|
De nieuwe Europese commissaris van handel, de heer Mandelson, zei onlangs dat iedere Europeaan expert in China moet worden. China gaat immers met grote economische sprongen vooruit en wordt op termijn een van de belangrijkste wereldmachten. De Vlaamse liberaal Dirk Sterckx werd onlangs aangesteld tot voorzitter van de Europese delegatie met China. Kevin Torck had een interview met Dirk Sterckx. Nogal wat wilde verhalen over China doen tegenwoordig de ronde: Formule 1-racebanen die op één jaar tijd gebouwd worden of Chinese zeetankers die zelfs de haven van Antwerpen niet meer binnenkunnen. Merk je iets van de ongebreidelde economische ontwikkeling als je naar China reist? En lijkt het alsof de gewone mens er ook beter van? Dirk Sterckx: Ze worden daar zeker beter van. Hun levensstandaard is gestegen en dit is in elk geval positief. China kent de laatste tijd, misschien niet algemeen verspreid, een enorme stijging van de economische welvaart en dit is zeker een goede zaak. Toch hoor je me niet zeggen dat ze geen problemen hebben. Ik ben geen China kenner, zo ben ik er nog maar pas voor de eerste keer geweest. Maar je merkt onmiddellijk het dynamisme. Er wordt enorm veel gebouwd en gewerkt, en je merkt dat de mensen echt naar de toekomst kijken, niet alleen op economisch vlak, maar ook op politiek vlak. U bent dus net voor de eerste keer naar China gegaan. Wat was het doel van die reis? Dirk Sterckx: We waren uitgenodigd met onze fractie, de fractie van de Liberaal Democraten van het Europese parlement, door de Communistische Partij. Het doel was kennis te maken, te discussiëren, van gedachten te wisselen en het land te bezoeken. Het was zeer boeiend. Het was dus niet als voorzitter van de Europese delegatie met China dat ik dit bezoek heb afgelegd. Het is wel zo dat ik opgenomen ben in de delegatie van onze fractie door mijn benoeming tot voorzitter, maar de Europese delegatie gaat pas volgend jaar officieel naar China. Wij ontvangen dit jaar een delegatie van het Volkscongres. Ondertussen zullen er wel uitwisselingen zijn in kleinere groepen. Wat zijn precies de taken van de delegatie? Dirk Sterckx: Het Europese parlement heeft met landen of groepen landen buiten de Unie een interparlementaire delegatie. Wij ontmoeten dus andere parlementsleden. Zo ben ik vijf jaar lid geweest van de delegatie met de Verenigde Staten en daarin ontmoetten wij leden van het Amerikaanse Congres. Met hen bespraken wij de onderwerpen die ofwel bilateraal, ofwel multilateraal aan de orde waren. Dit is ook de bedoeling van de delegatie met China, maar er is wel een belangrijk verschil. Institutioneel is het Chinees Volkscongres immers totaal verschillend met het Amerikaanse Congres. Dit is een hele aanpassing voor mij. Het is geen Parlement dat permanent in zitting is. Het enige orgaan dat dit wel is, is het ‘standing committee’. Dit is een soort van centraal comité van het Parlement dat bestaat uit ongeveer 150 man, terwijl het volledige Parlement bestaat uit bijna drieduizend mensen. Denkt u dat er in een geglobaliseerde wereld - die volgens sommigen in de komende decennia beheerst zal worden door het trio Amerika, China en Europa - voldoende contacten zijn tussen China en Europa? Dirk Sterckx: Daar wordt in elk geval hard aan gewerkt. Zo zie je dat de Europese commissie enorm veel middelen ter beschikking stelt om op China te werken. Het is nog niet het niveau van de Verenigde Staten, maar het scheelt toch niet veel meer. Er zijn tientallen verschillende werkgroepen die handelen over diverse onderwerpen en regelmatig samenkomen. Er is dan ook sprake van een zeer uitgebreid structureel overleg tussen de Europese Commissie en de Chinese autoriteiten. De laatste tijd is er nogal wat te doen geweest rond het Europese wapenembargo tegen China. Kunt u deze problematiek beschrijven? En welke beslissing heeft de Unie hieromtrent genomen? Dirk Sterckx: Het is allemaal begonnen in 1989, met het drama op het Tienanmen-plein. De Europese Unie heeft toen een wapenembargo ingesteld en de Chinezen vragen nu, een hele tijd al eigenlijk, dat dit embargo wordt opgeheven. De Europese Unie heeft een embargo tegen vier landen, denk ik: Zimbabwe, Myanmar (Birma), Soedan en China. De Chinezen zeggen dat als zij een belangrijke politieke en economische partner genoemd worden en er intense structurele samenwerking is, het wapenembargo niet op zijn plaats is. En onder druk van onder andere Frankrijk en Duitsland, nu ook Groot-Brittannië, wordt binnen de Unie de vraag gesteld om het embargo op te heffen daar het de relatie met China bemoeilijkt. Er is wel weerstand tegen want aan de reden van het embargo is nooit iets gedaan en de wonde is nooit genezen. Er blijven in China nog steeds veel mensen aangehouden, men heeft nooit zijn excuses aangeboden of toegegeven dat men de mensenrechten geschonden had, enzovoort Er zijn dus een aantal zaken die open blijven en onvoldoende veranderd zijn. Is er ook geen militair-strategische reden om het wapenembargo aan te houden? Dirk Sterckx: Inderdaad. Een tweede argument om het embargo niet op te heffen is de strategisch moeilijke situatie van een sterk bewapend China. Hoewel dit allemaal relatief is, speelt dit ook een rol, vooral voor landen als de Verenigde Staten en Japan. En er is natuurlijk ook Taiwan dat stelt dat zij als eerste onder vuur komt te liggen in geval van een conflict. De beslissing ligt bij de Raad. Het zijn de regeringen die beslissen want buitenlandse politiek is een bevoegdheid van de regeringen, al dan niet in een gezamenlijke opvatting. In dit geval is er nog verdeeldheid en discussie, en is men nog niet tot een beslissing gekomen. Enerzijds is er het standpunt dat als strategisch partner het embargo niet op zijn plaats is. Anderzijds is het nogal duidelijk dat China op gebied van mensenrechten een politiek voert waar heel wat hiaten in zitten. Wat is uw persoonlijke mening hieromtrent? Dirk Sterckx: De Chinezen zeggen dat het een politiek gebaar is. Het is een teken van goodwill. Zo zeggen de Chinezen dat ze zich niet echt gaan bewapenen en dat ze vredelievend zijn, wat ook klopt op een paar uitzonderingen na. Maar als het inderdaad een politiek gebaar is dat ze vragen, dan kunnen ook wij een politiek gebaar terug vragen. Bijvoorbeeld het bewijs dat er een aantal zaken in verband met mensenrechten, individuele, politieke en burgerlijke rechten, ten gronde veranderd zijn. En daar merken we momenteel weinig van. Integendeel, we horen van mensenrechtenorganisaties dat de toestand de voorbije jaren minder goed geworden zou zijn. De sociale situatie zou dan wel verbeterd zijn, maar niet de politieke. Nochtans zei u in een onlangs verschenen interview met Humo dat er een grotere vrijheid zou gekomen zijn met het ontwikkelen van de markteconomie. Dirk Sterckx: Dat is juist, maar dan spreek ik niet over het voorbije jaar, maar over de situatie sinds het aan de macht komen van Deng Xiapeng, eind jaren ’70. En als je over de gehele periode kijkt naar wat gebeurd is, dan zie je dat er wel degelijk een verbetering is, en dat door het feit dat mensen het er economisch beter hebben, ze wel degelijk meer keuzemogelijkheden hebben. Ook is er op politiek vlak heel veel veranderd. Zo is men binnen de partij veel opener. De discussies die wij hebben gehad, nu de voorbije week in China, waren open discussies waarin collega’s dingen zeggen die een aantal jaar geleden niet mogelijk waren. Zo zie je dat er wel veel veranderd is, maar tegelijkertijd zie je ook dat er heel wat weerstand is tegen individuele burgerrechten en politieke rechten. Dat er na al die jaren wapenembargo uiteindelijk op vlak van burgerrechten niet zo veel veranderd is, doet toch de vraag rijzen naar de effectiviteit ervan. Dirk Sterckx: In hoeverre een embargo symbolisch is, is een vraag die altijd gesteld is. Toch is een politiek symbool niet onbelangrijk. Zo hebben we in de loop van de voorbije decennia heel wat embargo’s gehad die op zich weinig hebben bijgedragen. Een aantal Afrikaanse voorbeelden zijn te noemen, Irak is een opvallend voorbeeld. Je kan je altijd afvragen of zo’n embargo werkt. In het geval van China is gebleken dat sinds 1989 de contacten tussen de wereld in het algemeen en China enorm zijn uitgebreid en dat men dus altijd een dubbel spoor volgt met zo’n belangrijke land: enerzijds het economische spoor, dat realisme vraagt en erkent dat de kracht van China niet te verwaarlozen is; anderzijds het meer theoretische spoor om het zo te noemen, waarbij men niet mag vergeten dat we voor een aantal principes staan en bereid zijn er blijvend op te hameren. U relativeert dus het argument dat China door Europese wapenleveringen een nog groter gevaar zou vormen voor Taiwan, de Verenigde Staten en Japan? Dirk Sterckx: Denken dat China door Europese wapens een wereldmacht wordt, is naïef. China is een wereldmacht, misschien niet militair, maar misschien willen ze dit ook niet zijn. Als je bijvoorbeeld vergelijkt wat China uitgeeft aan militaire opbouw met wat anderen eraan uitgeven, blijkt dat ze eigenlijk niet tot de machtigen behoren. Ook hebben ze zich de voorbije jaren zeer verantwoordelijk gedragen in alle soorten verhoudingen met hun buren. En ook met Taiwan hebben ze er alle belang bij dat er geen oorlog komt. Want als er één land is dat hiervoor een ongelooflijke zware prijs zou betalen dan is het China. Ze zouden immers zwaar gestuit worden in hun ontwikkelingsproces. Verder blijkt dat er heel nauwe banden bestaan tussen China en Taiwan: 25% van het BNP van Taiwan wordt op het Chinese vasteland gegenereerd, 80% van de Taiwanese buitenlandse investeringen gaan naar China,… Het gaat hier volgens mij vooral om een politieke symbolenstrijd die uit de Koude Oorlog komt. En ik denk dat de soep nooit zo heet gegeten wordt als ze wordt opgediend. Naar mijn gevoel, op basis onder andere van de discussies die ik vorige week gevoerd heb, zien de Chinezen Taiwan eerst en vooral als een provincie waarmee men bereid is te onderhandelen maar waarvan men zeker niet de afscheiding zal toelaten. Ondanks de wet die vorige week gestemd werd en toestemt in een gewapende interventie bij het onafhankelijk verklaren van Taiwan, zie ik China een zeer verantwoordelijke rol spelen in Azië. Zelfs de Amerikanen vragen naar het advies van China voor het geval Noord-Korea. Ook in Centraal Azië (Turkmenistan, Kazakstan, Kirgizië,…), een gebied dat toch niet vrij is van spanningen, zijn zij eerder een stabiliserende factor dan een destabiliserende. Sinds begin dit jaar wordt de textielinvoer uit China niet meer beperkt door quota. Wat zijn de concrete gevolgen hiervan? Dirk Sterckx: De textielsector klaagt steen aan been. De Italianen, de Fransen en andere Europeanen zeggen dat ze een probleem hebben. Ook anderen ondervinden daar last van, de Turken, de Bengalen, enzovoort. China is een wereldmacht op dat vlak. Het is zeer goed georganiseerd en heeft de voorbije jaren een enorme stijging van haar uitvoer gekend. Toch heffen zij vandaag een uitvoerheffing, wat toch wel eigenaardig is. Als de Europese Commissie echter zegt dat er een probleem is, dat China de regels van het WTO niet naleeft en dat ze aan dumping doet, dan moet ze een klacht indienen bij het WTO. Het is de WTO die zich moet uitspreken over dergelijke klachten. Bent u zelf een voorstander van het opheffen van quota’s? Dirk Sterckx: Ik ben een voorstander van vrije handel. Maar je moet ook niet naïef zijn. Vrijhandel moet ook eerlijk zijn. En er zijn mensen bij ons in de textiel die zeggen dat zij zelfs de grondstoffen niet kunnen kopen tegen de prijs waartegen de Chinezen de afgewerkte producten leveren. Dan heb ik wel een vraag over dumping. Dat zij voordelen hebben op loongebied en dergelijke, daar heb ik geen probleem mee. Dat is een element in de concurrentie. Maar dumping is iets anders. Men mag overigens niet vergeten dat de Chinezen hun positie hebben uitgebouwd, niet met hun eigen machines, maar met machines van ons. Zo heeft Picanol honderden en honderden weefgetouwen geleverd aan de Chinezen, als het er geen duizenden zijn. Dat is trouwens een uitvoer die nog steeds doorgaat. Verder blijkt dat er altijd twee kanten zijn aan de medaille. Zo heb je niet alleen een leverancier van afgewerkte producten die in concurrentie staat met een producent van hier. Je hebt ook een consument die zijn koopkracht ziet stijgen omdat hij hier een product goedkoper kan kopen. Het is dan ook verkeerd om maar naar één kant te kijken. Europa heeft haar quota opgeheven en daar stond tegenover dat China een aantal maatregelen ging nemen waardoor hun markt geliberaliseerd zou worden. Dirk Sterckx: Het probleem niet zozeer bij China, maar bij andere ontwikkelingslanden. Zo heeft India vrij hoge heffingen op Europese uitvoer. En er zijn nog andere landen. Het is dus duidelijk dat het wegnemen van quota niet betekent dat er daarom nergens belemmeringen meer zijn. En ook daar moeten we kijken wat de regels zijn en moet desnoods de Commissie beginnen onderhandelen met die landen die onze textielproducten bijvoorbeeld op een kunstmatige manier tegenhouden. Ik vind niet dat vrije markt in één richting kan gaan. Voor bepaalde landen in ontwikkeling kunnen uitzonderingen gemaakt worden, opnieuw volgens bepaalde regels, maar het gaat om fair trade: een ontwikkeld land mag een ontwikkelingsland niet benadelen, maar omgekeerd mag het ook niet. Principieel bent u dus voor een vrije handel? Dirk Sterckx: Principieel ben ik er inderdaad voor, alleen moet je ervoor zorgen dat er in het kader van de WTO, binnen de Europese Unie en met partners van buiten de Unie een systeem komt waardoor dumping en andere niet mogelijk is. Concurrentie moet op een eerlijke manier verlopen. Vrije handel moet eerlijk zijn.
Dirk Sterckx Linksmailto:Kevin.Torck@telenet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|