stel dat je in Bombay of Delhi in een taxi zit die voor een verkeerslicht staat en er een bedelaar aan het raam klopt. Als je die man iets geeft, zul je bijna zeker berispt worden door de taxichauffeur. ‘Zoiets moet je niet doen,’ zal hij zeggen, ‘Als hij zou werken zoals ik zou hij niet moeten bedelen’. Vroeger werden armen niet veroordeeld omwille van hun armoede, terwijl dit vandaag constant gebeurt, zelfs door mensen als die taxichauffeur die wellicht nog niet zo lang geleden zelf nog arm was. Wie arm is, heeft dat alleen maar aan zichzelf te wijten, zegt men onomwonden, wat natuurlijk niet waar is. Niet iedereen krijgt even veel kansen in het leven. Maar ook onder degenen die wel geluk hebben en meedrijven op de economische boom zie je dat oude waarden en gewoonten hardnekkig stand houden. Deze ingenieurs of informatici houden er meestal gewoonweg archaïsche ideeën op na. Het is niet omdat ze beroepsmatig logisch denken dat ze eens thuis niet bijgelovig of obscurantistisch zouden zijn. Wat mensen denken en geloven verandert niet zo snel. Hoe je een brug bouwt, kun je op school leren, maar hoe je met je vrouw omspringt niet. Dat komt van veel dieper. ’Een atlas van onmogelijk verlangen’ wordt getekend door een opvallende wijziging in het vertellerperspectief. De eerste twee delen worden vanuit de derde persoon verteld, terwijl in het derde deel Mukunda aan het woord komt. Waarom opteerde u voor die wijziging? Anuradha Roy: Daar zijn twee mogelijke redenen voor. Het zou kunnen dat ik die overgang maakte omdat ik in het derde deel een stem wou geven aan degene die normaal niet gehoord wordt, zoals een vriendin opmerkte nadat ze het boek had gelezen. Zelf had ik daar helemaal niet aan gedacht, dus laat ons dat maar de onechte reden noemen. De realiteit was heel anders. Terwijl ik aan het boek bezig was, ‘hoorde’ ik de vertellerstem van de derde persoon overgaan in de eerste. Ik heb die stem gevolgd en zo kwam ik bij Mukunda uit, en dat kwam het boek ten goede vond ik. Het was dus eerder een onbewust iets dan een rationele keuze. Uw roman is dus minder politiek dan uw vriendin dacht? Anuradha Roy: Het is inderdaad niet zo openlijk politiek, maar apolitiek is het zeker ook niet, en dat komt door de thematiek. Ik schrijf niet over hedendaags India of over oorlogen en terroristen, maar door Mukunda kasteloos te maken en te focussen op het lot van vrouwen in een traditionele Indiase familie doe ik onrechtstreeks wel aan politiek natuurlijk. Maar het is een ander soort politiek, universeler dan wat men sinds de ‘War on Terror’ als politiek is gaan beschouwen. Uiteindelijk is het een heel romantisch boek: de jongen en het meisje overwinnen alle tegenstand en krijgen elkaar. Anuradha Roy: Dat is typisch Indisch, weet je, wij zijn de kampioenen van de romantiek. Ik ben heel wat schuldig aan Bengaalse romans uit de jaren 1920 tot 1940 en aan de Indiase film uit de jaren 1950 en ’60, toen het hele Bollywoodgebeuren nog niet bestond. Satyajit Ray was toen een van de grote filmmakers. Song of the Road - wellicht zijn beste film - is gebaseerd op een Bengaalse roman over een broer en zus die in erbarmelijke omstandigheden opgroeien. Het mooie eraan is dat de twee kinderen zich niet murw laten slaan door hun armoede. Ze beleven plezier aan de kleinste dingen, zoals in een boom klimmen of achter een vogeltje aan zitten. Dat is ook een geromantiseerde, sentimentele kijk op de wereld, en typisch Indisch. Toen mijn vrienden hoorden dat ik een roman had geschreven wilden ze allemaal een ding weten: had hij een happy end? Al vroegen sommigen zich na het lezen wel af of de prijs die Bakul en Mukunda voor dat happy end moeten betalen niet te hoog is, en of het geluk niet te laat komt.
Anuradha Roy Linksmailto:marnixverplancke@skynet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|