|
Toen de regering Verhofstadt aan zijn eerste ambtstermijn begon was het enthousiasme in zijn ploeg en daarbuiten groot. Het Belgische overheidsapparaat moest gemoderniseerd worden om de uitdagingen van een steeds verder reikende neoliberale globalisering en de mogelijke gevolgen daarvan op onze welvaart het hoofd te bieden. Onze economie moest competitief blijven en dit zou men verwezenlijken zonder daarbij te raken aan de basisprincipes van ons sociaal samenlevingsmodel. ‘Een efficiënte en transparanter werkende overheid, een eenvoudige administratie, het verlagen van de loonkost ten einde meer zuurstof te geven aan de bedrijven,...’: het waren maar enkele van de mantra's die we sindsdien vaak te horen kregen. Nu Verhofstadt aan zijn tweede ambtstermijn begonnen is, zwengelen de kritieken, ook vanuit liberale hoek, aan. Eén van deze weliswaar opbouwende kritieken werd onlangs door Eric Verhulst en Paul Vreymans (www.workforall.org) in hun macro-economische studie '5% welvaartsgroei is geen utopie' op een gefundeerde wijze gegeven. Reden genoeg voor Liberales om initiatiefnemer Eric Verhulst aan het woord te laten. 'WorkForAll' was tot voor kort een grote onbekende. Wat is de achtergrond van dit verhaal? Eric Verhulst: Elk verhaal heeft uiteraard een geschiedenis. In die zin zou ik voor mezelf een aantal momenten en gebeurtenissen kunnen aanduiden. Mijn ervaring met een eigen technologie bedrijf speelt daarin een belangrijke rol. Het eerste bedrijf dat ik oprichtte was het gevolg van een uit de hand gelopen hobby dat resulteerde in een Naamloze Vennootschap waarvoor 45 mensen met 25 verschillende nationaliteiten werkten op het domein van digitale signaalprocessoren. Het bedrijf werd uiteindelijk, zoals zo vaak, gekocht door een Amerikaanse firma. Na dat verhaal en enkele omwegen heb ik vastgesteld dat een het niet evident is om op 45 jarige leeftijd op uw niveau een reguliere job te vinden en heb ik besloten dat ik maar beter verder een nieuwe onderneming opstartte. In januari 2004 ben ik dan met een nieuw initiatief begonnen op het domein van 'systems engineering'. Bedrijfsmatig gaat het over hoe men het best tewerk gaat om systemen te ontwerpen en tot producten vormt. Het systeemdenken dat ermee gepaard gaat is evenwel ook toepasbaar op niet-technologische systemen zoals we die hebben in het sociale of politieke domein. Daarnaast was ik 20 jaar geleden voorzitter van het ‘Benelux Libertarian Study Center’. In het begin was dat een enorme verademing. In die tijd werd je immers als een asociaal iemand bestempeld als je pleitte voor minder belastingen en minder overheid. In die groep kon je deze mening zonder schroom verkondigen en er over doordenken. Langs de andere kant was het een zeer verscheiden groep met een heel brede waaier aan meningen. Vaak was men er tegen elke vorm van overheid en deze anarchistische tendensen gingen mij te ver. Ik was en ben namelijk van mening dat een overheid noodzakelijk is en deze mening werd binnen die groep niet echt aanvaard. Toen op dat moment mijn werk alle energie begon te vragen ben ik niet meer naar de bijeenkomsten geweest, maar het gedachtegoed over hoe de maatschappij zou moeten werken is blijven sluimeren. Met de studie van WorkForAll heb ik samen met Paul Vreymans onder meer deze ideeën concreet proberen te onderbouwen, ten minste op economisch vlak. De basisstelling is dat een samenleving moet uitgaan van een moreel wederzijds zelfbeschikkingsrecht en het recht op arbeid maakt daar fundamenteel deel van uit. Gezien we nu in een samenleving leven waar een belangrijk deel van de bevolking de facto verhinderd wordt van te werken, zijn we dus amoreel bezig en WorkForAll wil dat morele recht voor iedereen terug in ere stellen en tezelfdertijd de welvaartsgroei veilig stellen. Met het uitbrengen van een studie gaat vaak een bepaald doel gepaard. Wat wensen jullie met deze inspanning te bereiken? Eric Verhulst: ik ben van mening dat een beleid best niet uitsluitend op basis van een ideologie gevoerd wordt. Uiteraard ontsnapt onze denkwijze niet aan bepaalde politieke voorkeuren, maar de ervaring leert me dat economische wetmatigheden weinig met politieke ideologieën rekening houden. In die zin menen wij dat een theorie door objectief onderzoek gestaafd moet kunnen worden en daar zijn we volgens mij in geslaagd. Dit werk zou, naar ik hoop, kunnen van pas komen voor beleidsmakers die op zoek willen gaan naar alternatieven voor het organiseren van de maatschappij en met name de overheid en onze arbeidsmarkt. Deze discussie dient dringend op de voorgrond gebracht worden. Ik erger me zelf een beetje aan de scheefgetrokken aandacht voor het multiculturaliteitsdebat van de laatste maanden. Dat is wel begrijpelijk gezien de recente lokale en mondiale gebeurtenissen en het is op zich een boeiend en noodzakelijk debat, maar men vergeet dikwijls dat de oorzaken van de problemen eerder economisch van aard zijn. Ik hoop alleen dat er terug wat meer aandacht zal gaan naar waar hetgeen onze studie in zijn essentie over gaat: het herdynamiseren van een samenleving waarin iedereen zijn basisrecht op werk kan opnemen. Via arbeid verloopt de integratie als vanzelfsprekend, kijk maar naar de VS die opgebouwd wordt door immigranten. Dat lijkt mij even essentieel en als deze studie er voor kan zorgen dat dit debat terug op de voorgrond treedt, ben ik een gelukkig man. U wil dus dat beleidsmakers van deze studie gebruik maken om op zoek te gaan naar alternatieven. Wat zijn volgens u deze alternatieven en hoe onderbouwt u deze? Eric Verhulst: Wel, in onze studie ligt de nadruk op de welvaartsgroei binnen het Oude Europa. De conclusies gelden dus voor de meeste Europese staten maar in het bijzonder ook voor dit land. We zijn daarbij door middel van meervoudige regressie analyse op zoek gegaan naar de relaties tussen de welvaartsgroei en een aantal gerelateerde variabelen in de 15 landen van het 'oude' Europa. Een voorbeeld daarvan is de relatie tussen de belastingsdruk in een land en de invloed daarvan op de welvaartsgroei van dat land. Initieel zijn we begonnen met een 90tal variabelen. Daaruit hebben we enkel die variabelen overgehouden die niet aan elkaar gelinkt waren en die daarenboven significant kunnen zijn voor beleidsmakers. Zo is er blijkbaar een verband tussen welvaartsgroei en de ligging ten opzichte van de evenaar. Dat is een interessant gegeven, maar daar kan een politicus weinig aan veranderen. Eén van de grootste correlaties die we tegenkwamen heeft betrekking op het aantal gewerkte uren per jaar. Op het eerste zicht is de invloed van de overheid hier ook vrij beperkt, maar het al dan niet meer willen werken kan vaak in de motivatie hiervoor gezocht worden. Als deze extra werkuren te weinig opleveren voor deze werknemer (of ondernemer), dan zal de keuze snel gemaakt zijn. Voor de werknemer is uiteindelijk het netto besteedbaar inkomen het belangrijkst. Als door meer te werken en een daaruit volgende hogere belastingsdruk dat inkomen niet evenredig stijgt, zou je gek zijn om deze extra inspanning te leveren. Beleidsmakers hebben hier wel de hefbomen in handen om via het verlagen van de belasting op arbeid die extra motivatie ook te valoriseren. Welke zijn volgens u dan de belangrijkste correlaties die we uit deze studie moeten onthouden? Eric Verhulst: Uit de studie die we toepasten op de tot voor kort 15 lidstaten van Europa voor de periode 1985-2002 komen twee grote vaststellingen, noem ze maar economische wetmatigheden, naar boven. De eerste heeft betrekking op de grootte van het overheidsbeslag, de tweede op de belasting op arbeid. Dit laatste omvat zowel de loonbelasting, de Sociale Zekerheidsbijdragen als de inkomstenbelasting. Wat het eerste betreft kan je algemeen stellen dat elk land in functie van zijn welvaartsgroei een bepaald optimum heeft voor de grootte van zijn overheid ten opzichte van haar BNP. Voor de 15 landen van Europa ligt dat optimum ongeveer gelijk vermits het over vergelijkbare samenlevingsmodellen gaat. Je kan m.a.w het BNP hier als waardemeter voor welvaartsgroei gerust gebruiken. De theorie van de econoom Armey zegt hier in essentie het volgende over: indien je geen overheid hebt zal de welvaartsgroei minimaal zijn door bijvoorbeeld het ontbreken van infrastructuur of een zekere rechtsorde die onontbeerlijk is voor het voeren van handel. In het ander uiterste waar alle middelen bij de overheid terechtkomen en waar de overheid als enige speler beslist over de aanwending van deze middelen, zal het effect hetzelfde zijn. Eigen initiatief is daarbij immers onmogelijk en ook niet lonend De 15 landen die we bestudeerd hebben liggen tussen deze extremen in en kennen een zeker evenwicht tussen de private sector en de overheid. Het is voor ons belangrijk om te kijken of dat evenwichtspunt in België optimaal is en stabiel is Dragen de overheidsbestedingen met andere woorden nog op een optimale wijze bij aan onze welvaartsgroei? Het antwoord hierop is spijtig genoeg negatief. Het overheidsbeslag op het BNP in België zit namelijk ver voorbij zijn optimum (meer dan 20 %). Concreet betekent dit dat de bijdrage van de overheid aan de welvaartsgroei niet enkel onvoldoende stimulerend maar zelfs afremmend werkt. Dit komt deels door de groeiende kost van deze overheidskosten die door de private sector moeten gedragen worden en anderzijds door het afnemende toegevoegde waarde van overheidsinitiatieven. Kan u dat verder verduidelijken? Eric Verhulst: Een grotere overheid betekent een grotere administratie waar meer mensen werken. Dat is natuurlijk fijn voor de mensen die daardoor een job - niet altijd synoniem voor productieve arbeid - hebben, maar deze jobs, lees inkomsten van de betrokkenen, worden door belastingen gefinancierd. Dat belastingsgeld komt voor een groot deel vanuit de privé-sector. Hoe groter de overheid, hoe meer de privé-sector zal moeten afdragen waardoor de privé-sector minder middelen overhoudt om te kunnen investeren of extra personeel aan te werven. De tewerkstelling in de privé-sector zal dus eerder automatisch gaan inkrimpen ook al wordt de productiviteit er verhoogd. De rol van de overheid op het niveau van een land is zoals de rol van het management en administratie in een bedrijf. Je hebt dat nodig om te functioneren, maar heb je er teveel van dan werkt het contraproductief en is het bedrijf niet langer competitief. Men kan dat een tijdje compenseren door de productiviteit in de productie afdeling te verhogen maar uiteindelijk bereikt men ook daar limieten al was het maar omdat niet al het personeel door machines kan vervangen worden en de werkdruk uiteindelijk te groot wordt. In een land is de productie afdeling de private sector. Daarnaast is het zeer belangrijk om te kijken naar het multiplicatoreffect van overheidsinitiatieven. Daarmee wil ik zeggen dat hoe meer initiatieven een overheid zal nemen op allerlei niet-essentiële domeinen, hoe kleiner het effect daarvan zal zijn. Heel wat middelen blijven immers hangen in de administratiekost of resulteren in pure consumptie overdrachten. Zo zijn er legio aan voorbeelden waarbij de werkingskost van Sociale Zekerheidssystemen groter is dan de het bedrag van de uitkeringen. Dat kan niet de bedoeling zijn. De grootte van de overheid is in België historisch gegroeid. In de jaren 1980 hadden we immers te maken met een economische recessie. België heeft er toen voor gekozen om het verlies aan jobs op te vangen door meer werk in de overheid te creëren. Daarmee hou je de consumptie wel in stand - op de rug van toekomstige generaties - maar het multiplicatoreffect daarvan is relatief klein. Deze tactiek heeft ook het ééngemaakte Duitsland gevolgd voor het Oosten en ook daar zie je dat de resultaten op lange termijn uitblijven. Een land als Ierland heeft echter bewust gekozen voor een efficiënte en essentiële overheid die zich volgens een strategisch plan toespitste op een aantal kerntaken. Onder meer dit heeft er toe geleid dat Ierland vandaag het land is met de sterkste welvaartsgroei maar ook het hoogste scoort qua welzijn. Als ik u goed begrijp moet de Belgische Staat dus afslanken om zo onze samenleving terug sneller te laten lopen? Eric Verhulst: De overheid moet proportioneel afslanken wat niet belet dat door meer welvaartsgroei de overheid op termijn meer middelen kan krijgen dan men met een ongewijzigd beleid kan verwachten. We zijn op dit moment veel middelen aan het verspillen. De staatsstructuur van België maakt het daar niet gemakkelijker op. We hebben veel te veel ministers en staatssecretarissen waardoor we een inflatie aan bevoegdheden hebben gekend. Hierdoor wordt de impact van een bepaald politiek initiatief veel kleiner doordat er te veel niveaus zijn waarover allerlei bevoegdheden versnipperd liggen. Politici zelf hebben in feite ook minder en minder invloed en zijn een vorm van veredelde ambtenaren geworden die dikwijls rommelen in de marge. Reken ook maar eens uit wat de kost daarvan is. Volgens een studie van de Europese Centrale Bank zou een land als België dezelfde diensten kunnen aanbieden aan zijn burgers voor de helft van de kostprijs: hetgeen betekent dat dit land zo’n 25 % van zijn economische output verspilt of inefficient aanwendt. Of ongeveerd de helft van alle belastingen opgebracht door de private sector. De overheid moet zich meer richten op haar kerntaken en alleen daarop. Voor mij betekent dit onder andere infrastructuur, rechtsorde, defensie, het sociale welzijn van de burger en onderwijs. Dit moet ze ook op een veel transparantere wijze beginnen doen. In de bedrijfswereld noemt men dit 'Corporate Governance' en er zijn heel wat regels die er op toezien dat bedrijven op een transparante wijze werken. Een overheid die dat van de bedrijfswereld vraagt moet zichzelf dezelfde eisen opleggen. Nu kunnen we van de overheidsdiensten vaak enkel een jaarverslag zien terwijl het wel over de helft van onze economie gaat. Die verslagen, als ze al bestaan, leveren evenwel weinig essentiële informatie. Wat je moet kunnen analyseren is het budget, de balans, het aantal personeelsleden, enzovoort, net zoals bij het jaarverslag van een beursgenoteerd bedrijf. Dit gebrek aan transparantie kan zoals in het OCMW van Antwerpen tot onaanvaardbare mistoestanden leiden en eerlijk gezegd vermoed ik dat we hiermee slechts het topje van de ijsberg hebben gezien. De tweede belangrijkste correlatie waar u het daarnet al even over had is deze tussen de belasting op arbeid en de welvaartsgroei. Wat is de conclusie voor België daar en wat zijn eventueel uw voorstellen om die relatie te optimaliseren? Eric Verhulst: Kijk het is geen nieuws om te zeggen dat onze loonkost te hoog ligt. In België, en ik spreek uit eigen ervaring, wil dit zeggen dat in een bedrijf niet meer mensen zullen werken dan strikt noodzakelijk is voor dat bedrijf en liefst zelfs nog iets minder. Als het dan eens tegen zit of als een bedrijf plots in een hogere versnelling dient te werken, zorgt dit onmiddellijk voor problemen. Door de hoge loonkost kan en zal een bedrijf dus weinig buffer opbouwen en ik ben er van overtuigd dat heel wat KMO's en grotere bedrijven dit wel zouden doen indien de kost niet zo hoog zou liggen. Ook hier is het weer een verhaal van een goed evenwicht. Belastingen die te hoog liggen werken niet. De verlaging van de successierechten is een goed voorbeeld. Door deze drastisch te verlagen krijgt de Vlaamse overheid via deze weg nu wel meer geld binnen. Dezelfde logica kan je toepassen op de belasting op arbeid. Men kan zich trouwens de fundamentele vraag stellen waarom men arbeid, als de bron van welvaart en als moreel grondrecht, gaat belasten. Zeker in een internationale context nijgt dit naar masochisme. Stelt u dan zoals Vivant voor om de belasting op arbeid te vervangen door een belasting op consumptie? Eric Verhulst: Dit is niet alleen een stelling van Vivant, het wordt ook door verschillende economische studies naar voren geschoven. Ik denk ook niet dat de prijzen hierdoor zullen stijgen zoals Professor De Grauwe beweert. Door een dergelijke belastingsverschuiving zal de onderneming meer overhouden en zal zijn export toenemen. Dit inkomen zal hij waarschijnlijk investeren om meer volume te bereiken en zijn marktaandeel te vergroten wat op zich weer voor extra concurrentie zal zorgen, want andere ondernemers zullen dit ook doen. Meestal resulteert zoiets in een daling van de prijzen. Daarnaast zal de import wat afgeremd worden wat voor onze economie ook geen slechte zaak is. Daarenboven zullen om dezelfde reden de nettolonen, en vooreerst bij de lage loonniveaus, stijgen. Een totale afschaffing van de loonbelasting is dus een goede zaak voor iedereen terwijl een consumptiebelasting niet alleen veel rechtvaardiger is omdat ze door iedereen gedragen wordt, ze heeft ook andere voordelen zoals de mogelijkheid om maatschappelijke doelstellingen op een soepele manier in te vullen. . We kennen nu een aantal van uw analyses. Welke oplossingen stelt u voor? Eric Verhulst: Op dit moment zijn we aan het werken aan een 'Kick-Start'-plan dat op die vraag een mogelijk antwoord moet bieden. Het probleem op dit moment is dat onze regering(en) tussen twee muren zit die het gevolg is van de negatieve groeispiraal die ze zelf in gang gezet heeft in de jaren 80. Enerzijds kan ze door de krappe begrotingsruimte moeilijk fundamenteel stimulerende maatregelen op lange termijn nemen, alhoewel dit tot de kerntaak van de overheid behoort. Op dit moment gaan 80% van alle overheidsuitgaven naar lonen en uitkeringen en er blijft dus slechts maar 20% over voor toekomstgerichte investeringen. Anderzijds is de belastingsdruk al dermate hoog, dat elke verhoging de welvaartsgroei nog meer gaat afremmen. In het beste geval krijgen we dus een status-quo. De vraag is dus hoe je de budgettaire ruimte creëert voor meer lange termijn initiatieven. Met andere woorden, je hebt dus een grotere welvaartsgroei nodig om hiermee een buffer op te bouwen. De middelen zijn hiervoor beschikbaar onder de vorm van niet benut arbeidspotentieel. Bij benadering heb je op dit moment 6 miljoen Belgen die we ons arbeiderspotentieel kunnen noemen. Daarvan werkt er nu zo’n 4 miljoen waarvan iets meer dan 1 miljoen bij de overheid. Twee miljoen mensen werken niet en bij benadering kan je stellen dat de helft daarvan onvrijwillig niet-actief zijn, waaronder ik ook de vele bruggepensioneerden reken. Je moet je eens afvragen wat een impact het zou hebben op onze welvaartsgroei indien deze mensen wel aan de slag zouden kunnen in de privé-sector. Een voorstel zou kunnen zijn om deze mensen te laten werken aan een netto loonkost voor een bepaalde termijn. Wat deze persoon verdient, is dus wat hij kost aan het bedrijf. Uiteraard moet men dit invoeren met een aantal begeleidende maatregelen om zo de substitutie van duurdere door goedkopere werkkrachten binnen bedrijven te vermijden. Dit kan door te kijken naar de evolutie van de totale loonkost van een bedrijf. Uiteraard moet men ook tegelijkertijd en onmiddellijk stapsgewijs de loonbelasting voor iedereen drastisch verlagen en gelijk stellen. Dit kan omdat met dit plan zonder een substantiële verhoging van de kost of dwang de economische output met zo’n derde kan stijgen. De economie zal groeien maar ook de overheidsinkomsten waardoor de buffer ontstaat. Tegelijkertijd moeten we in België ook de fundamentele oorzaak van de geldhonger van de overheid aanpakken. Grosso modo komt dit neer op een drastische vereenvouding van de organisatie van de maatschappij. Niet het principe van de Sociale Zekerheid en de uitkeringen worden in vraag gesteld, wel de werkingskost. Zo stellen wij een eenheidsstatuut voor alle werkenden voor: arbeiders, bedienden, zelfstandigen en ambtenaren voor. Dit maakt de zaken veel eenvoudiger, goedkoper en ook veel rechtvaardiger. Ook de overheid zal moeten afbouwen en zoals ik reeds zei transparanter gaan werken. Zo zou ik van alle overheidsdiensten waarvoor de burger op één of andere manier dient te betalen Naamloze Vennootschappen maken en vooral hun monopolie op deze diensten opheffen. De overige overheidsdiensten worden volgens mij het best tot een soort vzw's omgevormd. De wetgever heeft hiervoor al een geschikt en doordacht wettelijk kader geschapen. Tot slot lijkt het mij ook logischer dat heel wat stelsels zoals die bijvoorbeeld in de sociale zekerheid aanwezig zijn worden teruggebracht tot een beperkt aantal eenheidsstelsels of zelfs een enkel waarbij pensioen vorming en basisinkomen gecombineerd worden. Dit zal het overheidsapparaat tot gezonde proporties herleiden. Maar zoals ik al zei zal u hierover meer kunnen lezen in ons 'Kick-start'-plan. Ik kijk er alvast naar uit. Tot slot zou ik nog kort uw mening willen vragen over het volgende. België kende in 2004 een betere economische groei dan de ons omringende landen. Blijkbaar doen we het nog zo slecht niet? Eric Verhulst: Tja, ik wil hier niet de pessimist van dienst zijn, maar we moeten deze cijfers toch in hun perspectief plaatsen. De creatie van meer jobs bij de overheid resulteert ook in een stijging van het BNP wat op zich weer een ogenschijnlijk 'positief' effect heeft op de officiële groei. Het zou daarom beter zijn om de economische groei van de privé-sector als waardemeter voor onze groei te nemen. Dit zou ons veel meer zeggen. Daarenboven valt af te wachten of het hier over een structureel effect gaat. Er is immers dit jaar heel wat zwart geld terug gekomen uit het buitenland naar onze formele economie. U bent dus niet van mening dat een maatregel zoals de doorgevoerde loonlastenverlaging hiervan mede de oorzaak is? Eric Verhulst: Dat heeft wel zijn invloed gehad, maar de eerlijkheid gebied mij te zeggen dat deze regering tegelijkertijd een aantal andere vormen van belasting heeft doorgevoerd die op indirecte wijze het effect van deze maatregel grotendeels teniet doen. Bovendien zou het aanpakken van de ware oorzaken van een stagnerende of lage economische groei veel meer effect hebben. 2 % groei is de facto stagnatie. Zoals ik reeds vermeld heb liggen de oorzaken voornamelijk bij het te grote overheidsbeslag op het BNP en de er aan gekoppelde inefficiëntie en ons onverantwoord belastingssysteem op arbeid.
Eric Verhulst Linksmailto:jan.pille@vlaamsparlement.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|