Thomas More - Peter Ackroyd

Thomas More - Peter Ackroyd

Was Thomas More (1478-1535) wel een humanist? Erasmus, lange tijd zijn vriend, had er zo zijn twijfels over, en na lezing van de biografie van Thomas More door Peter Ackroyd kan ik Erasmus alleen maar bijvallen. More stond weliswaar al met één been in de moderne tijd, maar hij raakte niet los van de intrinsiek middeleeuwse kijk op het leven, op kerk en staat, op hiërarchie. Het is de ironie van de geschiedenis dat zijn onwrikbaar vasthouden aan law and order More letterlijk zijn hoofd zou kosten.

Peter Ackroyd begint zijn biografie met een uiterst sensibele, haast tastbare beschrijving van de doop van de boreling Thomas, een gebeurtenis zwanger van rituelen, verbale bezweringen, gezangen, decorum, duiveluitdrijving en zalvende plichtpleging. De katholieke kerk op zijn barokst. Immers, ‘de vrucht der zonde ‘ (!) moest worden gereinigd tot een ‘zoon van de vreugde.’ Ackroyd besluit dit prachtig galmende eerste hoofdstuk: ‘Dit is de laatvijftiende-eeuwse wereld waarin Thomas More met het doopsel zijn intrede deed.’ Het moge duidelijk zijn: More kwam ter wereld in een katholiek milieu in een door en door katholiek land, even doorleefd katholiek, zo niet katholieker dan Spanje en Italië. Die kennis is belangrijk om de principiële houding van de oudere More te begrijpen.

Thomas groeide op in een welvarend Londens gezin. Zijn vader was een vooraanstaande advocaat en later rechter, en de jonge Thomas, hyperintelligent als hij was, zou in diens voetsporen treden. Eerst wilde hij nog kartuizermonnik worden, maar het vlees was te zwak. Het werd dus een studie rechten en daarin was hij briljant. Het sloot ook aan bij zijn wat formele inborst, zijn hang naar regels en wette, discipline, gehoorzaamheid. Hij bracht het algauw tot advocaat van de Londense koopmansgilde. Dat leverde hem een gigantisch netwerk op dat hij in zijn voordeel gebruikte. Nadien ging het snel met zijn carrière en hij liet zijn vader ver achter zich: hij werd parlementslid, lid van het hooggerechtshof, lid van de kroonraad, hoveling en privésecretaris van koning Hendrik VIII, die hij nog als jeugdvriend had gekend. Uiteindelijk werd Thomas More Lord Chancellor, zeg maar eerste minister. Hendrik VIII koos hem in die functie omwille van zijn diepe theologische kennis, hoewel More zelf geen theoloog was.

Thomas More bezocht enkele keren als buitenlands diplomaat het vasteland, vooral Frankrijk dat voortdurend in oorlog was met Engeland, en bij die gelegenheden ontmoette hij geregeld Erasmus. Voor hem schreef hij in Antwerpen, toen hij bij Pieter Gillis logeerde, het bizarre Utopia, zijn bekendste werk. Het werd lang beschouwd als de eerste sociale utopie met communistische trekken maar volgens Ackroyd was het als pure satire bedoeld, een gelegenheidswerk in de trant van De lof der zotheid. Erasmus begeleidde overigens de druk van Mores boekje en uit beider briefwisseling blijkt dat Mores satire aanvankelijk Nusquam (Nergens) heette.

Uiteindelijk werd voor Utopia gekozen, een vondst van Erasmus, aldus Ackroyd, omdat het zowel ‘goede plaats’ (eutopia) als ‘geen plaats’ (outopia) kon betekenen. Misschien had de wereld minder last van utopieën gehad als Mores boekje Nergens was blijven heten. Hoe dan ook, die titel had tenminste duidelijk gemaakt dat Mores satire niet-realiseerbaar was. De Nederlandse filosoof Hans Achterhuis, die Utopia ooit verkeerdelijk als een serieuze schets van een ideale wereld zag, heeft zijn mening recent bijgestuurd. Soms kan het geen kwaad om tijdgenoten van een auteur te raadplegen. ‘Als je wilt lachen, moet je Utopia lezen’, adviseerde Erasmus zijn vriendenkring vijfhonderd jaar geleden al.

Ik heb Utopia herlezen en was er niet kapot van. Het eerste deel is een lange brief aan zijn Antwerpse vriend Pieter Gillis waar geen touw aan vast te knopen is en voor het tweede deel moet je al filosoof zijn om er niet bij te glimlachen. Neem nu de keuze van een partner in Utopia. De toekomstige Utopische echtgenote, geëscorteerd door een dame, wordt in haar blootje aan haar verloofde gepresenteerd, en de man gaat, in gezelschap van een heer, ook meteen uit de kleren voor het meisje. Zo kunnen ze elkaar keuren voor ze het jawoord geven. Wie een beetje Erasmus gelezen heeft, herkent dit als typische humanistische onderbroekenlol.

Hoe hoog More ook op de maatschappelijke ladder klom, hij bleef een streng religieuze en vrome man. Hij werd daar ook steeds hardleerser in. Als bestuurder droeg hij bij wijze van voortdurende boetedoening een ruw haren kleed onder zijn hovelinggewaad, hij leefde uiterst ascetisch en hij zonderde zich geregeld af om te bidden. Dit onwrikbare geloof had ook nare gevolgen. Het leidde tot wrede aberraties. Hij vervolgde als medewerker van Hendrik VIII meedogenloos de kleine groepjes protestanten die na de Reformatie ook in Engeland ontstonden. Hij zette een spionagenetwerk op, betaalde verklikkers en liet overal lutheranen opsporen, tot in de Nederlanden toe waar velen naartoe vluchten.

Hij aarzelde niet ze gevangen te zetten, te laten martelen en ze via de brandstapel te liquideren. Ketters moesten tot de laatste worden uitgeroeid. Van elke nieuwe dode ketter genoot More. Hoewel Ackroyd graag het literaire talent van More als dichter in de verf zet, - niet echt overtuigend, vind ik - schrik je vandaag van de vuilbekkerij van deze bigotte man zodra Luther ter sprake komt. Een zak stront, aap, aars, drek, dronkenlap, stuk schurft, schijtduivel, More was onvermoeibaar in het bedenken van scheldwoorden en schuttingtaal voor wat hij als de verpersoonlijking van de duivel zag. Toegegeven, ook Luther was een meester in pis-en-kaktaal. Ook in de zestiende eeuw probeerde men al meer te overtuigen door een schreeuwerige toon dan door argumenten.

Acroyd is een culturele katholiek en houdt zich in als hij de harteloze gruweldaden van More ter sprake brengt, maar Mores onverwoestbaar katholiek fanatisme blijft desondanks als een weerhaak hangen. Diens rigiditeit werd ook zijn ondergang. Hij was te strak in de leer om in te kunnen spelen op een veranderende wereld. Hij bleef zijn eigen godvrezende zelf terwijl Hendrik VIII zijn beleid uit puur eigenbelang totaal omgooide. De koning wilde af van zijn eerste echtgenote Catharina van Aragon omdat ze hem maar geen mannelijke erfgenaam schonk. Die zoon moest Anna Boleyn hem leveren. Daartoe moest eerst zijn christelijk huwelijk ontbonden worden, dat kon alleen met de zegen van de paus en die weigerde.

Het leidde tot een machtsstrijd met Rome en een ongeziene machtsgreep van Hendrik VIII. Hij plaatste zich aan het hoofd van de kerk in Engeland, verplichtte alle Engelse priesters en bisschoppen zijn gezag te erkennen, doorstond excommunicatie en scheurde zich af van Rome. Thomas More, die op intieme voet met de koning stond, had dit zien aankomen en nam ontslag als kanselier, in de ijdele hoop met rust gelaten te worden. Maar de koning eiste van iedere belangrijke burger een loyaliteitsverklaring. De ene na de andere hogere ome draaide bij, ook medewerkers en vrienden van More, alleen hij stond pal, samen met bisschop John Fisher. More wilde sterven voor wat hij heel zijn leven had verdedigd: het katholieke oppergezag van Rome, de Bijbel, gehoorzaamheid en onderwerping aan God.

Voor de koning was dat landverraad. More werd opgesloten in de Tower, kreeg nog herhaalde kansen om zich te bedenken maar ondanks de smeekbeden van vrouw en kinderen om ook aan hen te denken overwon de fanaticus het. Hij sprak zich niet uit, deed een beroep op zijn geweten maar veroordeelde de koning evenmin. Het was te weinig voor de vorst en More werd publiekelijk onthoofd. Het leverde hem, ondanks zijn barbaarsheden, in 1935 een heiligverklaring op. Maar een heilige was hij allerminst naar onze maatstaven en Ackroyd heeft gelukkig geen hagiografie geschreven.

Wat deze biografie zo knap maakt is dat de auteur Mores reilen en zeilen inbedt in de tijdgeest, de maatschappij en het milieu waarin hij leefde. Ackroyd heeft ook een biografie van Londen geschreven en die kennis komt het boek zeer ten goede. Hij beschrijft op een geloofwaardige en aanstekelijke manier straten, gebouwen, kerken, rituelen, hiërarchische geplogenheden, vetes, intriges, besognes en culturele activiteiten waardoor je een samenleving (of beter de top ervan) voor je ogen ziet opdoemen. Het voert je terug naar een leefwereld en een individu van wie de motieven voor ons nog nauwelijks na te voelen zijn. Toch slaagt Ackroyd daarin en dat is zijn grootste verdienste. Het levert een breed uitwaaierende rijke biografie op van een eigenzinnig persoon die sterft voor een overtuiging die, op dat kantelmoment van de geschiedenis - het ontstaan van de anglicaanse kerk met de koning aan het hoofd -, er in Engeland toen al niet meer toe deed. Tragisch.


Recensie door Leo De Haes

Peter Ackroyd, Thomas More. Biografie, Uitgeverij Polis, 2016, 502 blz. Thomas More, Utopia, vertaald door Paul Silverentand, voorwoord Hans Achterhuis, nawoord Marja Brouwers, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 180 blz.

Wereldverbeteraars - Larissa Macfarquhar

Wereldverbeteraars - Larissa Macfarquhar

Voorbij fort Europa - Henk Van Houtum

Voorbij fort Europa - Henk Van Houtum