Ook in de evolutie wordt de geschiedenis geschreven door de winnaars, met op kop natuurlijk de mens, het wezen dat op heel korte tijd een populatie-explosie meemaakte. Maar winnaars kunnen heel snel in verliezers veranderen, zegt Lucas Wenniger, en om dat te bewijzen schreef hij het boek De stinkende papegaai en andere bizarre beesten waarin hij een hele reeks winnaars en verliezers opvoert en aanduidt waarom we ons precies deze wel of niet herinneren. Hij ziet eruit als een flinke theemuts, vier kilo groenige en verdraaid muf ruikende pluizebol die ooit kon vliegen maar sinds lang veroordeeld is tot een scharrelend bestaan op de bosbodem, waar hij een gewillige prooi is voor hond- en katachtigen allerhande. Zijn voortplantingsstrategie is gecompliceerder dan die van de paus en als de rimuconifeer geen vruchten draagt, komt er van kleintjes al helemaal niets in huis. Zie hier de Nieuw-Zeelandse kakapo, een papegaai ter grootte van een kalkoen waarvan er welgeteld nog 129 in leven zijn en die met recht en reden een kneusje van de evolutie genoemd kan worden. De kakapo is een van de dieren die Lucas Wenniger opvoert in zijn boek De stinkende scharrelpapegaai en andere bizarre beesten, waarin hij aan de hand van extreme voorbeelden de principes van de evolutie blootlegt. En als je het hem vraagt heeft het allemaal te maken met een ouwe Rus, Tolstoj om precies te zijn: “Het verschil tussen een kampioen en een kneusje van de evolutie zou je kunnen vergelijken met Tolstojs uitspraak dat een gezin maar op een manier gelukkig en op ontelbaar veel manieren ongelukkig kan zijn. Als soorten willen blijven bestaan, moet alles precies goed zitten. Stel dat één factor begint af te wijken, de temperatuur van het zeewater bijvoorbeeld, dan kan dat genoeg zijn om van een winnaar als de ijsvis een dooie verliezer te maken. Want die vis voelt zich het lekkerst tussen -2 en 2 graden, en gaat er onderdoor bij 5 graden.” Om even terug te keren naar de kakapo, waarom is die vogel gestopt met vliegen? Dat is toch om problemen vragen? Lucas Wenniger: Wellicht konden zijn voorouders het wel. Wij denken dat hij ermee is opgehouden omdat er vanouds op Nieuw-Zeeland geen zoogdieren voorkwamen afgezien van een paar vleermuizen, maar daar had hij geen last van. Het enige dier waarvoor hij iets te duchten had was een grote adelaarsoort die weliswaar al een paar honderd jaar uitgestorven is. Het veiligst was dus de bosbodem. Vliegen was gevaarlijk en daarom is hij er waarschijnlijk mee opgehouden. Maar de kakapo dreef zichzelf toch helemaal de uitstervingshoek in door in het beste geval vier eieren per jaar te leggen en daarbij ook nog eens afhankelijk te zijn van een bepaalde soort fruit? Lucas Wenniger: Rimufruit is heel calorierijk en daarom van levensbelang tijdens het broedseizoen. Eieren leggen en kleintjes opkweken kost heel veel energie en de kakapo’s beginnen daar pas aan op het moment dat ze weten dat ze het zullen overleven. Waarom leggen ze dan geen vijftig eieren, kun je je afvragen en dat heeft wellicht ook weer alles met die energie te maken. Het moet immers allemaal een beetje behapbaar blijven. Een mensenvrouw heeft ook geen vijftig baby’s per jaar. Bovendien is het aantal eieren van een dier waarschijnlijk ook afhankelijk van wat de totale populatie dragen kan. Te veel dieren op een te kleine oppervlakte is immers niet goed. Dan gaat er leven, en dus ook energie verloren. In die zin is natuurlijke selectie te vergelijken met bezuinigen. Er wordt altijd automatisch gekozen voor de minst verspillende weg. Ja, maar je zou ook kunnen redeneren dat meer kleintjes leidt tot het afsterven van de zwaksten, waardoor de best aan hun omgeving aangepaste dieren overleven, wat toch positief is voor de soort? Lucas Wenniger: Dat gebeurt ook, bijvoorbeeld bij de hamerhaai, die stelselmatig te veel jongen ter wereld brengt, waarna de moeder dikwijls een of een paar kleintjes weer opeet. Niet alleen is dat de aftrap van de natuurlijke selectie op haar kroost, maar is ook een extra energiebron voor de moeder. Die hamerhaai is trouwens om nog een andere reden opmerkelijk: hij heeft een heel brede, platte kop met op de uiteinden links en rechts een oog. Waarom ziet die er niet gewoon uit zoals alle andere haaien? Lucas Wenniger: Helemaal duidelijk is dat niet, maar het meest waarschijnlijke antwoord is dat het om meerdere redenen goed uitkomt om zo’n brede kop te hebben. Enerzijds zoekt de hamerhaai zijn prooien op de zeebodem met een soort elektromagnetisch zintuig dat onderaan zijn kop zit. Dat is te vergelijken met een metaaldetector waarmee je op het strand naar verloren ringen kunt zoeken. Die heeft ook niet de vorm van een potlood, maar wel die van een schijf, wat hem een stuk efficiënter maakt omdat je dan in dezelfde tijd een groter stuk strand kunt afzoeken. De ogen op de topjes van die platte kop hebben een bijkomend voordeel dat de haai zo een blikveld heeft van bijna 360 graden. Hij kan tegelijkertijd boven, onder, voor en achter zich kijken, wat het een stuk makkelijker maakt je te positioneren in een watermassa zonder referentiepunten. Dat is handig als je op zoek bent naar een prooi, maar ook als je je vijand van ver wil zien aankomen. Waarom gaat de evolutie niet altijd even snel? Het griepvirus maakt dagelijks nieuwe varianten aan, terwijl schubdieren al miljoenen jaren ongewijzigd zijn. Lucas Wenniger: De evolutie is lui. Er gebeurt alleen iets wanneer dat nodig is. Het schubdier heeft praktisch geen vijanden en als die toch opdagen kan het zich in zijn pantser rollen en rustig wachten tot ze weer weg zijn. Zelfs leeuwen weten daar geen raad mee. Schubdieren hebben een lange, kleverige tong waarmee ze makkelijk mieren kunnen opslurpen en een stugge maagwand waarop het mierengif geen uitwerking heeft, dus dat zit ook goed. Waarom zou er dan iets veranderen? Het is zoals met een voetbalploeg, daar wijzig je toch ook niets aan zo lang je iedere week wint? Bij griepvirussen zien we iets heel anders. Zij zitten in een permanente wapenwedloop met de mens. Stel dat zij niet zouden veranderen, dan werden wij niet meer ziek en konden zij zich niet reproduceren. Hun evolutie gaat dus zo snel omdat onze afweer hen daartoe verplicht, waarbij er heel wat onleefbare varianten ontstaan die meteen weer uitsterven, maar ook een paar die succesrijker zijn dan hun voorgangers. Ziet u de mens die wapenwedloop met zo'n virus ooit verliezen, waardoor hij uitsterft? Lucas Wenniger: Dat is mogelijk, maar niet heel waarschijnlijk. Een ziektekiem die zoiets veroorzaakt, zou zichzelf behoorlijk in de voet schieten. Hij is immers van de overleving van zijn gastheer afhankelijk voor die van zichzelf. Ook als ziektekiem bijt je dus best niet al te hard in de hand die je voedt. Vandaar dat ebola zeker geen kandidaat is om het einde van de mens te veroorzaken. De ziektekiemen daarvan zijn zo drastisch dat de zieke al dood is voor hij kans gezien heeft anderen te besmetten. Grote epidemieën behoren mijns inziens wel tot de mogelijkheden, vooral doordat een virus met het vliegtuig op een paar dagen tijd alle continenten kan bereiken en wij in grootsteden zo dicht op elkaar wonen dat de besmetting heel vlug kan gaan. Dan zijn we als kippen in een biofarm die ten prooi valt aan een dodelijke ziekte: op een paar dagen tijd de kaalslag. Stel dat een ebolavariant net iets trager werkt en zich daardoor ook iets makkelijker verspreidt, dan kan die een flinke hap uit de wereldbevolking veroorzaken. Maar voorlopig blijkt de mens de grote verstoorder van de evolutie te zijn, of maakt hij er gewoon deel van uit? Lucas Wenniger: De mens is een factor in de evolutie, net zoals het griepvirus dat is, maar hij is er wel in geslaagd een immense impact te hebben op de andere soorten, alleen al door zijn voortplantingssucces bijvoorbeeld. Het aantal mensen is op korte tijd geëxplodeerd. Verder grijpt de mens ook in de evolutie in, bijvoorbeeld door bepaalde soorten in een andere habitat te introduceren, maar ook door gifstoffen de natuur in te sturen, waardoor er hormonale afwijkingen optreden in dieren, of door de opwarming van de aarde te bevorderen. We kappen wouden en zaaien nieuwe planten. We zijn inderdaad een stevige factor. En we maken er keer op keer een boeltje van, zo lijkt het wel. We hebben Aziatische lieveheersbeestjes geïntroduceerd in het Westen, waarna die de inheemse verdreven. In Australië zitten er tweehonderd miljoen reuzenpadden die de kevers waarvoor ze zijn uitgezet maar niets vinden, en ga zo maar door. Is er ooit een introductie gebeurd die geen onvoorziene gevolgen had?<.B> Lucas Wenniger: Waarschijnlijk niet, al zijn er wel herintroducties die geslaagd zijn, zoals die van de ringslang in Geel. Die had geen negatieve effecten. Maar dat was dan ook een kleinschalig project, niet te vergelijken met de introductie van de nijlbaars in het Victoriameer die daar het hele bestaande ecosysteem uit evenwicht heeft gebracht. En het gekke is dat de mens zoveel moeite wil doen om die vreemde dieren in een andere leefomgeving te introduceren. Het heeft bijvoorbeeld duizenden exemplaren van de nijlbaars gekost voor die zijn draai vond in het Victoriameer, net zoals er massa’s Aziatische lieveheersbeestjesnesten naar de Verenigde Staten overgevlogen zijn voor ze in staat waren om zich daar te handhaven. De vraag is echter of je daar in ethische categorieën van goed en kwaad over kunt praten. Er zijn altijd soorten die de dupe zijn, maar andere profiteren er dan weer van. Kijk bijvoorbeeld naar de Japanse oester die voor onze kusten de inheemse grotendeels verdrongen heeft. Je kunt dat een ramp noemen, maar anderzijds zijn die Japanse oesters wel een stuk sterker en hebben we er daardoor ook meer om op te eten. De natuur verandert, dat kun je niet stoppen, en het is ook geen slechte zaak. Maar over de rol die wij daarin spelen kun je je natuurlijk wel vragen stellen. Het is zoals mensen die opeens hun voorgevel een ander kleurtje geven. Sommigen kiezen dan een kleur uit waarvan je denkt: nou, dit is toch wel erg gewaagd. Maar de mens kan de natuur ook een beetje helpen, door plasticetende bacteriën te introduceren bijvoorbeeld. Daar wordt momenteel toch aan gewerkt? Lucas Wenniger: Dat lijkt op het eerste zicht heel interessant. Zo ruim je goedkoop en makkelijk grote vuilstromen op, maar wat als er iets mis gaat en je op een avond je tv voor je ogen uit elkaar ziet vallen omdat er een plasticetende bacterie in zit?
Lucas Wenniger Linksmailto:marnixverplancke@skynet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|