|
De globalisering die sinds het begin van deze eeuw meer dan ooit impact heeft op de levens van miljarden mensen appelleert naar onze verantwoordelijkheid tegenover onze medemens. Bijna de helft van de wereldbevolking moet rondkomen met minder dan twee euro per dag. Eén op vijf kinderen kan geen lagere school volgen. Een miljard mensen beschikt niet over zuiver drinkwater. Ongeveer 800 miljoen mensen lijden chronische honger. Waarom slagen we er niet in de reusachtige ongelijkheid op wereldschaal te reduceren? Hoe valt extreme armoede en hongersnood te rijmen met de mensenrechten en de morele gelijkwaardigheid van alle individuen? Aan welke voorwaarden moet een rechtvaardige internationale orde voldoen? Mogen wij ingrijpen in het beleid van andere landen om de mensenrechten te doen naleven? In het boek Internationale rechtvaardigheid buigen twaalf wetenschappers zich over deze cruciale vragen. In toegankelijke essays onderzoeken ze hoe politiek realisme en morele bevlogenheid, nationale soevereiniteit en mondiale ethiek kunnen worden verzoend. Een van de co-auteurs is de Vlaamse socioloog en filosoof Gert Verschraegen. Dirk Verhofstadt sprak met hem over de rol van de staat en het belang van de mensenrechten. We kennen de gevaren van een te sterke en onderdrukkende staat. Maar schuilt er ook geen gevaar in een zwakke of onbestaande staat? Wij zijn zo gewend aan het feit dat we relatief veilig op straat kunnen rondlopen, dat we vaak vergeten dat dit enkel mogelijk geworden is door de monopolisering van het geweld door de staat en haar gezaginstanties als de politie en het leger. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen wat er zou gebeuren als de staat niet langer de horizon van ons leven is. Dat is nochtans het geval in veel ontwikkelingslanden: typisch voor vele staten in Azië en Afrika is dat ze er nooit helemaal in geslaagd zijn een sterk en stabiel geweldsmonopolie te vestigen. De overheid is erg zwak en niet in staat om bepaalde essentiële functies (de openbare veiligheid, rechtspraak, onderwijs, etc.) op zijn territorium te waarborgen. Het ontbreken van zo’n effectieve staatsstructuur heeft meestal catastrofale gevolgen voor de bevolking in die landen. Wat zijn de gevolgen voor de betrokken bevolking? Zij leven in een soort Hobbesiaanse oorlog van allen tegen allen, en kunnen zich niet of moeilijk verdedigen tegen plunderaars en rondzwervende benden. De wapens van de staat zijn vaak geroofd en diegenen die de bevolking zouden moeten beschermen, de politie en het leger, zijn meestal deel van het probleem omdat ze niet of slecht worden betaald. In zo’n situatie blijft er van gezondheidszorg, onderwijs en gemeenschapsinfrastructuur niet veel over. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in landen als Congo, Angola, Sierra Leone of Soedan de gemiddelde levensverwachting ongeveer 35 jaar is; een groot deel van de bevolking is er ondervoed of besmet door het aids-virus, zonder dat er een staatsstructuur voorhanden is om daar iets aan te doen. De gevolgen van zwakke en mislukte staten beperken zich echter niet alleen tot de landen zelf. Regio’s zonder statelijk geweldsmonopolie veroorzaken problemen, conflicten en migratiestromen die tot ver voorbij de grenzen kunnen uitdeinen. Bovendien vormen landen waar de overheid zo goed als alle controle over het territorium heeft verloren een uitgelezen speelterrein voor allerhande transnationale criminele en terroristische netwerken. Is staatsopbouw dan een opdracht voor internationale instellingen? Waar internationale organisaties als de Wereldbank en het IMF in de jaren tachtig en begin jaren negentig nog pleitten voor een drastische inkrimping van de staat, hoor je nu meer en meer het belang van sterke staatsstructuren benadrukken. Er wordt momenteel hard nagedacht over de manier waarop staatsvorming het best kan worden georganiseerd. Een belangrijk probleem daarbij is dat je in gedesintegreerde landen moeilijk beroep kan doen op de bestaande politieke regimes omdat die te zwak zijn of corrupt. Om het leven van de individuen in deze regio’s substantieel te verbeteren, fundamentele rechten te beschermen en maatschappelijke infrastructuur en basisinstituties te creëren is er nood aan langdurige institutionele arrangementen die mee beheerd worden door de internationale gemeenschap. Zelfs als in een verscheurd of gedesintegreerd land interne vrede of wapenstilstand tot stand komt, zal het nog één of twee generaties duren voor er weer sprake is van instellingen waar de bevolking vertrouwen in heeft en die onmisbaar zijn voor een functionerend burgerlijk bestuur. Zo’n langdurige, onopvallende bereidheid is iets wat slechts past bij de na de Koude Oorlog gegroeide praktijk van snelle interventie en snelle terugtocht. Wat vormt nu de beste bescherming voor de mensenrechten? Soevereine staten of transnationale instituties? Dat is een gecompliceerde vraag. De staat speelt natuurlijk een cruciale rol bij het beschermen van politieke, economische en sociale basisrechten. Hoewel er een mondiaal rechtsregime bestaat, worden de mensenrechten in de praktijk slechts afdwingbaar binnen de nationale rechtsorde: het zijn afzonderlijke staten die de plicht accepteren om de mensenrechten te accepteren en hen te incorporeren in het nationale rechtssysteem. Internationale organisaties zoals de VN of de regionale mensenrechtenhoven kunnen – samen met de mensenrechten-NGO’s als Amnesty International of Human Rights Watch – druk uitoefenen maar staten niet dwingen om de mensenrechten na te leven. Anderzijds is het duidelijk dat de staat hoe langer hoe minder beschouwd kan worden als ‘soeverein’ in de klassieke betekenis van het woord. De staat is eerder een medespeler naast andere medespelers geworden. In veel ernstige schendingen van de mensenrechten vandaag spelen staten niet de belangrijkste rol. Zo is er de belangrijke vraag of de multinationale farmaceutische bedrijven met hun hoge prijszetting voor Aidsremmers niet het fundamentele recht op leven en gezondheidszorg van Aidspatiënten schenden. Of denk aan het gebruik van kinderarbeid door IKEA en Nike of aan Google die het recht op informatie van de Chinese burgers schendt door te plooien voor de eisen van de Chinese regering. Is de rol van de natiestaat dan uitgespeeld? Op mondiaal vlak heb je vaak te maken met uitermate complexe problemen, waarin zowel publieke als private actoren betrokken zijn. Zulke kwesties kan je niet simpelweg oplossen door de problemen volledig over te laten aan staten. Die zijn vaak te klein, te onmachtig en te zeer in competitie met andere staten om er iets aan te doen. Hier is eerder nood aan transnationale normerende netwerken waarin zowel internationale instituties en vertegenwoordigers van nationale regeringen zitten, als ook NGO’s en private actoren zoals de multinationale bedrijven. Voorlopig bestaat er op mondiaal niveau echter geen geschikte politieke en legale infrastructuur om zo een normering op te stellen en af te dwingen. U schrijft dat ook mensen die bij ons aankloppen maar zonder rechten zijn, zoals asielzoekers en vluchtelingen, op hun rechten als ‘mens’ moeten kunnen terugvallen. Kan je dit toelichten? Ik volg hier het spoor van politieke filosofen als Arendt, Agamben of Benhabib, die menen dat de belangrijkste problemen van de mensenrechten blootgelegd worden door te kijken naar immigranten, vluchtelingen of asielzoekers. Hun ambigue situatie - ze zijn hun thuisland ontvlucht, maar worden nog niet opgenomen in een ander land - maakt heel duidelijk de spanningen en contradicties zichtbaar tussen het beschermen van de mensenrechten en het beschermen van de soevereiniteit van de staat. Je hebt hier te maken met twee verschillende logica’s: aan de ene kant de morele, kosmopolitische logica van de mensenrechten die per definitie een universele strekking hebben: elke mens kan er zich op beroepen op basis van het simpele feit dat hij of zij een menselijk wezen is. Aan de andere kant heb je de politieke en wettelijke logica die stelt dat soevereine staten het recht hebben om de eigen grenzen te controleren en te bepalen wie volwaardig lid kan worden van de staat. Wat zijn de concrete gevolgen van die tegengestelde logica’s voor de mensen zelf? Die dubbele situatie zorgt ervoor dat staten lidmaatschap en rechten kunnen voorbehouden aan de eigen inwoners en anderen lidmaatschap en rechtsbescherming kan ontzeggen. Denk bijvoorbeeld aan de term ‘illegaal’: wie zonder de juiste verblijfsdocumenten op het Belgische grondgebied verblijft, is letterlijk iemand ‘zonder rechten’. Deze mensen kunnen hun elementaire recht op bewegingsvrijheid, op arbeid, op rechtsbescherming, etc. niet meer ten volle laten gelden. Het is juist deze groep van asielzoekers, vluchtelingen, sans-papiers, etc. die extra nood heeft aan bescherming door de mensenrechten. Deze mensen hebben mensenrechten nodig omdat het de enige rechten zijn die ze hebben. Ze genieten geen bescherming meer van een duidelijk omschreven politiek en wettelijk gezag en zijn dus erg gevoelig voor misbruik door ambtenaren en politie. Bovendien vallen ze ook in handen van mensensmokkelaars en malafide koppelbazen. Er bestaat toch de conventie van Genève die landen verplicht om asielzoekers die levensgevaar lopen in eigen land te beschermen? Op internationaal vlak bestaan weliswaar verschillende verdragen en instituties om de mensenrechten van migranten, vluchtelingen en asielzoekers te beschermen, maar daarin blijven belangrijke interne contradicties bestaan. Zo erkent het internationale recht wel een recht om te emigreren en een recht om asiel te zoeken, maar bestaat er geen recht om te immigreren – het recht om een land binnen te komen – of een plicht om asiel toe te kennen. Een staat kan zijn soevereiniteit dus inroepen om iemand te weigeren om op hun grondgebied te verblijven. Bovendien is er een opbod tussen de Europese landen om met steeds strengere maatregelen en controles te voorkomen dat er buitenlanders naar hier komen. Zo blijven asielzoekers en vluchtelingen toch een beetje de speelbal van wisselvalligheid en de bereidheid van staten om hen een zekere vorm van lidmaatschap en rechten toe te kennen. In dat opzicht vormt de behandeling van vluchtelingen, asielzoekers en zogenaamde ‘illegalen’ ook een belangrijke test voor de morele gehechtheid van een land aan de mensrechten. In hoeverre is een land bereid om niet alleen zijn eigen burgers, maar iedereen – ook degenen zonder de juiste nationaliteit of papieren – op een fatsoenlijke, rechtmatige manier te behandelen? Zonder papieren maar dus niet noodzakelijk zonder rechten? Het lijkt mij van belang om migratiebewegingen – ongeacht of die nu veroorzaakt worden door de zoektocht naar asiel of door andere motieven – te decriminaliseren en iedereen die zich op het grondgebied bevindt een zekere set van basisrechten toe te kennen, zij het slechts tijdelijk. Hannah Arendt schreef al dat er zoiets bestaat als het recht om rechten te hebben. Basisrechten zouden niet louter toegekend mogen worden op basis van nationaliteit of burgerschap. Iedereen zou – op zijn minst tijdelijk – zijn fundamentele rechten op arbeid, onderwijs, gezondheidszorg, etc. moeten kunnen uitoefenen. Het is toch niet omdat je een grens oversteekt, dat je plots zonder basisrechten valt. Dat was ook het basisidee die Kant al verdedigde toen hij pleitte voor een universeel recht op gastvrijheid. Wie als een vreemdeling in een land aankomt, heeft het recht om niet als een vijand behandeld te worden. Dat is geen kwestie van liefdadigheid of edelmoedigheid, maar een recht dat alle mensen toekomt. In welke mate beschikken asielzoekers die naar de Europese Unie komen over rechten? Ik bedoel, hoe zit het met de praktijk? Op Europees niveau is dat geregeld voor mensen die legaal op het grondgebied van een Europese lidstaat verblijven. Ook asielzoekers en vluchtelingen waarvan de procedure lopende is, kunnen enkele minimale rechten laten gelden. Maar intussen maken we het wel steeds moeilijker om Europa op een wettelijke wijze binnen te komen. Voor velen loopt de enige manier om Europa binnen te komen via een misdaadsyndicaat dat daar een exorbitante vergoeding voor vraagt. Door het mensen zo moeilijk te maken om Europa binnen te komen, drijven we hen regelrecht in de handen van de criminele netwerken. Het is hoe dan ook erg paradoxaal dat in een wereld waarin kennis, cultuur, goederen en kapitaal zonder enig probleem de grenzen oversteken, tegelijk de bewegingsvrijheid van een groot deel van de wereldbevolking op een dergelijke restrictieve manier wordt ingeperkt. Zolang we op internationaal vlak geen betere en meer rechtvaardige regeling ontwikkelen om migratiebewegingen te ordenen, zal een stabiele wereldorde uitblijven omwille van die fundamentele inconsistentie. Francis Fukuyama stelde in zijn boek Het einde van de geschiedenis dat het democratisch liberalisme finaal had overwonnen. Heeft Fukuyama gelijk? Het woordje ‘finaal’ is er volgens mij te veel aan. Niemand weet hoe de wereld er binnen 50 of 100 jaar uit zal zien, ook Fukuyama niet. De wereldmaatschappij evolueert verder en niemand kent de uitkomst daarvan. Maar dat wil niet zeggen dat Fukuyama geen punt had. Hij heeft als geen ander enkele belangrijke mondiale evoluties in kaart gebracht en dat lijkt mij op zich al een belangrijke verdienste. Zo wees Fukuyama er terecht op dat het aantal legitieme basismogelijkheden om een land politiek en economisch te organiseren in de loop van de twintigste eeuw is afgenomen. De verschillende soorten niet-democratische regimes zoals religieuze theocratieën, absolute monarchieën, of de fascistische en communistische dictaturen hebben in de ogen van het overgrote deel van de mensheid hun legitimiteit verloren. Fukuyama heeft wel altijd beklemtoond dat wat zegegevierd heeft niet zozeer de liberale praktijk is als wel de liberale gedachte. Zo zijn er nog heel wat landen die de democratie en de burgerrechten wel met de lippen belijden maar zich daar in de praktijk nauwelijks iets aan gelegen laten. Het feit dat ook deze landen moeite doen hun eigen beleid te rechtvaardigen in democratische termen, toont toch aan dat er nog nauwelijks andere politieke modellen of ideologieën bestaan die als legitiem worden ervaren door de internationale gemeenschap. Moeten we dat liberale model en de democratie dan opleggen aan landen die daar niet over beschikken? Vaststellen dat de democratie en de rechtsstaat het enige overblijvende politieke model is, is één ding, de democratie wereldwijd realiseren is een ander ding. Ik denk dat we hier toch een beetje moeten oppassen voor de Amerikaanse overmoed die wereldwijd de democratie moet en zal exporteren. Een echt democratisch systeem invoeren in landen die dat voorheen niet waren, is allesbehalve vanzelfsprekend, zeker in arme en onderontwikkelde landen. Democratie vereist onder meer dat een groot deel van de bevolking kan lezen en schrijven: hoe kan men anders de kiesprogramma’s lezen, de stembiljetten invullen en deelnemen aan het publieke debat? Het veronderstelt ook dat men een zeker inkomen heeft – hoe klein ook – waarmee men zijn economische onafhankelijkheid kan garanderen. Wanneer het merendeel van de kiezers straatarm is en met minder dan 1 Euro per dag moet leven, is er meteen het risico dat plaatselijke potentaten of zakenlieden met hun fortuin een zetel kopen, want die geeft onschendbaarheid, macht en directe toegang tot de beleidsnetwerken. Veel gegevens wijzen erop dat politieke democratisering enkel een succes kan worden indien het tegelijk begeleid wordt door grootscheepse democratisering van het onderwijs en investeringen in de economie en het sociale beleid. Daarvoor heb je een krachtige overheid nodig, die moet zorgen voor de basisinfrastructuur van gezondheidszorg, onderwijs en tewerkstelling. Mensenrechten zouden volgens u voorrang moeten krijgen op de principes van volks- en staatssoevereiniteit. U pleit dus voor een gerechtvaardigde humanitaire interventie. Wanneer is een dergelijke interventie gerechtvaardigd? Staatssoevereiniteit zou geen excuus mogen zijn voor grove, systematische schendingen van de mensenrechten. Wanneer een staat haar machtsapparaat gebruikt om de eigen bevolking uit te moorden of bijvoorbeeld minderheden op een systematische manier vervolgt en foltert, kan de internationale gemeenschap ingrijpen om daar een einde aan te maken. Als moreel uitgangspunt valt daar weinig tegen in te brengen. Politiek en juridisch is het echter niet zo simpel. Zo is het meestal niet gemakkelijk om te bepalen wie juist verantwoordelijk is voor de mensenrechtenschendingen. Er bestaan ook geen éénduidige juridische regels voor de beslissing al dan niet over te gaan tot militair ingrijpen. Dat komt omdat er geen universele regels bestaan. Zijn die dan niet mogelijk? Filosofen zoals Michael Walzer hebben wel enkele criteria ontwikkeld om te bepalen wanneer interventie is toegelaten om mensen te beschermen tegen gruweldaden. De algemene stelregel is dat gebruik van geweld enkel kan worden gerechtvaardigd in humanitaire noodgevallen. Zo moet er een rechtmatige oorzaak (just cause) aanwezig zijn. Het moet gaan om uitzonderlijke, urgente en evident ernstige schendingen van de mensenrechten. Genocide is een duidelijk voorbeeld, maar ook door de staat ondersteunde massamoord of etnische zuivering, komen in aanmerking. Schending van de mensenrechten is op zich dus geen voldoende rechtvaardiging voor interventie, want dan zou je in de helft van de staten mogen interveniëren; de courante, dagdagelijkse schendingen kunnen best worden opgelost met andere middelen dan humanitaire interventie. Een mogelijke regel om ‘gewone’ mensenrechtenschendingen te onderscheiden van urgente en uitzonderlijke situaties is dat de slachtoffers zelf om hulp moeten vragen. Alleen wanneer buitenstaanders de enige hoop vormen om een einde te stellen aan de wreedheden, kunnen we spreken van een ‘humanitaire noodzaak’. Een tweede criterium bestaat erin dat militair ingrijpen een laatste redmiddel moet zijn. Geweld is alleen gerechtvaardigd als alle vreedzame middelen om een oplossing te vinden (diplomatie, economische sancties, etc.) uitgeput zijn. In het geval van humanitaire interventies kan dit principe de beslissingsmakers met grote dilemma’s opzadelen: terwijl men door vreedzame, diplomatische wegen probeert een oplossing te vinden, kunnen de moordpartijen en uitdrijvingen ongestoord blijven plaats vinden. Dit dilemma wordt nog verzwaard door een derde criterium dat stelt dat het gebruik van geweld steeds in verhouding moet staan tot de ernst van de mensenrechtenschendingen Wanneer bijvoorbeeld wordt verwacht dat het inzetten van geweld meer levens zal kosten dan er levens zullen worden gered, is er niet voldaan aan dit proportionaliteitsbeginsel. Met geweld ingrijpen blijft dus een uiterst delicate kwestie. Wie beslist geweld in te zetten moet dus over goede aanwijzingen beschikken dat het gebruik van geweld tot de gewenste ‘humanitaire’ gevolgen zal leiden. Op een meer fundamenteel niveau doet dit beginsel de vraag rijzen of het gebruik van geweld überhaupt ‘humanitaire’ doeleinden kan dienen. Hoe rechtvaardig je bijvoorbeeld de onschuldige burgerslachtoffers die zullen vallen ten gevolge van de humanitaire interventie? Uiteindelijk kunnen beleidsmakers onmogelijk exact voorspellen of hun beslissing geweld te gebruiken de gehoopte gevolgen zal hebben dan wel nog meer onschuldige slachtoffers zal laten vallen. De ervaring leert ons alvast dat we hier best geen ongebreideld optimisme koesteren. Militaire interventies die de afgelopen decennia een onmiskenbaar succes hebben opgeleverd, zijn op één hand te tellen. Twee jaar geleden vielen de Verenigde Staten en hun geallieerden Irak binnen. Intussen lijkt stabiliteit en vrede in die regio verder dan ooit. Was die oorlog een vergissing? De VS hebben tevergeefs geprobeerd een aanval op Irak te verkopen als een strijd tegen terreur of de verspreiding van massavernietigingswapens. Toen dat niet lukte is men van strategie veranderd. De VS zou democratie naar Irak brengen, wat vervolgens een domino-effect zou sorteren in de rest van de regio. Het exporteren van democratie is natuurlijk een nobel doel, maar goede intenties zijn geen voldoende voorwaarde om op wettelijke wijze militair te interveniëren in een ander land. Daarvoor is een concrete, ernstige dreiging of een humanitaire crisis nodig en die waren er niet. De interventie in Irak kan volgens mij niet verdedigd worden vanuit de traditie van de humanitaire interventie. Die wil slachtoffers redden in het hier en nu, eerder dan de loop van de geschiedenis te veranderen en vrijheid en democratie voor iedereen realiseren. Wat heeft Bush en zijn geallieerden dan gedreven? De Verenigde Staten onder Bush lijken helemaal bevangen door een messianistische ideologie die beweert de toekomst te kennen en te kunnen vormgeven. Amerika beschouwt het als zijn taak en missie om een betere toekomst voor iedereen te garanderen en daar moet alles – ook het internationale recht en de stabiliteit - voor wijken. Het doet mij een beetje denken aan de slogan van het Amerikaanse, heroïsche individualisme: We can do it! Het probleem is dat deze mythe van activisme en almacht het heden opoffert aan een betere toekomst, die steeds vooruitgeschoven kan worden. Irak en het Midden-Oosten zullen op een dag democratisch en vrij zijn; dat we daarvoor vandaag moeten folteren en rebellerende Iraki’s doodschieten hoort er nu eenmaal bij. Je kan geen omelet bakken zonder eieren te breken. Ik vind dat een bijzonder gevaarlijke redenering die het vertrouwen in het internationale recht ondermijnt en de indruk van velen bevestigt dat het internationale recht en de mensenrechten vooral dienen om de machtsbelangen van de VS en enkele andere landen te dienen. De VS krijgen ook bakken kritiek omwille van hun behandeling van de gevangen in Irak en op Guantanamo. Terecht. Met hun excessieve reactie op het terrorisme ondermijnen de Amerikanen de universaliteit van de mensenrechten. De boodschap die zij de wereld meegeven is die van de dubbele moraal: mensenrechten voor de Amerikanen en in tweede instantie voor de Europeanen zijn heiliger dan die voor de rest van de wereld. Mensenrechten zijn er juist om alle individuen te beschermen tegen zulke excessieve reacties van staten. Ze stipuleren bijvoorbeeld dat iedereen – ook criminelen en terroristen – recht hebben op een eerlijk proces. In Amerika’s eindeloze oorlog tegen het terrorisme worden duizenden gevangenen zonder beschuldiging of recht op een advocaat opgesloten. Dat is de reden waarom Guantanamo zo schokkend is: het creëert een absoluut legaal vacuüm waarin alles is toegelaten, ook martelen en moorden. De gevangenen op Guantanamo zijn volkomen rechteloos. Ze hebben geen toegang tot een advocaat. De conventie van Genève is op hen niet van toepassing, want volgens Amerika zijn ze geen krijgsgevangenen. Ze worden volledig en absoluut buitengesloten uit de legale sfeer en verliezen zo ook de status van een menselijk persoon, want die blijft altijd enkele minimale rechten behouden, zoals het recht op lichamelijke integriteit. Dat is toch ongezien voor een land dat zich de behoeder van de mensenrechten en de democratie waant. Bedenk ook dat de VS maar al te goed weten hoe ze hun juridische verantwoordelijkheid kunnen ontlopen door bijvoorbeeld gevangenen te transporteren naar andere landen en in toenemende mate beroep te doen op contractuele burgers, huurlingen en privé-militairen voor hun operaties. Die zijn niet gebonden door de conventie van Genéve en kunnen dus het vuile werk opknappen. Ruim tweehonderd jaar geleerde publiceerde Immanuel Kant zijn boek Zum Ewigen Frieden, een van de eerste betogen voor een transnationaal normbesef. Zijn we op weg naar zijn ideaal of wijken we er steeds meer van af? Kant was één van de eersten die inzag dat stabiliteit en vrede op het internationale toneel enkel bereikt kan worden dankzij een internationale grondwet of constitutie die door gelijke partijen onderschreven moet worden. De éénzijdige interpretatie van het internationale recht door de VS of door andere landen zou in zijn ogen weinig krediet genieten. Voor een duurzame vrede op internationaal gebied is er nu éénmaal geen alternatief buiten het algemeen verbindende recht, waar alle staten – zonder uitzondering - aan onderworpen zijn omdat ze die wetten zelf ontworpen en gestemd hebben. Zo’n internationaal regime lijkt me wel niet voor morgen. Zo is het een grote uitdaging om de mechanismen van wetgeving, rechtshandhaving en democratische controle die wij op staatsniveau hebben ontwikkeld te vertalen naar het internationale niveau. Dat is een probleem waar ook de Europese Unie mee kampt. Maar dat neemt niet weg dat er grote vooruitgang is geboekt. Vergeleken met vijftig jaar geleden bijvoorbeeld zijn staten in toenemende mate verantwoording verschuldigd aan internationale regels en instellingen op het gebied van de mensenrechten, terwijl individuen en particuliere organisaties zich op grond van die regelingen niet meer kunnen verschuilen achter staten. Denk maar aan het Internationale Strafhof dat oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid van individuen kan bestraffen zonder dat die zich nog achter de brede rug van hun staat kunnen verschuilen. Dat zou honderd jaar of zelfs twintig jaar geleden onmogelijk geweest zijn.
Gert Verschraegen Linksmailto:verhofstadt.dirk@pandora.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|